Het is waarschijnlijk, dat met sinte Elysabets dochter hier bedoeld wordt de dochter der H. Elisabet van Thuringen, ook wel, wegens haar huwelijk met Lodewijk van Hongarije, de H. Elisabet van Hongarije geheeten (de H. Elisabet van Schönau en de H. Elisabet van Reute stierven ongehuwd, en de H. Elisabet van Portugal had wel een dochter Constantia, maar deze had geen zoon, zie het lied); ofschoon iedere vrouw, die lid was van de orde der H. Elisabet, zich hare dochter kon noemen. Deze H. Elisabet van Thuringen had, behalve een zoon, drie dochters, waarvan twee den sluier aannamen en de oudste, Sofie, in 1239 op vijftienjarigen leeftijd de tweede vrouw werd van Hendrik II van Brabant, Hertog van Lotharingen. Uit dit huwelijk werd eerst eene dochter Elisabet geboren en den 24sten Juni 1244 een zoon Hendrik, bijgenaamd het Kind, de latere landgraaf van Hessen. Sofie stierf echter niet bij diens geboorte, maar eerst op zestigjarigen leeftijd en overleefde haar man zes en dertig jaar.
Het verhaal van de vrouw, die haar leven offert om dat van haar man te redden, is overoud en wordt reeds bij de Indiërs en Grieken (waar o. a. Euripides het tot een treurspel Alkestis bewerkte) aangetroffen. Ook in later tijd verloor deze stof hare aantrekkelijkheid niet1. Zoo vinden wij dit verhaal ook vastgeknoopt aan Eleonora, de gemalin van Eduard I van Engeland, die, toen zij haar gemaal in 1270 op een kruistocht vergezelde, hem het leven zou hebben gered door het uitzuigen van de wond eener giftige slang, wat geheel onhistorisch is2. Blijkbaar is deze overlevering ook toegepast op Sofie van Brabant, en is in later tijd voor Brabant Engeland in de plaats getreden. Tijdens een der oorlogen tusschen Vlaanderen en Engeland kan het lied zijn overgedragen op de Engelsche vorstin; het schijnt mij tenminste toe, dat met
den titel ‘hertogin van Engeland’ deze bedoeld moet zijn. Historische nasporingen konden mij in dezen niet meer licht geven, en het feit, dat de overlevering hier stellig een groote rol speelt, maakt het vaststellen der geschiedkundige kern te moeilijker. Het lied, dat blijkbaar uit het Duitsch is vertaald, komt voor als no. 27 in hs. II 2631 op de Koninklijke Bibliotheek te Brussel1, dat zeer kort na 1525 geschreven moet zijn: blz. 30b wordt van een lied gezegd, dat het voor 't eerst in 1525 gezongen is door Adriaan Cornelis Brouwerssoen; volgens Prof. W. de Vreese wijzen schrift, papier en watermerk alle op ± 1530. Voor de uitgave maakte ik gebruik van het afschrift van Prof. de Vreese; ook werd het lied uitgegeven door Dr. R. Priebsch, Deutsche Handschriften in England, Erlangen 1896, I, blz. 230.
Bronnen: Montalembert, Hist. de Sainte Elisabeth de Hongrie; Chronique des Ducs de Brabant par Edmond de Dynter, publiée par De Ram in de Coll. des doc. inéd., Brussel 1854, II, blz. 376; Chronijcke van Nederlant, in de Coll. de chron. belges van Piot, blz. 12; Matthaeus Parisiensis Maj. IV, blz. 359.