terug  begin  verderprepost

1437 (22 Mei).
IX. Van mijn here van Lelidam.

Brugge was in 1436 smadelijk behandeld door Sluis, hetgeen des te moeilijker te verdragen viel, daar de Bruggelingen een privilege bezaten, waarbij Sluis onder hun gezag werd gesteld. Een hevig volksoproer ontstond in Brugge en vele inwoners gingen zelfs Sluis belegeren.

De Hertogin van Bourgondië, die zich met haar driejarig zoontje juist te Brugge bevond, werd op het dreigen van haar gemaal Filips losgelaten, doch oneerbiedig behandeld. Filips was zeer verbolgen over deze houding van Brugge en wees de door Gent aangeboden bemiddeling van de hand. Nu zonden de gematigdsten uit Brugge afgevaardigden, die zeer uit de hoogte door den Hertog ontvangen werden. Toch beloofde hij hun privilegiën te zullen bekrachtigen, mits zij de wapenen neerlegden en verontschuldigingen aanboden. Algemeen werd nu het verlangen, dat de Hertog in de stad zou komen, doch deze beweerde, dat zijn tegenwoordigheid in Holland, waar Jacoba juist gestorven was, vereischt werd. Wel wilde hij op weg daarheen met een klein gedeelte van zijn troepen door Brugge trekken, en beloofde daarbij geen enkel van de zoo gehate Picardische boogschutters mee te brengen.

Woensdag 22 Mei, ‘de vreezelike woensdagh in de Synxchenweke’1 trekt de Hertog in de richting van Brugge

[p. 79]

op. De overheid gaat hem tegemoet en herinnert hem aan zijne belofte. Twee uur lang houdt Filips haar aan den praat, tot hij het bericht ontvangt, dat twee van zijn edelen zich van den toegang tot de stad hebben meester gemaakt. Dan geeft hij het sein tot vertrek en dringt met zijn edelen en Picardiërs de stad binnen, maar slechts met een klein gedeelte, want drieduizend van de zijnen worden buitengesloten. Terstond beginnen de boogschutters te schieten op de toeschouwers in de vensters en het weerlooze volk op straat: des morgens was in elk gilde bevolen, dat men ongewapend den vorst zou tegemoet gaan. In den algemeenen strijd, die zich nu ontwikkelt, wordt de geringe macht der Franschen verslagen door de Bruggelingen, die zich ijlings gewapend hebben. Meer dan honderd Franschen sneuvelen, waaronder de edele Jean de Villiers, Heer van l'Isle-Adam, die, nadat hij van de Fransche tot de Bourgondische partij was overgegaan, zoowel Filips als diens vader Jan zonder Vrees, in al hun ondernemingen trouw had bijgestaan. Toen hij de boogschutters zag weifelen, was hij te voet gaan strijden, en, in de meening van gevolgd te worden, ver naar voren gedrongen, doch werd terstond doodelijk getroffen. De vijanden rukten hem de vliesridderketen van de schouders en sleepten het lijk de straten rond. Hertog Filips zelf bracht er ternauwernood het leven af, doordat een smid voor hem een der stadspoorten opende. Brugge, door Filips van nu af van allen toevoer van levensmiddelen afgesneden, moest een jaar later, nadat vier en twintig duizend inwoners aan de pest bezweken waren, wel vrede sluiten. Onder de voorwaarden werd toen ook opgenomen, dat aan l'Isle-Adam, die eerst met de andere gesneuvelden begraven was in een put op het kerkhof van 't St.-Janshuis, een eervolle begrafenis in de St.-Donatiaanskerk zou ten deel vallen, waar jaarlijks den 22sten Mei een plechtige dienst zou gehouden worden, waaraan alle magistraatsleden moesten deelnemen. Zoo bleef de herinnering aan den ongelukkig gesneuvelden edelman bij het volk voortleven, en het behoeft ons niet te verwonderen, dat wij zijn tragischen dood ook bezongen vinden in een lied. Vergelijken wij dit bij de geschiedkundige berichten, dan zien

