Ja, wie denkt hier niet aan dat vrolijke admiraalzeilen, dat, inzonderheid te Amsterdam en te Rotterdam, in de 17e en 18e eeuw, met grooten luister werd gevierd? Onder hun admiraal, vice-admiraal en schoutbij-nacht, in eskaders verdeeld, zeilden de fraai vergulde jagten en boeijers met zijden vlaggen en lange wimpels, onder 't lossen hunner kanonnetjes en 't lustig klinken der scheepsmuziek langs Y en Amstel en Maas.
Te Amsterdam had men die zeilspelen twee dagen achtereen, op een zaturdag en een zondag in de maand Julij. De vloot op 't Y rigtte haar koers nu eens naar Zaandam, dan naar Durgerdam, waar de maaltijd gehouden werd; die op den Amstel naar 't Molentje voorbij den Omval. De heele stad had er pret van; ieder Amsterdammer sprong 't hart op van vreugd, als 't vrolijk Wilhelmus over 't water klonk. Doch ik wil niet herhalen, wat ik elders reeds heb verteld, en verzoek den lezer 't maar in mijne ‘Amsterdamsche Kleinigheden’ te willen nalezen.
Minder prachtig en kostbaar, maar daarom zooveel te algemeener, waren de zeilpartijen. Geen dorp, dat aan een bezeilbaar water lag, waar men ze niet van tijd tot tijd had; zij verschaften den zeilers gelijk genot als de harddraverijen den rijders. De prijs was hier een vlag, die gewoonlijk door een herbergier werd uitgeloofd. Wij willen ons het verslag van zulk een zeilpartij in 't midden der 17e eeuw eens laten geven door denzelfden ‘eerzamen burger van Amersfoort,’ met wien wij in ‘de Uithangteekens’ hebben kennis gemaakt2), - hier, even als daar, ‘zoo goed mogelijk in hedendaagsch Neêrduitsch overgebragt.’
Onder de Friesche hardzeilerijen in de voorgaande eeuw was geen vermaarder dan die ter gelegenheid van 't reeds vroeger vermelde bezoek van Prins Willem V in 1777. Zij werd gehouden op den 4n September bij de Oudeschouw, derdehalf uur gaans van Leeuwarden. De prijs was,
behalve de vlag, nog een zilveren vleugel met zijn tuigje, dien Mintje Wouters van Sneek won. 't Was een groot volksfeest. ‘Men hoorde gestadig muziek op keteltrommen, walthorens en trompetten. Velen van de eigenaars der jagten waren in 't wit, anderen in 't blaauw met goud, zilver en oranje, op zijn schippers gekleed. Considerabele rijtuigen met menschen hebben zich daar na toe begeven, zoodat het in de nabij gelegen dorpen kermis scheen te zijn’1). Er werd van die hardzeilerij ook een medaille geslagen en de Friesche poëten maakten er gedichten op2).
Even als naast de geregelde harddraverijen de renpartijen om een weddingschap3), zoo stonden naast de geregelde zeilpartijen ook zulke wedvaarten, en er waren zelfs bollen in 't vak, die ten allen tijde er elk toe uitdaagden, en het daarom op hun uithangbord schreven, zooals een Leeuwarder, die een scheepje uithing met dit onderschrift:
Van roeipartijen hielden onze voorouders ook veel. 't Ging almede om een vlag of een weddingschap, en daar had men nog de bijzondere aardigheid bij, dat het somtijds geblinddoekt geschiedde, bij welk blindroeijen natuurlijk heel veel gelachen werd.
Maar reeds in 't laatst der vorige eeuw waren de oude zeil- en roeipartijen in verval geraakt, hetgeen men toeschreef aan de patriotsche onlusten, daar de partijhaat onder den gemeenen man nog heviger had gewoed dan onder de aanzienlijken5). En 't ging met het admiraalzeilen evenzoo. Na 1795 vooral, toen vrijheid en welvaart, zeemagt en koopvaardij, al te zamen in droevig verval raakten, kwijnde 't allengs weg, en werd ook later niet meer, wat het weleer geweest was. Vóór bijna 30 jaren hebben wij er de laatste overblijfselen van zien verdwijnen.
