terug  begin  verderprepost

1338.
V. Van Kort Rozijn.

Vlaanderen was in de Middeleeuwen half een leen van Duitschland en half van Frankrijk. Tegen den Franschen koning, die steeds zijn invloed in Vlaanderen zocht uit te

[p. 63]

breiden, kwam het volk meermalen in verzet. Zoo koos ook in 1328, toen tusschen Filips IV van Frankrijk en Eduard III van Engeland een strijd over de opvolging in Frankrijk ontbrandde, Vlaanderen, dat bovendien de wol voor zijn lakenindustrie uit Engeland ontvangen moest,1 voor den laatste partij. De Vlaamsche Graaf, Lodewijk van Nevers, schaarde zich aan de Fransche zijde en gezamenlijk met zijn leenheer versloeg hij de Vlamingen bij Casselberg.2

Doch meer invloed dan de Graaf hadden destijds in Vlaanderen twee Gentsche burgers: Jacob van Artevelde en de bijna even invloedrijke Zeger van Kortrijk of Kortrozijn (een vernederlandsching van het Fransche Courtrisien), uit het oude, aan Brabantsche hertogen en Vlaamsche graven verwante huis van Kortrijk. Voornamelijk tot hen richtten zich de gezanten, die Eduard III in 1336 tot het werven van bondgenooten hierheen zond; Zeger van Kortrijk herbergde zelfs een van hen in zijn huis. De Vlaamsche Graaf, hierover vertoornd, besloot Zeger, in wien hij 't hoofd van het verzet zag, te straffen: den 6den Juli 13373 liet hij hem na afloop van de statenvergadering te Brugge gevangen nemen. Hierna loopen de berichten nogal uiteen. Froissard zegt eenvoudig, dat Lodewijk Zeger, hij weet niet op welke wijze, ontbood en toen liet onthoofden. Volgens de Istore et chroniques de Flandres geschiedde èn de gevangenneming èn de onthoofding op bevel van den Franschen Koning. Het uitvoerigst is de Chronique anonyme: Terstond na afloop van de vergadering te Brugge wordt Kortrozijn in den kerker gezet en zendt de Graaf hiervan bericht aan den Franschen Koning, die beveelt hem tot nader order gevangen te houden. Kortrozijn wordt overgebracht naar de gevangenis te Reninghe (ten N.W. van Yperen). Een poosje later komt de Fransche connétable te Yperen aan en gezamenlijk met den Graaf begeeft hij zich naar Reninghe en doet er de onthoofding plaats hebben. Volgens een andere bron wordt Kortrozijn zelfs in zijn bed,

[p. 64]

waarin hij ziek neerlag, onthoofd.1 Als plaats der terechtstelling wordt behalve Reninghe ook Brugge en Rupelmonde genoemd.2

Vergelijken wij bij deze historische feiten het lied, dan treft ons menige sterke afwijking. Dit begint met de mededeeling, hoe Kortrozijn zich den haat van den Graaf op den hals haalt: niet door zijn samenspannen met de Engelschen, maar door zijn trotsche afwijzing van 's Graven aanbod hem tot ruwaard van Vlaanderen te maken. Nu dreigt de Graaf hem met onthoofding, maar Kortrozijn pocht terug, dat hij toch nog eenen nacht met 's Graven fiere dochter zal doorbrengen en toornig, innerlijk zinnend op wraak, keert de Graaf zich af.

Zonder overgang, met de snelle sprongen volksliederen eigen, schilderen de volgende strofen ons het tooneel der rechtspleging (6-10). Anders klinkt hier de toon van Kortrozijn: hij bidt om genade en herinnert den Graaf, hoe hij nog kort geleden zijn beste vriend was. Maar deze beveelt hem kortaf heen te gaan, na afloop van den maaltijd zal de onthoofding plaats hebben. Andermaal smeekt Kortrozijn om genade voor zijn vrouw, zijn kind, zijn vrienden en bloedverwanten en voor zijn eigen jonge leven, maar vergeefs: als de maaltijd is afgeloopen, wordt het hoofd hem voor de voeten gelegd. Dan neemt de dichter het woord om er zijn hoorders op te wijzen, hoe de trots van schoone vrouwen de mannen op een dwaalspoor brengt (str. 10). Verder maakt hij de opmerking, die hier slecht op haar plaats is, dat voor den Graaf, die nu Kortrozijn gaat dooden, nog wel eens de tijd zal aanbreken, dat hij, stond 't nog in zijn macht, anders zou handelen (11).