[p. 80]

wij, hoe de dichter blijkbaar zijn onderwerp met voorliefde behandeld, er kleine trekjes aan toegevoegd heeft, die wij elders missen. Het lied is gedicht tot verheerlijking van l'Isle-Adam, - hier door het volk, dat vreemde woorden tot een meer begrijpelijken vorm pleegt te wijzigen, verbasterd tot Lelidam, - die tot tweemalen toe, doch vergeefs, zijn heer de roekelooze onderneming tracht af te raden, en er nu zelf het slachtoffer van wordt. Bij de geschiedschrijvers vinden we echter van dit optreden van l'Isle-Adam geen gewag gemaakt.1 Spottend vraagt Filips hierop, hoe het komt, dat hij, die Parijs driemaal2 gewonnen heeft, nu zoo bloode is, waarop l'Isle-Adam antwoordt, dat hij Parijs in edelen strijd gewonnen heeft, maar dat Filips Brugge wil nemen door verraad. Verder voorspelt hij zijn eigen dood en verzoekt om brood en wijn voor het houden van zijn laatsten maaltijd. Op 't oogenblik, dat hij den dood voor oogen ziet, tracht hij zich nog los te koopen, maar onverbiddelijk klinkt het antwoord:

 
‘Dijn silver noch dijn roode gout
 
En mach u al hier niet baten:
 
Lelidam, al waert ghi noch so stout,
 
Ghi sulter hier u leven laten!’

Voorts geeft het lied eene bijzonderheid, die wij overal missen, en die toch zeer goed historisch kan zijn: als de Mechelaars vernemen, dat de aanslag op Brugge gemunt is, weigeren zij hun verdere medewerking en trekken weg.3

[p. 81]

Eene andere bijzonderheid van het lied, dat de geestelijkheid den vorst, na zijn binnendringen in de stad, in processie tegemoet treedt, vinden wij in ééne kroniek terug1; het lied vermeldt hier nog bij, dat het kruis voor Filips' voeten in vier stukken springt.

Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 97, no. LXV).

 

Bronnen: Brabandsche Kronijk, Chron. v. Nederlant, Le Livre des Trahisons de France envers la Maison de Bourg., Chronica Petri Monachi Bethl., Chronique d'Adrien de But, Vlaamsche Kronijk, alle uitgeg. in de Collection de doc. inéd., I; Barante, Hist. des ducs de Bourgogne; Monstrelet; Chastellain; Jan van Dixmude bij De Smet, Recueil III; Pontus Heuterus, Op. hist. 1643, Lib. IV; Kervijn de Lettenhove, Hist. de Fl.

Van mijn here van Lelidam.
1
Het was op eenen Dijsendach,1
 
Al inde Sinxendaghen,2
 
Dat grave Philips van Vlaenderlant
 
Op Hollant wilde varen.4
 
 
2
Hollant dat en meende hi niet;1
 
Het was Brugghe, die edel stede reyne:2
 
‘Mijn heeren, blijft mi alle gader bi,
 
Ende ghi ruyters groot ende cleyne.’
 
 
3
Doen si bi der stede quamen,
 
Een mijle buyten der vesten,
 
Die Mechelaers trocken besiden af:
 
Si en wilden op Brugghe niet vechten.4
 
 
4
Mer doen si quamen by sinte Andries,1
 
Al in die velden groene:
[p. 82]
 
‘Mijnheeren, blijft mi alle gader bi,
 
Ghi ruyters stout ende coene.’
 
 
5
Si ontwonden banieren ende standaert
 
Al voor sinte Magdaleene:2
 
‘Elck man si vier mannen waert,
 
Dit is Hollant dat ick meene.4
 
 
6
Doen sprac mijn heere van Lelidam:
 
‘Heere, wat wilt ghi maken?2
 
Daer gaet so menich frisch edelman
 
Te Brugghe al op die straten!’
 
 
7
‘Och edel heere van Lelidam,
 
Hoe coemt ghi nu dus bloode?
 
Doen ghi Parijs driewerven wont,
 
Ghi en dedes niet so noode.’
 
 
8
‘Doen ick Parijs driewerven wan,
 
Dat dede ick in vroomen strije;2
 
Mer ghi wilt die edel stadt van Brugghe
 
Winnen met verraderije.
 
 
9
Doen si binnen die poorte quamen,
 
Processie quam hem te ghemoete;
 
Dat cruyce spranc in vier quartieren3
 
Al voor des princen voeten.
 
 
10
‘Och edel heere van Vlaenderlant,
 
Hebt dock Gode voor ooghen,
 
Dat ghi Brugghe wilt paelgieren1,3
 
God en salts niet ghedooghen.’
 
 
11
‘Och edel heere van Lelidam,
 
Hoe coemt ghi nu dus bloode?
[p. 83]
 
Doen ghi Parijs drie werven wont,
 
Ghi en dedes niet so noode.’
 