In onzen tijd hebben wij, voor al 't zooeven genoemde, de wedstrijden van zeil- en roeivereenigingen in de plaats gekregen; en hoe pleizierig deze zijn, behoef ik hier niet te betoogen, omdat ik er al vroeger eens een lied op gezongen heb6); en welk genot de wedstrijden met watervelocipedes nog kunnen opleveren, zal de tijd leeren7). Maar een gondelsfeest met een waterilluminatie is allerprachtigst; wie 't nooit heeft bijgewoond, behoeft slechts bl. 257 van het Nederlandsch Magazijn van 1861 op te slaan, om te zien hoe mooi het vermaarde gondelsfeest op 't Spaarne geweest is. Aan de teekening ontbreekt niets anders dan de donkerheid van den avond en de plasregen, die er viel.
De man op waterschoenen, dien ge in dezelfde teekening op
den voorgrond ziet, vertegenwoordigt een vermaak, dat nog geen volksvermaak geworden, maar den liefhebbers alleen overgelaten is.
Spelevaren is in ons Land al een heel oude liefhebberij. Zeker hebben de Friezen en Batavieren zich daar, op hun manier, reeds meê vermaakt; en in de middeleeuwen trad de hooge Baroen of Hollands edele Graaf, bij schoonen zomerdage, gaarne in 't, met frisch groen overhuifde en met zijne wapenen geblazoeneerde, barkje, dat wiegelde op vijverplas of landstroom, om te spelevaren met de jonkvrouwen, terwijl de minstreel op de voorplecht het zoet gezelschap met zang en spel verlustigde. Maar de zeventiende-eeuwers voerden hierin de weelde ten top. Zij maakten hunne speeljagten tot juweeltjes, gebeeldhouwd en verguld, en ‘met kostelijke kameren gelijk Princenwooningen’, zegt Melchior Fokkens1). In die kamertjes zaten de genoodigden onder 't zeilen te zingen en te spelen, wijn en thee te drinken, banket en confituren te eten. ‘Ja wel’, zei Vader Jeronimus, ‘heel pleizierig voor die er in zitten; maar een gek, die er zoo 'n mooi speeljagt op nahoudt!
Maar Vader Jeronimus was een pruttelaar; anderen dachten er heel anders over, en speelden voor schippersknecht noch roeijer, maar hielden daar hun knechts voor, die een eigenaardige scheepslivrei droegen.
Wie geen eigen jagt en toch zeilenslust had, huurde er een met den knecht er bij; - een Amsterdammer b.v. die een Ytogtje wilde doen, liep maar eventjes de Oudeschans op naar de Scheepjesbrug, en was dadelijk gereed, en, zegt Antonides,
want de Hollandsche juffers hielden, daar 't genot van rijden haar zeldzamer ten deel viel, heel veel van varen.
Vóór vijf en dertig jaren was dit watervermaak nog in volle tier. Toen noodigde nog een poëet, die een boeijertje in de Amsteljagthaven had, zijne vrienden met den volgenden cierlijken vóórrijmslag tot een togtje uit.
Maar thans is alles veranderd. Als een bejaard liefhebber nog eens, naar voorvaderlijke wijze, op den Amstel laveert, en een giek met zes bonte roeijers hem voorbijschiet, begroeten deze den zeiler met een schaterlach en de kreet: ‘Hoera! voor dien ouweheer’! - Ja wel: ‘hoera!’ niet eens op zijn Hollandsch: hoezee!’ - Ik misgunde, toen ik 't hoorde1), de moderne giek haren triomf niet, maar 't speet mij toch om dat Oud-Hollandsch boeijertje.
