terug  begin  verderprepost
[p. 43]

Liederen.

1173 (17 October).
I. Dansliedje der Vlaamsche Huurlingen in Engeland.

In 1173 was de verstandhouding tusschen Hendrik II van Engeland en zijn oudsten zoon zoo slecht, dat de laatste naar Hendriks vijand, Lodewijk VII van Frankrijk, vluchtte en gezamenlijk met hem een oorlog tegen Engeland begon, waaraan ook Vlaanderen en Schotland deelnamen. Het tooneel van dien strijd waren voornamelijk die deelen van Frankrijk, welke destijds aan Engeland behoorden. Tot de partij van den Kroonprins behoorde ook Robert, graaf van Leycester. Terwijl deze in Frankrijk oorlogvoerde, wreekte Hendrik II zich op hem door de stad Leycester te belegeren en de streek daaromheen te verwoesten.

Op het bericht hiervan keerde de Graaf over Vlaanderen naar Engeland terug. Bij zijn inscheping nam hij drie duizend Vlaamsche en ook een aantal Normandische voetknechten en ruiters mee, aan wie hij de heerschappij over heel Engeland beloofde. Spoedig na de landing kwam bij den Graaf de lust op de overblijfselen van zijn hoofdplaats weer te zien, en, op we daarheen, besloot hij op aandrang der Vlamingen den burcht en de kerk van den H. Edmond te plunderen. Voor den aanval nam het leger wat rust in de vlakte, en hier voerden de Vlamingen een reidans uit, waarbij zij nevensgaand lied zongen, ons oudst bekende historische volkslied. Doch nu overviel hen plotseling het koninklijke leger, en na een hevig gevecht werden allen, ook de Graaf, gevangen genomen.

[p. 44]

Het liedje wordt ons meegedeeld door Matthaeus Parisiensis in zijn Historia Anglorum, Londen 1866, blz. 381. Voor den verengelschten vorm, waarin het tot ons gekomen is1, kan het van belang zijn na te gaan, aan welke bron deze geschiedschrijver van het St.-Albaansklooster 't ontleend mag hebben.

De Historia Anglorum is van 1067 tot 1253 een verkorte, doch met nieuwe bijzonderheden verrijkte, bewerking van de Chronica Majora van Roger Wendover, den eersten, in 1236 overleden geschiedschrijver van dit klooster. Wendover maakt echter geen melding van den reidans en 't daarbij gezongen lied,2 en evenmin vinden we deze bijzonderheid terug in de kronieken, waarvan wij weten, dat Matthaeus Parisiensis zich bediende.3 Doch hij heeft ook veel opgeteekend uit den mond der tijdgenooten, die 't klooster bezochten, ook van Hendrik III, die zeer vertrouwelijk met hem omging en hem allerlei geschiedkundige bijzonderheden mededeelde.4 Hendrik III was de zoon van Jan zonder Land, die met zijn oudsten broeder aan den opstand tegen Hendrik II had deelgenomen en kan dus zeer goed met de bijzonderheden van dezen oorlog zijn bekend geweest. Van hem of van een zijner tijdgenooten kan Matthaeus Parisiensis ze vernomen hebben, hetgeen den verengelschten vorm zou verklaren.

 

Bronnen: Matthaeus Parisiensis, Hist. Angl., Londen 1866, I, blz. 381; Green, Hist. of the English people, 1895, I, blz. 254.

 
Hoppe, hoppe, Wilekin, hoppe, Wilekin,
 
Engelond is min ant tin.
1Ritson, Ancient Songs, Dissert. 1790, gaf het zelfs uit als 't oudste voorbeeld van een Engelsch lied, wat het stellig niet is; aangehaald Hist. Angl. III, XL.
2Rogeri de Wendover, Flores Historiarum by H. G. Hewlett I, 1886, blz. 96.
3Zie Abbrevatio Chronicorum in Hist. Angl. III.
4Hist. Angl. III, blz. XV en XXI.
prepostterug  begin  verder