Daarop volgt de mededeeling, hoe Kortrozijn gewroken is: op St.-Laurensdag is zijn vriend, de Koning van Engeland tegen Vlaanderen ten strijde getrokken, en eer de dag avond was geworden, had hij Vlaanderen in zijn macht en lag Brugge vol dooden en gewonden. Een bede voor de ziel van den onschuldig veroordeelden Kortrozijn besluit het lied.

[p. 65]

Beschouwen wij deze afwijkingen wat nader. Van een aanbod van den Graaf, om Kortrozijn tot ruwaard te maken, vinden wij bij geen enkel kroniekschrijver melding gemaakt, maar vóór het jaar 1336, als het Engelsche gezantschap optreedt, wordt Kortrozijn door hen ook niet genoemd. Het is echter mogelijk, dat de Vlaamsche Graaf getracht heeft den invloedrijken volksleider op deze wijze voor zich te winnen, en dat een tijdlang tusschen beide mannen eene vriendschappelijke verhouding bestaan heeft (zie strofe 6). Als Kortrozijn op 's Graven bedreiging van onthoofding tartend antwoordt, dat hij nog eenen nacht bij diens dochter zal doorbrengen, moet hiermede oorspronkelijk de stad Gent bedoeld zijn,1 waarin hij nog eenmaal zijn macht hoopt te doen gelden. Dat een stad werd gepersonifieerd als maagd, was destijds niet ongewoon,2 en zal voor veertiende-eeuwsche hoorders geen moeilijkheid hebben opgeleverd. Doch in later tijd, toen dit beeld niet meer begrepen werd, kon het licht verwarring stichten, wat in den bedorven vorm, waarin wij 't lied kennen, blijkbaar 't geval is geweest. Ofschoon Kortrozijn vóór de terechtstelling om genade bidt voor zijn vrouw en kind, gelooft een latere bewerker aan zijn schuldige liefde voor de dochter van den Graaf en komt onder dien indruk ertoe, dit nog nader toe te lichten in strofe 10, die als een later toevoegsel moet worden beschouwd. Ook strofe 11 is blijkbaar uit haar verband gerukt. Het rijm is op verscheidene plaatsen bedorven (zie strofe 1 en 13). In strofe 10, waar ghebrocht rijmt op ghecost, kan de vierde versregel ongeveer geluid hebben:

 
Hi heeftet met sinen hals becocht;

terwijl de slotstrofe op deze wijze te emendeeren zou zijn:

 
Wi willen gaen bidden Godt den Heer
 
Ende Maria die Moeder Godes
 
Voor Kort Rozijn den schoonen man
 
Want hy ontschuldich was des dodes.
[p. 66]

Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 21, no. XVI); in Het Haerlems Oudt Liedt-Boeck, Tot Haerlem, Gedruckt by Vincent Casteleyn, z. j. blz. 79 (niet in den zevenentwintigsten druk van dit liederboek) en in een hs. van 1565, berustende op het stadsarchief te Gent: Généalogies de la famille de Bracle, blz. 117-119, onder den titel: Chanson communement chantee en flandres de ce present chevalier1. De tekst van dit hs. en van Het Haerlems Oudt Liedt-Boeck stemmen vrijwel overeen; grootere afwijkingen vertoont de meer bedorven tekst van het Antwerpsche Liederboek. Als grondslag voor deze uitgave is Het Haerlems Oudt Liedt-Boeck genomen, met vermelding van de eenigszins belangrijke varianten der beide andere teksten.