Een ander soort van spelevaren is dat met roeischuitjes. Hoe de vrolijke jeugd zich daar weleer in de stadsgrachten meê vermaakte, heb ik op bl. 65 reeds gezegd. Ook de deftigste zeventiende-eeuwers vonden groot vermaak in 't roeijen door de grachten hunner stad, vooral de Amsterdammers in hun Heeren- en Keizersgrachten; natuurlijk omdat het rijden hun niet geoorloofd was. In plaats van koetsen hielden zij er cierlijk vergulde roeijagten op na, met een vlaggestok achterop, waaraan een zijden wimpel hing, zóó lang, dat hij dreef op het ‘helder nat.’ Op de groote plaat van het Aalmoeseniersweeshuis, gegraveerd door Jan Punt in 1758, vaart in de Prinsengracht een tentjagt vol heeren en dames, en voor op de plecht staat de waterketel op een komfoor. Al varende dronk men zijn kopje thee. Maar eigentlijk was dit jagt daar toen reeds een antiquiteit. ‘'t Helder nat’ toch was al in 't laatst der 17de eeuw zoodanig verbasterd, dat men 't roeijen daarin niet heel aangenaam meer vond; en daarom hadden de deftige lieden er ernstig op aangedrongen, dat hun ‘de commoditeyt’ verleend wierde van met karossen en kalessen te mogen rijden, en dit was hun eindelijk in 1736, tegen betaling van rijtuigengeld, toegestaan.
De genoegens van 't hedendaagsch spelevaren met een roeischuitje, niet binnensteeds maar buiten, kent elk, de een bij ervaring, en de ander uit Hildebrands ‘Familie Stastok.’ En de verhouding tusschen een hedendaagschen Hollandschen jongen en de roeiriemen heeft Alexander V.H. aanschouwelijk gemaakt. Een magere neef en een dikke oom zitten zamen in een schuitje; de eerste roeit en de tweede vraagt: ‘Wel jongen, hebje nou geen pleizier?’ - Heel natuurlijk; Oom denkt aan zijn eigen jeugd, toen ieder Hollandsche jongen nog een goed roeijer was, en er altijd pleizier in had. En wat antwoordt die hedendaagsche jongen? ‘Ja, Oome! ja! - maar ik - krijg zukke - blaren in me handen!’ Heu! eheu!
Een derde soort van spelevaren was, noch zeilen noch roeijen, maar
zich laten trekken in een tentjagt door een man aan de lijn, als men in de onderstaande afbeelding ziet.

En dit trekken herinnert ons tevens een ander varen, dat nu geen vermaak meer is, maar 't vroeger wel was, - het varen in de trekschuit1). 't Is waar; wij krijgen een onaangenaam gevoel als wij den naam slechts hooren; de trekschuit is voor ons 't symbool van al wat saai en naar is. Al wat wij smakeloos en vervelend vinden, vergelijken wij bij ‘de trekschuit, aan de lijn der eentoonigheid door den mageren knol der burgerlijke platheid langs het smalle jaagpad der alledaagschheid op het sukkeldrafje der jansalieachtigheid voortgesleept;’ - wat zeker tegenwoordig al een heel pikante gelijkenis is. Maar 't is niet minder waar, dat dit alles vroeger precies omgekeerd was; toen was de trekschuit Hollands lust, en zij werd door vreemdelingen bewonderd en geprezen.
De Franschen stonden bij hun inval Ao 1672 verrukt op 't zien der Hollandsche trekschuiten, - de groote Condé zelfs. Hoor den poëet Tijsens:
‘Wel zeker’, zei Le Francq van Berkhey, ‘men doet in de trekschuit een speelreisje’3). En nog onlangs zei een navorscher: ‘Wat kon men in
zoo 'n roef soms prettig zitten keuvelen, als niets de stilte verbrak dan het verwijderd gezang van den jager en het vreedzaam kabbelen van het water1)’. Maar dat zitten in de roef was toch het regte vermaak van de trekschuit niet, - neen, het zitten in den stuurstoel, met den gouwenaar in den mond, het frissche water onder, de frissche lucht rondom en den schipper (doorgaans een origineele kerel) naast zich, met wien men veel liever redeneerde dan met een geleerde in de roef.
Als een gezelschap kunstenaars den pot verteren ging, zaten ze in de trekschuit zoo pleizierig, dat ze zeiden: ‘Fokke, daar moet jij een teekening van maken’; - en als de kunstminnaars die teekening bekijken, lachen ze er nog om2). Als schrijvers een onderwerp heel vermakelijk wilden behandelen, kozen zij liefst den vorm van een schuitpraatje; en als geestige dichters eens pleizierige verzen wilden maken, namen zij de trekschuit tot onderwerp.
