Voor de toelichting van dit lied zie men de studie van Dr. R.C. Boer, Het lied van Geraert van Velsen in den Gids van 18991. De schrijver wijst erop, hoe hetzelfde onderwerp behandeld wordt in Deensche liederen op den in 1286 ver-
moorden koning Erik Glipping en in een Nederduitsche sage, waarvan de Gotenkoning Ermanarik de held is. Door het gemeenschappelijk motief der gekrenkte eer is nu de sage van Floris V samengesmolten met die van Ermanarik. De Nederlandsche sage behield hare oorspronkelijke trekken, doch ontleende er daarbij enkele aan de Nederduitsche, die wederkeerig haar invloed onderging, en zoo den vorm kreeg, waardoor zij geschikt werd om in te werken op de Deensche sage. Dr. Boer meent ons lied te moeten plaatsen in het begin der veertiende eeuw, eer in het tweede dan in het eerste tiental jaren, ofschoon hij de mogelijkheid oppert, dat het nog iets jonger is. Het eerst komt het voor in de Hollandtsche Rijm-Kronijk van Melis Stoke, Amst. 1591, op een ongefolieerd blad, volgende op folio 100, met den titel: ‘History liedt van Graef Floris ende Geraert van Velsen’; verder in het Princesse Lied-boec: Dat, is der Jonckvrouwen Clachtighe Sentbrieven ... Noch zijn hier bijghevoecht verscheyden Amoureuse Liedekens. Mitsgaders een Nieu Amoreus Liet-boec ... Tot Amstelredam. Ghedruckt by Hendrick Barentsz. woonende in de Warmoesstraet int Vergulde Schrijff-boeck, Anno 1605, blz. 76, 1ste kolom onder den titel: ‘Een oudt Liedeken, van Graef Floris ende Geeraert van Velsen’; in het Haerlems Oudt Liedt-Boeck, Tot Haerlem, Gedruckt by Vincent Casteleyn, z. j.1 blz. 97; Het tweede Deel van de Dubbelde nieuwe Haerlemsche Duyne- Vreught. Amsterdam. Gedruckt by de Weduwe van Theunis Jacobsz. Boeckverkoopster op 't Water, inde Loots-man. z. j.2 (waarschijnlijk van 1660), blz. 35; Haerlems Oudt Liedt-Boeck, Den Seven-en-twintighsten Druck. t' Amsterdam. 1716,3 blz. 71. Ook moet het voorkomen in Het Oudt Amsterdamsch Liedboeck, waarnaar Hoffmann von Fallersleben 't uitgaf (Hor. Belg. II, blz. 87); totnogtoe is dit liederboek niet teruggevonden.
Wij bezitten het lied in twee lezingen: de eene komt voor in de Rijmkroniek en het Princesse Lied-boec; de andere in de beide drukken van het Haerlems Oudt Liedt-Boeck, in
Duyne-Vreught en in Het Oudt Amsterdamsch Liedboeck. Het lied is hier afgedrukt naar den oudst bekenden tekst van 1591; van de zeer talrijke varianten heb ik mij bepaald tot diegene, welke mij voorkwamen eenigszins van beteekenis te zijn. Deze zijn hier ontleend aan den ongedagteekenden druk van het Haerlems Oudt Liedt-Boeck en Duyne-Vreught; daar de tekst van dezen druk van eerstgenoemd liederboek zoo goed als geheel met dien van den zevenentwintigsten en van Het Oudt Amsterdamsch Liedboeck overeenkomt, heb ik van de twee laatste alleen de enkele plaatsen opgegeven, waar dit niet het geval is.
Als wijsaangifte komt ‘Van Gerrit van Velsen’ driemaal voor in Een Geestelijck Liedtboecxken enz. Ghedruckt tot Loven, bij Jan Maes. Anno. 1616,1 waar verscheidene aanvangsregels staan opgegeven van liederen, die op dezelfde wijs gezongen worden.
Voor de melodie zie men het Luitboek van Thysius, Uitg. Land, blz. 45.
Voor de jongere bewerking van het lied van Geraert van Velsen, die opgeteekend staat in hs. 194 van de Maatschij van Ned. Letterk. te Leiden, op fol. 15r (achter Jan de Weerts Nieuwe Doctrinael) zie men het artikel van Dr. Boer, blz. 280, aanm. 2. Volgens de aanwijzing in de eerste strofe:
hebben wij hier te doen met een vijftiende-eeuwsch lied. Het schrift is ook uit dezen tijd en van een geheel andere hand dan hs. 194 zelf.