Na den val van Akko verbiedt de kerk, uit vrees voor de afpersingen der Turken, de pelgrimstochten naar het H. Land. Doch reeds tien jaar later worden zij hervat en nemen sedert geregeld toe1, tot zij hun hoogtepunt bereiken in het eerste kwart der zestiende eeuw, waarna zij door de Hervorming sterk verminderen. Maar het was niet uitsluitend godsvrucht, die deze bedevaarten in het leven riep; evenals bij de kruistochten troffen allerlei wereldsche beweegredenen samen: vorsten trachtten er soms binnenlandsche moeilijkheden door te ontwijken2, adellijken den titel van Ridder
van het H. Graf te verkrijgen, misdadigers aan een vonnis te ontkomen, kooplieden hun belangen te behartigen. Tot de laatsten behoorden veel Nederlanders, die trouwens altijd onder de bedevaartgangers sterk vertegenwoordigd zijn geweest.1
Voor de deelneming had men de toestemming van den Paus noodig; zonder deze werd men beschouwd als geëxcommuniceerd, maar de overste van het Franciscanerklooster op den Sionsberg kon in dit geval absolutie schenken. Het groote uitgangspunt was Venetië. Allen - ook de vorsten, die groote geldsommen meenamen om op de heen- en terugreis schitterend te kunnen optreden - trokken hier het haren pelgrimskleed aan en zetten zich den breedgeranden hoed op, beide van een rood kruis voorzien, namen pelgrimsstaf en reliquieënzak ter hand en lieten den baard groeien. In het Franciscanerklooster della Vigna kocht men pelgrimsboekjes met kaarten en reisplannen om op de zeereis te bestudeeren. De senaat van Venetië kwam den pelgrims in alles te gemoet en stelde zelfs, zoo zij dit verlangden, een schip te hunner beschikking. Men maakte een contract met den scheepsbevelhebber of patroon voor het vervoer heen en terug. Tegen het afvaren werden op het schip de pelgrimsvaan (wit met rood kruis), de vaan van San Marco, de pauselijke banier en de vlag van den scheepsbevelhebber geheschen. Vaak zong men bij de inscheping vrome liederen.2 Langs de kust van Istrië, Dalmatië, Turkije en Griekenland voer men over Rhodus en Cyprus naar Jaffa, waar men ongeveer een week voor anker lag, tot de Turksche overheid van Jeruzalem kwam om de opvarenden aan land te zetten. Hier werden zij eerst in een khan of herberg opgesloten, tot de patroon het met de Turken over de schatting was eens geworden. Dan moest ieder zijn naam en dien van zijn ouders opgeven en ontving een pas; vorsten zorgden er wel voor een streng incognito te bewaren uit vrees voor een hooge schatting, ja zelfs voor hun leven. Eerst nu konden zij, steeds aan alle kanten lastig gevallen door gepeupel, dat hun geld trachtte af te persen, op ezels
de reis voortzetten naar Jeruzalem. Hier vereenigde men zich, na een weinig rustens, op den Sionsberg om de heilige plaatsen1 in processie te bezoeken. De omgang eindigde bij de heiligste plek: de kerk van het H. Graf, welke tegen een hooge som gelds door de Turksche beambten voor de pelgrims werd ontsloten.
Een groote plechtigheid was het, als een edelman op het H. Graf tot ridder werd geslagen. Reeds tijdens de kruistochten kwam dit gebruik voor en ook daarna hebben velen, voornamelijk Nederlanders, uitsluitend voor dit doel de moeilijke reis ondernomen. Een van deze tochten is door onderstaand liedje in de herinnering blijven voortleven.
In het jubeljaar2 1450, toen Rome den grooten aflaat beschikbaar stelde, begaf Hertog Johan I van Kleef zich op ‘dinsdag in de paaschheilige dagen’ met gevolg op reis om op het H. Graf den ridderslag te verwerven. Te Brussel sloot Frederik van Palandt, heer van Wittem, zich bij hem aan, en gezamenlijk reisde men door Henegouwen, Champagne, Bourgondië en Savoye over de Alpen naar Venetië. Hier moest men nog acht dagen op het verlof van Paus Nicolaas IV wachten, ofschoon de Hertog reeds een geschikt persoon met de aanvraag had vooruitgezonden. Hij ontmoette er nog verscheidene Nederlandsche edelen o. a. den Graaf van Hoorn en Dirk van Bronkhorst, Heer van Batenburg, welke zich allen des Vrijdags na Pinksteren gezamenlijk inscheepten en binnen een maand de haven van Jaffe bereikten. Op ezels zetten zij de reis voort en bezochten twaalf dagen lang alle heilige plaatsen van Jeruzalem. Hier troffen zij den Heer van Créquy uit Picardië aan, die reeds ridder van het H. Graf was, en nu aan Hertog Johan den ridderslag gaf met diens eigen, uit Kleef meegebracht, zwaard. Terstond hierop gaf de nieuwe ridder eerst aan den Graaf van Hoorn en den Heer
van Batenburg en vervolgens aan al de edelen van zijn gezelschap den ridderslag.