Als wijsaangifte trof ik ‘Van cort Rosijnken’ aan in de Veelderhande Liedekens gemaect wt den Ouden ende Nieuwen Testamente enz. van 15662; in de Veelderhande Liedekens, ghemaeckt wt den Ouden ende Nieuwen Testamente, wtgelesen en vergadert wt verscheyden copien enz. van 15693; in de Veelderhande Liedekens, ghemaect wt den Ouden ende Nieuwen Testamente, die voortijts in Druck zijn wtghegaen enz. Tot Amstelredam, 15824; ook in Veelderhande Liedekens, ghemaect wt den Ouden en Nieuwen Testamente .... Ghedaen Ter Liefden van Maeyken Tijssen, 15985 (dit liederboek moet zijn van 1559, zie Wieder, De Schriftuurlijke Liedekens, blz. 144). Mogelijk is hetzelfde lied bedoeld met de wijsaangifte ‘Van 't kasteel van Rijpermonde6, die voorkomt in 't Amsteldams Minnebeeckje, Amst., 1645.7

 

Bronnen: Kronijk van Jan van Dixmude in het Corp. chr. Fl.; Istore et chroniques de Flandres, in de Collection de chroniques Belges, ed. Kervijn de Lettenhove I, blz. 362; Chronique anonyme conservé dans la bibliothèque de Berne, blz. 549; Froissard, ed. Buchon I, blz. 188; Kervijn de Lettenhove, Hist. de Fl., 1847, III, blz. 169 vlgg.

[p. 67]
Van Kort Rozijn.
1
‘Kort Rozijn, wel lieve Neve,
 
Ghy zijt seer stout ende o[n]vertsaecht1;
 
Ghy sult rijden van stede tot stede,
 
Van Vlaenderen make ick u Ruwaert.’4
 
 
2
‘Grave van Vlaenderen, des doe ic noode,
 
Ick sie soo noode mijn onghevoech,2
 
Ick leve soo noode by quaden ase,3
 
Want selve hebbe ick goedts ghenoech.’
 
 
3
‘Kort Rozijn, u spijtighe woorden1
 
En sullen u niet te goede vergaen:2
 
Al voor dat huys van Repelmonde
 
Sal ick u doen het hooft af slaen.’
 
 
4
‘Grave van Vlaend'ren, gy hebt een dochter
 
Zy toont my soo fier ghelaet,2
 
Daer sal ick noch eenen nacht by slapen,
 
Al sout my namaels wesen quaet.’
 
 
5
De heer van Vlaender keerde hem omme,
 
Hy was toornigh ende onghemoet:2
 
‘Kort Rozijn, ick salt u loonen,
 
Desen toorne, die ghy my doet.’4
 
 
6
‘Heer van Vlaenderen, ick bid ghenade,
 
Den doodt hebbe ick niet verdient;
 
Het is gheleden een korte wijle,
 
Dat ick was u beste vriendt.’
 
 
7
‘Kort Rozijn, staet achterwaert;1
 
Als de maeltijdt is ghedaen,
[p. 68]
 
Al voor dat huys van Rijpelmonde,
 
Daer salmen u hooft af slaen.’
 
 
8
‘Grave van Vlaenderen, ic bidde genade
 
Voor mijn kindt ende voor mijn wijf,
 
Voor mijn vrienden ende voor mijn magen,
 
Ende voor mijn jonghe, schoone lijf.’
 
 
9
Doen de maeltijdt was ghedaen,
 
Kort Rozijn was daer bereijt,
 
Men ginck hem aldaer sijn hooft af-slaen;
 
Het koste hem al sijn suyverheyt.4
 
 
10
Fier ghelaet van schoonen vrouwen
 
Heeft menighen man in dolen ghebrocht,2
 
Dat machmen aen Kort Rozijn aenschouwen:3
 
Het heeft hem sijnen hals gekost.
 
 
11
Grave van Vlaenderen, gy zijt een Heere;11
 
Ghy gaet Kort Rozijn nu dooden,
 
Het sal noch haestelijck weder keeren,
 
Dat ghy dat soud doen seer nooden.
 
