In Juli 1478 was tusschen Maximiliaan van Oostenrijk en Lodewijk XI een wapenstilstand van een jaar gesloten. Tegen den afloop hiervan trok Maximiliaan, die zijn vijand voor wilde zijn, aan het hoofd van een leger van 22000 man naar Thérouanne, om door het beleg dezer stad een beslissenden slag uit te lokken. Weldra rukte dan ook een Fransch leger onder den Heer van Crèvecoeur (een vroegeven bevelhebber van Karel den Stouten, die na diens dood tot Lodewijk XI was overgeloopen) tot ontzet aan, minder talrijk dan het Vlaamsche, maar sterker door zijn ruiterij. Terstond hieven nu de Vlamingen het beleg op om een sterke stelling in te nemen en in den morgen van den 7den Augustus had de slag plaats, die zijn naam draagt naar het nabijgelegen plaatsje Blangij of ook wel naar den heuvel Enquingate de slag van Guinegate wordt genoemd. Het verloop was als volgt:
De Vlamingen waren met lange pieken gewapend en stonden dichtaaneengeschaard op ééne rij. Vóór hen hadden de Engelsche boogschutters post gevat, nog versterkt door Duitsche busschieters. De Fransche ruiterij wierp zich met zulk een onweerstaanbare kracht op het Vlaamsche leger, dat de gelederen verbroken werden en het grootste deel op de vlucht sloeg. Hierbij zette Crèvecoeur hen met zijn geheele ruiterij na. Tegelijkertijd trok de bevelhebber van Thérouanne uit de stad en vermeesterde het Vlaamsche kamp. Om de rijke tenten van Maximiliaan en zijn ridders ongehinderd te kunnen plunderen, liet hij grijsaards, vrouwen en kinderen verworgen. Het gejammer, dat hierbij ten hemel steeg, was zoo ontzettend, dat het den overgebleven, niet gevluchten Vlamingen de kracht schonk tot een laatste, heldhaftige krachtsinspanning. Zooals meermalen in hachelijke omstandigheden werd toegepast, steeg ook toen Maximiliaan met vele ridders af, om te voet aan de spits zijner troepen strijdende, den strijdlust te verhoogen. Het mocht hem gelukken de Franschen in hun kamp terug te dringen en het Vlaamsche geschut te heroveren. Toen Crèvecoeur van zijn vervolging
terugkeerde, was dit alles reeds gebeurd en kon hij alleen de overblijfselen van zijn leger wegvoeren. Wel kwam de overwinning den Bourgondiërs duur te staan, doch duurder aan de Franschen, die tienduizend man, d. i. hun halve leger verloren hadden.
Deze vrij poovere overwinning is door den Vlaamschen volksdichter geïdealiseerd tot een schitterend heldenfeit. De aanvankelijke nederlaag wordt, gelijk te begrijpen is, geheel verzwegen en evenzoo de plundering van het kamp, want geen gelukkig toeval, maar persoonlijke dapperheid heeft bij hem de Vlamingen doen zegevieren. Hoe fier teekent hij de houding van den Vlaamschen leeuw:
Toch moeten de Vlamingen, die plotseling het vijandelijke leger in volle slagorde op eene halve mijl afstands voor zich zagen, minstens zeer verrast zijn geweest.1 En ook al willen wij aannemen, dat allen met waren leeuwenmoed gestreden hebben, dan nog waren zij te weinig geoefend om een krachtigen aanval te kunnen weerstaan.2 't Feit, dat de hoogste officieren en Maximiliaan zelf te voet gingen strijden, teekent trouwens den kritieken toestand voldoende.
Eene bijzonderheid van het lied, die wij bij geen kroniekschrijver aantreffen,3 Maximiliaans gebed vóór den slag, kan veilig op rekening van de fantazie des dichters gesteld worden, ofschoon een dergelijk gebed niets zeldzaams was. Doch Molinet moest het dan geweten hebben en had een zoo schitterend bewijs van de godsvrucht van zijn gevierden vorst niet kunnen verzwijgen, te meer, daar hij wel meedeelt, dat de Engelschen zich volgens nationaal gebruik op de aarde wierpen en haar onder het teeken des kruises kusten.4 Opmerkelijk is nog, dat het in 't lied genoemde aantal van
tienduizend gesneuvelde Franschen, een zeer juiste opgaaf moet zijn.1
Hier en daar is de tekst blijkbaar bedorven, in strofe 4 is zelfs een geheele versregel later bijgevoegd. Vers 7 moet hier verworpen worden, en de volgorde na het vierde vers is waarschijnlijk op deze wijze geweest:
Het lied is te vinden in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 9, no. VI).
Bronnen: Histoire des Pais-Bas, depuis 1477-1492, écrite en forme de journal par un auteur contemporain, bij J.J. de Smet, Recueil; Molinet; Pontus Heuterus; Kervijn de Lettenhove, Hist. de Fl. 1850, V, blz. 305 vlgg.; Dr. Hermann Klaje, Die Schlacht bei Guinegate vom 7. August 1479, Greifswald, 1890; Fragmenten eener Latijnsche autobiographie van Maximiliaan I, in Jahrb. der Kunsthist. Samml. des Kaiserhauses VI, Weenen, 1888, blz. 434.