terug  begin  verderprepost
[p. 91]

1479 (7 Augustus).
XI. Een Liedeken vanden Slach van Blangijs.

In Juli 1478 was tusschen Maximiliaan van Oostenrijk en Lodewijk XI een wapenstilstand van een jaar gesloten. Tegen den afloop hiervan trok Maximiliaan, die zijn vijand voor wilde zijn, aan het hoofd van een leger van 22000 man naar Thérouanne, om door het beleg dezer stad een beslissenden slag uit te lokken. Weldra rukte dan ook een Fransch leger onder den Heer van Crèvecoeur (een vroegeven bevelhebber van Karel den Stouten, die na diens dood tot Lodewijk XI was overgeloopen) tot ontzet aan, minder talrijk dan het Vlaamsche, maar sterker door zijn ruiterij. Terstond hieven nu de Vlamingen het beleg op om een sterke stelling in te nemen en in den morgen van den 7den Augustus had de slag plaats, die zijn naam draagt naar het nabijgelegen plaatsje Blangij of ook wel naar den heuvel Enquingate de slag van Guinegate wordt genoemd. Het verloop was als volgt:

De Vlamingen waren met lange pieken gewapend en stonden dichtaaneengeschaard op ééne rij. Vóór hen hadden de Engelsche boogschutters post gevat, nog versterkt door Duitsche busschieters. De Fransche ruiterij wierp zich met zulk een onweerstaanbare kracht op het Vlaamsche leger, dat de gelederen verbroken werden en het grootste deel op de vlucht sloeg. Hierbij zette Crèvecoeur hen met zijn geheele ruiterij na. Tegelijkertijd trok de bevelhebber van Thérouanne uit de stad en vermeesterde het Vlaamsche kamp. Om de rijke tenten van Maximiliaan en zijn ridders ongehinderd te kunnen plunderen, liet hij grijsaards, vrouwen en kinderen verworgen. Het gejammer, dat hierbij ten hemel steeg, was zoo ontzettend, dat het den overgebleven, niet gevluchten Vlamingen de kracht schonk tot een laatste, heldhaftige krachtsinspanning. Zooals meermalen in hachelijke omstandigheden werd toegepast, steeg ook toen Maximiliaan met vele ridders af, om te voet aan de spits zijner troepen strijdende, den strijdlust te verhoogen. Het mocht hem gelukken de Franschen in hun kamp terug te dringen en het Vlaamsche geschut te heroveren. Toen Crèvecoeur van zijn vervolging

[p. 92]

terugkeerde, was dit alles reeds gebeurd en kon hij alleen de overblijfselen van zijn leger wegvoeren. Wel kwam de overwinning den Bourgondiërs duur te staan, doch duurder aan de Franschen, die tienduizend man, d. i. hun halve leger verloren hadden.

Deze vrij poovere overwinning is door den Vlaamschen volksdichter geïdealiseerd tot een schitterend heldenfeit. De aanvankelijke nederlaag wordt, gelijk te begrijpen is, geheel verzwegen en evenzoo de plundering van het kamp, want geen gelukkig toeval, maar persoonlijke dapperheid heeft bij hem de Vlamingen doen zegevieren. Hoe fier teekent hij de houding van den Vlaamschen leeuw:

 
‘Als die Lupaert sach zijn vianden,
 
Hi en sorchde voor gheen ghequel;
 
Hi thoonde zijn clauwen ende ooc zijn tanden,
 
Zijn briesschen, ende dat was fel.’

Toch moeten de Vlamingen, die plotseling het vijandelijke leger in volle slagorde op eene halve mijl afstands voor zich zagen, minstens zeer verrast zijn geweest.1 En ook al willen wij aannemen, dat allen met waren leeuwenmoed gestreden hebben, dan nog waren zij te weinig geoefend om een krachtigen aanval te kunnen weerstaan.2 't Feit, dat de hoogste officieren en Maximiliaan zelf te voet gingen strijden, teekent trouwens den kritieken toestand voldoende.

Eene bijzonderheid van het lied, die wij bij geen kroniekschrijver aantreffen,3 Maximiliaans gebed vóór den slag, kan veilig op rekening van de fantazie des dichters gesteld worden, ofschoon een dergelijk gebed niets zeldzaams was. Doch Molinet moest het dan geweten hebben en had een zoo schitterend bewijs van de godsvrucht van zijn gevierden vorst niet kunnen verzwijgen, te meer, daar hij wel meedeelt, dat de Engelschen zich volgens nationaal gebruik op de aarde wierpen en haar onder het teeken des kruises kusten.4 Opmerkelijk is nog, dat het in 't lied genoemde aantal van

[p. 93]

tienduizend gesneuvelde Franschen, een zeer juiste opgaaf moet zijn.1

Hier en daar is de tekst blijkbaar bedorven, in strofe 4 is zelfs een geheele versregel later bijgevoegd. Vers 7 moet hier verworpen worden, en de volgorde na het vierde vers is waarschijnlijk op deze wijze geweest:

 
Ghi heeren van hooger weerde,
 
Kinderen, dus wil ick, dat ghi allen doet;
 
Hi custe die aerde,
 
Die tranen hem ontspronghen, enz.

Het lied is te vinden in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 9, no. VI).