Maar Huygens genoot nog een ander vermaak van de trekschuit, en wel zonder meê te varen. Hij trad het hek van zijn Hofwijck uit en school achter de groene haag aan den weg, en hoorde zichzelven kritiseeren van alle voorbijvarenden. ‘Daer’, zei hij,
Zeker een heel eigenaardig vermaak, waar de knappe lui van onzen tijd ook al geen pleizier in zouden vinden.
Onder de waterspelen namen de spiegelgevechten de eerste plaats in, en ik heb vroeger reeds die, welke in April en Augustus 1717 op het Y gehouden zijn ter eere van den Tsaar en de Tsarin, als de prachtigste voorbeelden genoemd3). Het tegenbeeld leverde 't Bataafsche Alliantiefeest op den 19n Junij 1795 in een droevige mislukking, - wat trouwens in dien tijd van algemeen misluk niet te verwonderen was!
Op de binnenwateren gaf men hier weleer ook watersteekspelen. De spelers waren gewapend met een ‘steekstok’, en gedekt met een houten schild voor de borst, en elk hunner stond voor op een schuitje, waar twee roeijers in zaten. De schuitjes in twee gelijke partijen verdeeld, lagen op een afstand van twee of drie scheepslengten van elkander, en op een gegeven teeken werden zij snel op elkander aangeroeid. Ieder kampvechter zocht zijn tegenstander met den steekstok in 't water te stooten en tegelijk diens stoot te ontwijken.
't Behoorde in de 16de en 17de eeuw tot de volksvermaken bij openbare feesten. Toen Prins Willem I den 17n Maart 1580 te Amsterdam
eene blijde inkomst hield, werd door ‘tien of twaalf rappe gasten’ zulk een watertornooi gegeven in het Damrak. Voor Maria de Medicis geschiedde het in 't Rokin door tien matrozen met witte baaitjes en roode mutsen; en Professor van Baerle zegt, dat ieder, die 't aanzag - de Burgemeesters zoowel als 't gemeene volk, de Professor zoowel als de Koningin - lachte, dat de hemel er van weêrgalmde1).
Bij 't reeds meergenoemde viktoriefeest te Brussel in 1688 deed men 't op grooter schaal. Veertig schippers, in witte linnen kamizoolen, en met roode mutsen en gordels, gaven een ‘tornoy op de Vaert,’ om zooveel prijzen, dat zij niet eens allen op één dag gewonnen konden worden2). Dit zelfde vermaak is ook zeer populair in 't zuiden van Frankrijk, vooral te Lyon en Marseille, en men zoekt den oorsprong in de waterspelen der Romeinen, wat niet onwaarschijnlijk is.
Het palingtrekken en het ganstrekken behooren ook tot de watervermaken, doch zij zijn reeds behandeld in het Vierde Boek3).
't Zien afloopen van een schip is sedert onheugelijke tijden een echt Vaderlandsch vermaak, - een vermaak, welligt zoo oud als de scheepsbouw hier te lande, en deze dagteekent van de eerste eeuw onzer jaartelling.
Toen Martha de Harde van haar man zei: ‘hij moet daar altijd met zijn neus vlak bij zijn, al heeft hij duizendmaal schepen zien afloopen, ‘zei ze eigentlijk niets bijzonders van hem, - zoo waren vroeger al de Hollanders. Ontving een stad, waar werven waren, een bezoek van een Vorst of Vorstin, dan behoorde tot de vermakelijkheden ook altijd het zien afloopen van een schip. Er bestaan een aantal afbeeldingen van dat Hollandsche waterfeest, maar men ziet op allen precies hetzelfde: een schip, dat neêrduikt, water, dat opbruist, honderd vlaggen en tienduizend menschen. En in Vondels ‘Lof der Zeevaart’ kan men lezen, hoe de Ygod soms ‘ontstelt was van den slagh’, en riep: ‘Is dat een lawaai daar boven mijn hoofd? Ga jelui met die pret naar Schevelingen, daar heb je de ruimte!’4) Die goede Ygod mag nu gerust zijn ochtend- en zijn middagslaapje doen, - hij wordt niet meer aan 't schrikken gemaakt.
