terug  begin  verderprepost
[p. 72]

1380 (Mei).
VII. Het Spotlied der Leliaards op de Klauwaards.

Gent en Brugge, steeds naijverig op elkaar, geraakten in openbare vijandschap, toen laatstgenoemde stad in 1379 van den Graaf het recht kocht tot het graven van een kanaal, waardoor de handelsweg naar Frankrijk niet langer over Gent, maar over Brugge zou loopen. De Gentenaars met Jan Hijoens aan het hoofd dwongen echter den Graaf en Brugge van dit plan af te zien. Toen de Graaf, nadat een algemeene amnestie was uitgevaardigd, Gent bezocht, zag hij overal de ‘witte caproenen’, het oude teeken van verzet tegen den landsheer, dat door Hijoens weder was in zwang gebracht, en heimelijk verliet hij de oproerige stad. In dezen tijd ging de Franschgezinde partij der Leliaards als teeken van vijandschap tegenover de Vlaamschgezinde Klauwaards roode kaproenen dragen, en eene versiering van leliën op de mouw, terwijl laatstgenoemden op dezelfde wijze drie leeuwenklauwen aannamen.1 In den winter van 1380 stonden deze partijen vaak heftig over elkaar, doch in het voorjaar werd door het geheele land de vrede afgekondigd. Gent en Brugge konden echter hun ouden haat niet vergeten. In Mei drong een troep Gentenaren Brugge binnen, naar men zei, om alle nijverheid te vernietigen. Zij moesten echter met verlies aftrekken, maar keerden reeds een paar uur later terug om zich te wreken, en werden andermaal verslagen. De Bruggelingen, die in dezen strijd de leliën op de mouw gedragen hadden, zongen na hun overwinning onderstaand liedje op de verslagen Gentenaren, die zich met leeuwenklauwen hadden getooid. De volledigste tekst komt voor in de Kronijk van Vlaenderen van 580 tot 1467, uitgeg. door de Maatschij v.d. Vl. Biblioph., deel I, blz. 239, welke hier voor de uitgave is gevolgd. Ook is het liedje opgenomen in Die excellente Cronijke van Vlaenderen, Antw. 1531, fol. 67v; het Memorieboek der Stad Ghent, blz. 109; en het Chron. Fl. in het Corp. Chron. Fl., uitgeg. door J.J. de

[p. 73]

Smet, I, blz. 237 (hier staan alleen de eerste vier versregels vermeld).

 

Bronnen: Kronijk van Vlaenderen van 580 tot 1467, uitgeg. door Serrure en Blommaert voor de Maatschij v. Vla. Biblioph. 1839, I, blz. 239; Die excellente Cronijke van Vlaenderen, Antw. 1531, fol. 67v; Memorieboek der Stad Ghent van 't j. 1301 tot 1737, I, blz. 109; Chronicon Flandriae in het Corpus Chron. Fl., uitgeg. door J.J. de Smet, 1837, I, blz. 237; Blok, Gesch. v. h. Ned. Volk, II, blz. 17; Kervijn de Lettenhove, Hist. de Fl., 1847, III.

 
Clauwaert, Clauwaert,
 
Hoet u wel van den Lelyaert,
 
Gaet ghi niet te Ghendtwaert,
 
Ghi laetter uwen tabbaert,
 
Al waerdi noch soe seere ghebaert,+
 
Sy sullen u maken vervaert,
 
O Clauwaert, Clauwaert,
 
Wacht u voere den Lelyaert.
1Kervijn de Lettenhove, Hist. de Fl., 1847, III, blz. 446.
Lezing van den tekst en varianten. vs. 2: liebaert, wat eene vergissing moet zijn blijkens het voorafgaande: ... die van Brugghe hiet men Lelyaerts, omme dat sy droughen lelyen op hare mouwen; Die exc. Cron. van Vl. heeft hier: Hoet hu vanden lelyaevt, en het Memorieb. der Stad Ghent: Wacht u van den Lelyaert. vs. 3. Mem. der Stad Ghent: Gaet ghy niet ghendewaert; Die exc. Cron.: Gaet ghi niet thuysewaert. vs. 6 en 7 ontbreken in de andere lezingen.
+vs. 5: Al hadt gij nog zoo'n zwaren baard.
prepostterug  begin  verder