 
12
Het gheschiede op sinte Laurens dagh,1
 
Des morghens vroech by tijden,2
 
Dat de Koninck van Enghelandt
 
Op Vlaenderen wilde strijden.4
 
 
13
Alsser den dach ten avondt quam,
 
Haer en was niet bat te moede,2
 
Dan of Vlaenderlandt waer mijn,13
 
Ende Brugghe laghe in roode kolen.2
[p. 69]
14
Wy willen gaen bidden Godt den Heer
 
Ende Maria die Gods Moeder was2
 
Voor Kort Rozijn den schoonen man,
 
Want hy den doodt ontschuldich was.4

1Walsingham, Hist. Angliae, blz. 131: ‘Plus saccos quam Anglicos venerabantur.’
2zie blz. 59.
3Comptes mss. de la ville de Gand, 1337, fol. 64.
1Chronicon Jacobi Muevin, Corpus chron. Fl. II.
2Froissard, Croniques, ed. Buchon I, blz. 188 aanm. I.
1Zie J. te Winkel, Gesch. der Ned. Letterk. I, blz. 453.
2Zie o. a. ook: Bouden van der Lore, De maghet van Ghend, uitgeg. door Ph. Blommaert, Oudvl. Ged. II, blz. 105-108.
1Prof. De Vreese had de vriendelijkheid voor mij een afschrift van dezen tekst te nemen.
2Haarlem, Stadsbibliotheek.
3Amsterdam, Doopsgez. Bibl.
4's-Gravenhage, Kon. Bibl.
5Amsterdam, Doopsgez. Bibl.
6Zie ook blz. 24, aanm. 6.
7's-Grav., Bibl. Scheurleer.
1l.: onvervaert.
4ruwaert, bestuurder.
2mijn onghevoech, wat mij onwaardig is, tot schande strekt.
3by quaden ase, van een vuig gewin.
1spijtighe, trotsche.
2te goede vergaen, ten zegen gedijen.
2zij heeft een zoo fiere houding.
2onghemoet, bedroefd.
4toorne, leed.
1staet achterwaert, gaat heen.
4suyverheyt, schoonheid.
2in dolen ghebrocht, op een dwaalspoor gebracht.
3mach, kan.
11Graaf van Vlaanderen, gij hebt de macht, gij doet Kortrozijn ter dood brengen, maar spoedig zal de dag aanbreken, dat (indien de beslissing nog aan u stond) gij dit slechts noode doen zoudt.
1St.-Laurentiusdag, 10 Augustus en 14 November; de bedoelde slag (bij Kadzand) had op den laatsten datum plaats.
2by tijden, bijtijds.
4op, tegen.
2bat, beter.
1l.: sijn.
3dan of Vlaanderen ware in zijn macht n.l. van den Koning van Engeland, die in de voorafgaande strofe genoemd wordt.
2l.: in rooden bloede of in couden bloede; zie de varianten.
Varianten van het Antw. Liederb. en het handschrift. 1, 1. hs.: Cortrosin, deze vorm in het geheele hs., behalve in 3, 1: Cortrosijn. 1, 2. hs.: Ghij sijt staudt ende onversaeght. 2, 1. Het A.L. heeft steeds den vorm Vlaender, behalve 1, 4: Vlaenderen en 12, 4: Vlaenderlant. 3, 3. A.L.: Repremonde; hs. Rupelmonde; 4. A.L.: u hooft; hs.: dat hoeft. 4, 2. A.L. fieren; hs. fier een. 5, 1. hs.: heere. 3. hs.: sal. 6, 1. A.L.: Heere; hs.: Grave. 2. A.L.: en hebbe ick; hs.: en hebbic. 7, 3, zie 3, 3. 7, 4. A.L.: u dat hooft; hs.: hu dat hoeft. 8, 2. A.L.: Voor mijn wijf ende voor mijn kint; 4. A.L.: schoon jonghe; hs.: schoene jonghe. 9, 3. hs.: Men ghijnck hem daer, enz.; A.L.: Men ghinc daer zijn hooft af houwen. 4. A.L. en hs.: alle. 11, 2. A.L. Gaet ghi; hs.: Gaet ghij. 13, 1. hs.: ten avent ghijnck. 4. A.L.: in coude coelen; hs.: in rooden bloede. 14, 1. A.L. en hs.: heere; 2. hs.: Ende Marie Godts moeder was.
2Gods Moeder, Jezus' moeder.
4want hij heeft onschuldig den dood moeten ondergaan.
prepostterug  begin  verder