 
12
‘Doen ic Parijs drie werven wan,
 
En was ic in gheenen noode,
 
Mer voorwaer so ben ick nu:
 
Die Brugghelingen sullen mi dooden.
 
 
13
Men hale mi broot ende wijn
 
Ende wilt mi drincken gheven,
 
Het sal mijn laetste maeltijt zijn:
 
Te Brugghe worde ick versleghen.’
 
 
14
Doen dranck mijn heere van Lelidam,
 
Hi beval hem selven te Gode,
 
Mer eer de dach ten avont quam,
 
Was hi in grooten noode.
 
 
15
Doen si bi die Vrydaechsmerct quamen,
 
Si moesten hem doen ghenieten;2
 
Die Pijckaerts spanden haer boghe snel3
 
Ende ghinghen so seer schieten.
 
 
16
Die Brugghelingen brochten haer bussen voort1
 
Ende ghinghen doe seer schieten,
 
Die Pijckaerts spanden haer boghen snel,
 
Dat hem wel mochte verdrieten.
 
 
17
Men ghinck daer houwen ende slaen,
 
So seer boven maten,
 
Si en constens ontrijden noch ontgaen;3
 
Si moesten daer haer leven laten.
 
 
18
Lelidam riep: ‘Ransoen, ransoen,
 
Laet mi mijn lijf behouden,
 
Ick sal mi in een schale weghen doen
 
Ende al van fijnen goude.’
[p. 84]
19
Dijn silver noch dijn roode gout
 
En mach u al hier niet baten:
 
Lelidam, al waert ghi noch so stout,
 
Ghi sulter hier u leven laten!’
 
 
20
Daer bleef die edel heere doot,
 
Verslegen al op die strate,
 
Noyt en quam hi in meerder noot;3
 
God gheve zijn arme siele bate.4
21
Sinte Donaes in die kercke,1
 
Daer leyt hi begraven,
 
Die edel heere van Lelidam.
 
God wil zijn siele laven!4

1Jan van Dixmude, Recueil III, blz. 76.
1Behalve bij Pontus Heuterus, lib. IV, blz. 94: Desideravit plusquam centum milites et inter hos magno cum dolore Lilidami Regulum, nobilem Praefectum, qui solus auctor semper fuerat, ne cum quatuor militum millibus amplissimae urbi in seditionem versae, se committeret. Daar we echter meermalen bij P.H. bijzonderheden van volksliederen terugvinden, die wij bij geen andere schrijvers aantreffen, is 't niet onwaarschijnlijk, dat hij ze aan de liederen ontleende.
2Misschien hier driemaal door de voorliefde voor dit heilig getal: ik heb slechts twee innemingen kunnen opsporen: in 1418, toen l'Isle-Adam onder Jan zonder Vrees streed, en in 1430, toen hij Parijs nam voor Karel VII. Jan van Dixmude spreekt ook van II warften; daarentegen het Memorieboek der Stad Ghent I, blz. 207: Hij hadde drijewaerf Parijs gewonnen.
3Wel meegedeeld door Kervijn de Lettenhove, Hist. de Fl. ed. 1849, IV, blz. 308, maar volgens zijn eigen aanwijzing ontleend aan het liedje.
1Chronique d'Adrien de But: Dux ordinato cuneo processit, et clerum sibi obviam reperiens, processionaliter, quem declinavit.
1Dijsendach, Dinsdag.
2Sinxendaghen, Pinksterdagen.
4op, tegen.
1op Holland had hij het niet gemunt.
2reyne, schoon.
4op, tegen.
1sinte Andries, gehucht, anderhalf uur ten Z.O. van Axel.
2sinte Magdaleene, gehucht, een klein uur ten Zuiden van Biervliet.
4meene, zie 2, 1.
2maken, doen.
2vroomen, edelen, dapperen.
3quartieren, stukken.
1l.: pilgieren.
3pilgieren, plunderen.
2moesten zij ervan lusten.
3Pijckaerts, Picardiërs.
1bussen, haakbussen, donderbussen.
3ontrijden, door rijden ontkomen; ontgaen, door loopen ontkomen.
3meerder, grooter.
4God zij zijn arme ziel genadig.
1de St.-Donatiaanskerk te Brugge werd in 1799 door de Franschen verwoest.
4laven, troosten.
prepostterug  begin  verder