Brugge was in 1436 smadelijk behandeld door Sluis, hetgeen des te moeilijker te verdragen viel, daar de Bruggelingen een privilege bezaten, waarbij Sluis onder hun gezag werd gesteld. Een hevig volksoproer ontstond in Brugge en vele inwoners gingen zelfs Sluis belegeren.
De Hertogin van Bourgondië, die zich met haar driejarig zoontje juist te Brugge bevond, werd op het dreigen van haar gemaal Filips losgelaten, doch oneerbiedig behandeld. Filips was zeer verbolgen over deze houding van Brugge en wees de door Gent aangeboden bemiddeling van de hand. Nu zonden de gematigdsten uit Brugge afgevaardigden, die zeer uit de hoogte door den Hertog ontvangen werden. Toch beloofde hij hun privilegiën te zullen bekrachtigen, mits zij de wapenen neerlegden en verontschuldigingen aanboden. Algemeen werd nu het verlangen, dat de Hertog in de stad zou komen, doch deze beweerde, dat zijn tegenwoordigheid in Holland, waar Jacoba juist gestorven was, vereischt werd. Wel wilde hij op weg daarheen met een klein gedeelte van zijn troepen door Brugge trekken, en beloofde daarbij geen enkel van de zoo gehate Picardische boogschutters mee te brengen.
Woensdag 22 Mei, ‘de vreezelike woensdagh in de Synxchenweke’1 trekt de Hertog in de richting van Brugge
op. De overheid gaat hem tegemoet en herinnert hem aan zijne belofte. Twee uur lang houdt Filips haar aan den praat, tot hij het bericht ontvangt, dat twee van zijn edelen zich van den toegang tot de stad hebben meester gemaakt. Dan geeft hij het sein tot vertrek en dringt met zijn edelen en Picardiërs de stad binnen, maar slechts met een klein gedeelte, want drieduizend van de zijnen worden buitengesloten. Terstond beginnen de boogschutters te schieten op de toeschouwers in de vensters en het weerlooze volk op straat: des morgens was in elk gilde bevolen, dat men ongewapend den vorst zou tegemoet gaan. In den algemeenen strijd, die zich nu ontwikkelt, wordt de geringe macht der Franschen verslagen door de Bruggelingen, die zich ijlings gewapend hebben. Meer dan honderd Franschen sneuvelen, waaronder de edele Jean de Villiers, Heer van l'Isle-Adam, die, nadat hij van de Fransche tot de Bourgondische partij was overgegaan, zoowel Filips als diens vader Jan zonder Vrees, in al hun ondernemingen trouw had bijgestaan. Toen hij de boogschutters zag weifelen, was hij te voet gaan strijden, en, in de meening van gevolgd te worden, ver naar voren gedrongen, doch werd terstond doodelijk getroffen. De vijanden rukten hem de vliesridderketen van de schouders en sleepten het lijk de straten rond. Hertog Filips zelf bracht er ternauwernood het leven af, doordat een smid voor hem een der stadspoorten opende. Brugge, door Filips van nu af van allen toevoer van levensmiddelen afgesneden, moest een jaar later, nadat vier en twintig duizend inwoners aan de pest bezweken waren, wel vrede sluiten. Onder de voorwaarden werd toen ook opgenomen, dat aan l'Isle-Adam, die eerst met de andere gesneuvelden begraven was in een put op het kerkhof van 't St.-Janshuis, een eervolle begrafenis in de St.-Donatiaanskerk zou ten deel vallen, waar jaarlijks den 22sten Mei een plechtige dienst zou gehouden worden, waaraan alle magistraatsleden moesten deelnemen. Zoo bleef de herinnering aan den ongelukkig gesneuvelden edelman bij het volk voortleven, en het behoeft ons niet te verwonderen, dat wij zijn tragischen dood ook bezongen vinden in een lied. Vergelijken wij dit bij de geschiedkundige berichten, dan zien
wij, hoe de dichter blijkbaar zijn onderwerp met voorliefde behandeld, er kleine trekjes aan toegevoegd heeft, die wij elders missen. Het lied is gedicht tot verheerlijking van l'Isle-Adam, - hier door het volk, dat vreemde woorden tot een meer begrijpelijken vorm pleegt te wijzigen, verbasterd tot Lelidam, - die tot tweemalen toe, doch vergeefs, zijn heer de roekelooze onderneming tracht af te raden, en er nu zelf het slachtoffer van wordt. Bij de geschiedschrijvers vinden we echter van dit optreden van l'Isle-Adam geen gewag gemaakt.1 Spottend vraagt Filips hierop, hoe het komt, dat hij, die Parijs driemaal2 gewonnen heeft, nu zoo bloode is, waarop l'Isle-Adam antwoordt, dat hij Parijs in edelen strijd gewonnen heeft, maar dat Filips Brugge wil nemen door verraad. Verder voorspelt hij zijn eigen dood en verzoekt om brood en wijn voor het houden van zijn laatsten maaltijd. Op 't oogenblik, dat hij den dood voor oogen ziet, tracht hij zich nog los te koopen, maar onverbiddelijk klinkt het antwoord:
Voorts geeft het lied eene bijzonderheid, die wij overal missen, en die toch zeer goed historisch kan zijn: als de Mechelaars vernemen, dat de aanslag op Brugge gemunt is, weigeren zij hun verdere medewerking en trekken weg.3
Eene andere bijzonderheid van het lied, dat de geestelijkheid den vorst, na zijn binnendringen in de stad, in processie tegemoet treedt, vinden wij in ééne kroniek terug1; het lied vermeldt hier nog bij, dat het kruis voor Filips' voeten in vier stukken springt.
Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 97, no. LXV).
Bronnen: Brabandsche Kronijk, Chron. v. Nederlant, Le Livre des Trahisons de France envers la Maison de Bourg., Chronica Petri Monachi Bethl., Chronique d'Adrien de But, Vlaamsche Kronijk, alle uitgeg. in de Collection de doc. inéd., I; Barante, Hist. des ducs de Bourgogne; Monstrelet; Chastellain; Jan van Dixmude bij De Smet, Recueil III; Pontus Heuterus, Op. hist. 1643, Lib. IV; Kervijn de Lettenhove, Hist. de Fl.