Dit alles zijn vermaken op - thans volgen die in 't water.
Van 't zwemmen - een heel oud volksvermaak, en zeer onkostbaar, daar men er hulpmiddelen noch gereedschap, ja zelfs geen kleêren bij noodig heeft - heb ik reeds in 't Eerste Boek gesproken5). 't Speet Halbertsma, die er zelf veel van hield en 't nog op hoogen leeftijd deed6), zeer, dat het ‘uit de algemeene mode gebragt’ was, en hij gaf daar ook
al ‘het verbeterd onderwijs’ de schuld van1). Mis! - dat kwam omdat hij Valcooch2) noch de ‘Goede manierlijcke zeden’3) gelezen had. De Noordhollandsche schoolmeester schreef reeds in 1597, dat de jongens
mogten; en 't Antwerpsche boekje, nog tien jaren ouder, noemde ook onder de spelen, die ‘den jonghers verboden’ moesten worden: ‘int water swemmen’. Maar daarom lieten zij het toch niet. Hoe knap onze zeventiende-eeuwers nog in 't zwemmen waren, verhaalt een Engelsch reiziger: ‘De Hollanders sijn al te samen watervogels. Zij sullen u al soo rasch een endtvogel uit de sloot halen als eenig waterdog. Zeemeeuwen konnen niet geswinder swemmen4).’
't Zwemmen binnen de steden in de burgwallen, werd echter al vroeg verboden; de fatsoenlijke lui deden 't extra urbem, als Ernst Brinck zei5); en zij doen het thans, als ieder weet, in een Zwemschool achter ‘een hooge schutting’, waar men, naar de dichterlijke beschrijving van den Heer J.D. Lodeesen, ‘een geplas verneemt’,
En zoo Halbertsma nog leefde, zou 't hem zeker veel pleizier doen te vernemen, dat men thans zelfs Zwemklubs oprigt, ‘om het zwemmen weêr meer algemeen te doen worden’, ja zelfs zwemwedstrijden te houden7).
Noch het ‘onder water varen’ van Drebbel, noch het ‘onder water gaan’ van Leeghwater is ooit volksvermaak geworden; natuurlijk omdat beiden de kunst voor zich alleen gehouden hebben. Slechts gunde Leeghwater eens aan den Prins en zijn Hof, en een ander maal aan 't Amsterdamsche publiek er 't kijkvermaak van; maar niemand wist, hoe hij 't deed.
‘Den kerel wert versoepen!’ riep Graaf Willem, toen hij de kunst zag uitvoeren in een molenvliet bij den Haag. En toen Leeghwater op de Amsterdamsche kermis van 1606 onder water ging in de Wetering buiten de Heiligewegspoort (d.i. waar tegenwoordig de Keizersgracht ligt tusschen de Leidschestraat en Spiegelstraat), wat natuurlijk honderde nieuwsgierigen lokte, liepen er, zoodra hij met een: ‘adjeu ghij vrome Borgers van Amsterdam!’ in 't water gesprongen was, terstond velen verschrikt weg, roepende, toen ze de poort inkwamen: ‘Die man is al verdronken, hij en komt sijn leven niet weder!’ Maar die gebleven waren, wisten wel beter, want zij hoorden hem den 23sten psalm op de schalmei
spelen; en toen hij weêr het hoofd uit de Wetering opstak, riepen ze: ‘de konst is goet!’ - En terstond waren er deskundigen, die er 't fijne van wisten. ‘Hij had zich met olij bestreken’, zei de een. ‘Neen,’ zei de ander, ‘hij had een root lapken in sijn mond genomen.’ - Maar beter dan die babbelaars bevielen den waterduiker diegenen, ‘welke haer milde handt toonden’, en allerbest ‘een Man uyt Zeelandt, die seyde: omdat de konste soo fraey is, soo schenck ick u daartoe noch een Zeeuse Daelder’1).
Trouwens - ik merk dit hier ten slotte op, ofschoon 't juist geen water-, maar een overal-vermaak is - geld ontvangen was altijd, en is nog, ondanks alle predikatiën tegen den Mammon, voor 99999 van de honderdduizend menschen het allergrootst vermaak!