Blijkens tal van bewaardgebleven beschrijvingen heeft deze bedevaart veel opzien gemaakt, en zoo kan het ons niet verwonderen haar ook bezongen te vinden. In 't lied worden alleen de drie voornaamste edelen genoemd: Kleef, Hoorn en Batenburg. Te Venetië verbinden zij zich onderling om gezamenlijk den ridderslag op het H. Graf te gaan halen. Hoe verleidelijk het hun ook schijnen moge, eerst in Rome den aflaat te gaan verwerven, zij willen de pauselijke stad niet betreden, voor zij hun hoofddoel, Jeruzalem, bereikt hebben. Voor de inscheping drukt een der heeren den stuurman op het hart, goed voor zijn schip te zorgen; en na zijn antwoord, dat alles in orde is, beveelt hij hem af te varen. Na een voorspoedige reis komen de pelgrims te Jeruzalem aan, zien er den tempel van Salomo en betreden het H. Graf. Zonder overgang wordt nu de Heer van Créquy sprekend ingevoerd met de woorden:
noemt hun daarop de verplichtingen, die de ridderstand oplegt, en geeft, blijkens den slotregel, den ridderslag.
Sommige minder gebruikelijke woorden in het lied en vreemde rijmen doen het vermoeden ontstaan, dat 't oorspronkelijk gedicht is in de taal van de streek van Kleef. In strofe 3 vinden wij den vorm witser, waarvoor het Duitsch een overeenkomstigen vorm kan gehad hebben, verder rijmt Suytwesten hier op gasten, dat dus zal staan voor gesten. Strofe 5 heeft waghe voor golf en onghewelt blijkbaar in de beteekenis van zonder golven. Ook de eerste strofe is verknoeid, en er misschien later geheel bijgedicht. Hiervoor zou kunnen pleiten de kleine wijziging, waarmee wij den aanvangsregel der tweede strofe als wijsaangifte gebruikt zien (dit laatste is natuurlijk op zichzelf geen bewijs, want vaak vinden wij een regel midden uit een lied als wijs aangegeven) b.v. in de Hor. Belg. X, no. 107:
en in het hs. II, 2631 op de Kon. Bibl. te Brussel, blz. 1b: Dyt lyedekijn heeft drie wijsen die eerste is drie heren sijn wt ghetoghen in dat gulde jaer.
Ook vinden wij de wijsaangifte ‘van Cleve, Hoorne ende Batenborch’ o. a. in: hs. 901I op de Univ.-Bibliotheek te Gent; Dit is een schoon suyverlijck Boecxken enz., t' Amstelredam, z. j., Approbatie van 15701; Dit is een suverlijc boecxken enz., Tantwerpen 15081; Het Hofken Der geestelycker Liedekens, tot Loven, 15771. Uit blz. 64 van het laatste liederboek en blz. 38 van het voorlaatste blijkt, dat dit lied op dezelfde wijs gezongen werd als het bekende geestelijke lied:
De wijsaangifte ‘Met luste (vreuchden) willen wi singhen’ kan ook ontleend zijn aan dat Van Keyser Maximiliaen2, doch is in dit geval gemakkelijk te herkennen aan den zevenregeligen strofenbouw van het lied.
Ons lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 165, no. CIX); de melodie in Een Devoot ende Profitelyck boecxken, Antw. 1539, blz. 124, no. CXVII (herdruk Scheurleer, blz. 17).
Bronnen: Röhricht, Deutsche Pilgerreisen nach dem heiligen Lande; A.C.J. van der Kemp, De Bedevaarten onzer Landgenooten; Clevische Chronik nach der Originalhandschrift des Gert van der Schuren von Dr. R. Scholten, Cleve, 1884, blz. 162; Eene Pelgrimsreis naar het Heilig Land in 1450 door Jos. Habets in de Publications de la Soc. hist. et arch. dans le duché de Limbourg IX, blz. 205; Röhricht, Bibl. geogr. pal. noemt op het jaar 1450 nog tal van andere bronnen, waarin deze reis vermeld wordt.