 

Bronnen: Histoire des Pais-Bas, depuis 1477-1492, écrite en forme de journal par un auteur contemporain, bij J.J. de Smet, Recueil; Molinet; Pontus Heuterus; Kervijn de Lettenhove, Hist. de Fl. 1850, V, blz. 305 vlgg.; Dr. Hermann Klaje, Die Schlacht bei Guinegate vom 7. August 1479, Greifswald, 1890; Fragmenten eener Latijnsche autobiographie van Maximiliaan I, in Jahrb. der Kunsthist. Samml. des Kaiserhauses VI, Weenen, 1888, blz. 434.

Een Liedeken vanden Slach van Blangijs.
1
Alsmen duysent vierhondert schreef
 
Ende neghen en tseventich jaer,
 
Wat schoonder victorie doen becleef3 en 4
 
Den Vlaminghen, dat was waer!
 
Te Blangijs al op dat velt,
 
Daer heeft den Leeu zijn clauwen ontdaen6
 
Met machte ende met ghewelt;7
 
Met foortsen door dronghen28,
 
Si riepen alle: ‘Flander de leeu!’
 
Met Vlaemschen tonghen.
[p. 94]
2
Als die Lupaert sach zijn vianden,1
 
Hi en sorchde voor gheen ghequel;2
 
Hi thoonde zijn clauwen en ooc zijn tanden,
 
Zijn briesschen, ende dat was fel.
 
Sijn ooghen blaecten al waert een vier;
 
Doen riepen alle die capiteynen:
 
‘God hoede ons in dit bestier!’7
 
Beyde ouden metten jonghen,
 
Si riepen alle: ‘Flander de leeu!’
 
Met Vlaemschen tonghen.
 
 
3
Die Franchoysen quamen an,
 
Seer cloeck ende onversaecht.
 
Ons Prince sprak: ‘Elck si een man,
 
Het moet hier vromelijck zijn gewa[e]cht;4
 
Elck si gemoet ghelijck een Lupaert!’5
 
Doen sprack die grave van Romont:6
 
‘Edel Vlamingen, thoont uwen aert!’
 
Die pijckeniers doordronghen,8
 
Si riepen alle: ‘Flander de leeu!’
 
Met Vlaemschen tonghen.
4
Ons edel prynce Maximiliaen,
 
Hy beete hem neder te voet,2
 
Ende hi viel over zijn knien,3
 
Biddende Gode met ootmoet:
 
‘Kinderen, dus wil ick, dat ghi allen doet
 
Ende ghi heeren van hooger weerde’;
 
Met dien maecte hi een cruyce voor hem,
 
Hi custe die aerde.
 
Die tranen hem ontspronghen.
 
Si riepen alle: ‘Flander de leeu!’
 
Met Vlaemschen tonghen.
[p. 95]
5
Myn here van Bever ende menich lantshere.1
 
Baenrootsen van machte groot,2
 
Behaelden daer prijs ende eere;3
 
This recht, want het was wel noodt,4
 
Midts hulpe vanden pijckeniers.5
 
Daer blevender wel thien duysent doot
 
Van tsconincx van Vranckerijc hersiers.7
 
Hoe vrolijck dat si songen!
 
Si riepen alle: ‘Flander de leeu!’
 
Met Vlaemschen tonghen.
 
 
6
In Oestmaent den sevensten dach,
 
So is den slach geschiet.
 
Ick bidde Maria, daer God in lach,3
 
Ende hem, die alle dinck versiet,4
 
Bi zijnder godlijcker cracht;
 
Wi willen hem om victorie bidden,
 
Hi heves also wel die macht,
 
Met handen ghedronghen.8
 
Si riepen alle: ‘Flander de leeu!’
 
Met Vlaemschen tonghen.
1Dr. H. Klaje, Die Schlacht bei Guinegate, blz. 52.
2Aldaar, blz. 64.
3Behalve bij Pontus Heuterus, doch zie over hem blz. 80, aanm. 1.
4Klaje, blz. 36.
1Klaje, blz. 36.
3 en 4welk eene schoone, beslissende overwinning werd toen door de Vlamingen behaald.
6ontdaen, geopend.
7ghewelt, kracht.
2l.: Met foortsen si doordronghen; vgl. ook 3, 8.
8met kracht drongen zij door.
1lupaert, leeuw.
2sorchde, vreesde; ghequel, kwelling.
7bestier, onderneming.
4vromelijck, dapper.
5gemoet, moedig.
6tot de Bourgondische edelen, die na den dood van Karel den Stouten zich bij Maximiliaan gevoegd hadden, behoorde in de eerste plaats Jacob van Savoye, Graaf van Romont.
8doordronghen, drongen door (de gelederen?).
2beten (hier reflexief gebruikt), van het paard stijgen.
3over zijn knien, op zijn knieën.
Lezing van den tekst. 6, 4.: Ende hem, die alle dinck versoet.
1Anton van Bourgondië, Heer van Beveren, bijgenaamd ‘de groote bastaard’, een onechte zoon van Filips den Goeden.
2baenroots, van 't Fra. banneret, de in Brab. en Vl. voorkomende benaming der edelen, die het recht hadden onder hun eigen banier hun welgeboren mannen ten strijde te voeren; overal elders baanderheeren genoemd.
3prijs, roem.
4noodt, noodig.
5midts, door.
7hersier (archier), boogschutter.
3God, Jezus.
4versiet, zorgt voor.
8met saamgevouwen handen (dit slaat op het voorgaande bidden).
prepostterug  begin  verder