Maria van Bourgondië stierf onverwachts op vijfentwintigjarigen leeftijd. Geen wonder, dat het lot der algemeen beminde vorstin deernis wekte, en in liederen werd bezongen, waarvan er twee tot ons gekomen zijn. Beide stemmen, wat de eerste
vier versregels betreft, bijna woordelijk overeen; alleen noemt het eene, in overeenstemming met de geschiedenis, Brugge als plaats van overlijden (a), het andere Antwerpen (b). Misschien is b door een Antwerpschen zanger in aansluiting bij a gedicht, de liederen wijken te veel van elkander af om b voor een jongeren, zeer gewijzigden vorm van a te houden. Dat b van jongeren datum dan a moet zijn, hiervoor pleit de onhistorische voorstelling: haar gemaal Maximiliaan is niet bij het sterfbed tegenwoordig, maar strijdt in Frankrijk; daarentegen wordt wel gewag gemaakt van Maria's vader en moeder - die beide reeds gestorven waren - en van een zuster en een broeder, welke zij nooit bezeten heeft.
Behalve de eerste strofe, die tot inleiding dient, geeft lied a (evenals b) uitsluitend de schildering, hoe Maria van hare omgeving afscheid neemt. Het is het oudste adieu-lied, dat wij kennen en dat misschien als voorbeeld voor de andere zal gediend hebben,1 Men behoeft echter niet aan te nemen, dat alle toegesproken personen werkelijk bij het sterfbed aanwezig gedacht werden; veeleer noemt de dichter in dergelijke liederen allen op, met wie de stervenden verwant of bevriend waren, en zij zich dus in hun laatste oogenblikken kunnen bezig gehouden hebben. Opmerkelijk is in dit verband ook de bijzonderheid, dat Maria stervend haar vrienden - hiermee moeten de edelen bedoeld zijn, die in 't begin van 't lied met name genoemd zijn - smeekt haar kinderen genegen te zijn en haar man bij te staan. Geen der geschiedschrijvers rept hiervan, noch Molinet noch Philippes de Commines, die dit toch niet zouden verzwegen hebben.2 Daar Maximiliaan, die ons volk en onze toestanden zoo slecht begrepen heeft, na Maria's dood weldra in allerlei moeilijkheden kwam, is deze
voorstelling van den dichter, die misschien zijn lied dichtte in den tijd, toen Maximiliaan reeds aan dien steun behoefte had, stellig zeer karakteristiek.
Lied a komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544, (Hor. Belg. XI, blz. 191, no. CXXVI); lied b als no. 28 van hs. II 2631 op de Kon. Bibliotheek te Brussel1. Voor de uitgave van b maakte ik gebruik van het afschrift van Prof. De Vreese; ook is dit lied uitgegeven door Priebsch, Deutsche Handschriften in England I, blz. 231.
Bronnen: Molinet; Phil. de Commines; Chron. Petri monachi Bethl., cap. CXXXVI; Annales Flandria post Jacobum Meyerum op het jaar 1482.