terug  begin  verderprepost

1482 (27 Maart).
XII (a en b). Van Vrou Marie van Bourgoengien.

Maria van Bourgondië stierf onverwachts op vijfentwintigjarigen leeftijd. Geen wonder, dat het lot der algemeen beminde vorstin deernis wekte, en in liederen werd bezongen, waarvan er twee tot ons gekomen zijn. Beide stemmen, wat de eerste

[p. 96]

vier versregels betreft, bijna woordelijk overeen; alleen noemt het eene, in overeenstemming met de geschiedenis, Brugge als plaats van overlijden (a), het andere Antwerpen (b). Misschien is b door een Antwerpschen zanger in aansluiting bij a gedicht, de liederen wijken te veel van elkander af om b voor een jongeren, zeer gewijzigden vorm van a te houden. Dat b van jongeren datum dan a moet zijn, hiervoor pleit de onhistorische voorstelling: haar gemaal Maximiliaan is niet bij het sterfbed tegenwoordig, maar strijdt in Frankrijk; daarentegen wordt wel gewag gemaakt van Maria's vader en moeder - die beide reeds gestorven waren - en van een zuster en een broeder, welke zij nooit bezeten heeft.

Behalve de eerste strofe, die tot inleiding dient, geeft lied a (evenals b) uitsluitend de schildering, hoe Maria van hare omgeving afscheid neemt. Het is het oudste adieu-lied, dat wij kennen en dat misschien als voorbeeld voor de andere zal gediend hebben,1 Men behoeft echter niet aan te nemen, dat alle toegesproken personen werkelijk bij het sterfbed aanwezig gedacht werden; veeleer noemt de dichter in dergelijke liederen allen op, met wie de stervenden verwant of bevriend waren, en zij zich dus in hun laatste oogenblikken kunnen bezig gehouden hebben. Opmerkelijk is in dit verband ook de bijzonderheid, dat Maria stervend haar vrienden - hiermee moeten de edelen bedoeld zijn, die in 't begin van 't lied met name genoemd zijn - smeekt haar kinderen genegen te zijn en haar man bij te staan. Geen der geschiedschrijvers rept hiervan, noch Molinet noch Philippes de Commines, die dit toch niet zouden verzwegen hebben.2 Daar Maximiliaan, die ons volk en onze toestanden zoo slecht begrepen heeft, na Maria's dood weldra in allerlei moeilijkheden kwam, is deze

[p. 97]

voorstelling van den dichter, die misschien zijn lied dichtte in den tijd, toen Maximiliaan reeds aan dien steun behoefte had, stellig zeer karakteristiek.

Lied a komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544, (Hor. Belg. XI, blz. 191, no. CXXVI); lied b als no. 28 van hs. II 2631 op de Kon. Bibliotheek te Brussel1. Voor de uitgave van b maakte ik gebruik van het afschrift van Prof. De Vreese; ook is dit lied uitgegeven door Priebsch, Deutsche Handschriften in England I, blz. 231.

 

Bronnen: Molinet; Phil. de Commines; Chron. Petri monachi Bethl., cap. CXXXVI; Annales Flandria post Jacobum Meyerum op het jaar 1482.

Tekst uit het Antwerpsche Liederboek.

Van Vrou Marie van Bourgoengien.
1
O felle fortuyne, wat hebdy gewracht,1
 
Wat hebt ghi nu bedreven
 
Aen een lansvrou van grooter macht,
 
Te Brugghe liet si haer leven!
 
Cranck avontuur schent menighen man,5
 
Goods gracie wil haer bistaen nochtan,
 
God wil haer zijn rijcke gheven.
 
 
2
‘Och edel prince Maximiliaen,
 
Mijn man, mijn edel heere,
 
Hier moet een scheyden zijn ghedaen:3
 
Mijn herte doet mi seere
 
Ende mijnen natuere wort mi so cranck.5
 
O God almachtich, lof ende danck,
 
Van deser werelt ick mi nu keere.
 
 
3
Oorlof, van Ghelre neve reyn,1
 
Oorlof, mijn heeren alte samen,
 
Eylaces, het moet gescheyden zijn,
[p. 98]
 
God behoede u allen van blamen!
 
Adieu, Philips van Ravensteyn,5
 
Adieu, van Beveren, neve reyn,6
 
Ende Simpol, hooch van namen.7
 
 
4
Oorlof, mijn lieve nichte soet,1
 
Van Ghelre hertoginne,
 
Oorlof, mijn reyn Keyserlijck bloet,3
 
Dien ic so seer beminne.
 
Tscheyden van u doet mi so wee;
 
Ghi en siet mi levende nemmermeer,
 
Oorlof, alle mijn ghesinne.7
 
 
5
Adieu, Margrite, edel bloeme reyn,1
 
Mijn liefste dochter, bidt voor mi;
 
Mijn herte is in grooten weyn,3
 
Eylaes, die doot is mi so bi;
 
Het moet doch eens ghestorven zijn.
 
Adieu Philips, lieve sone mijn,6
 
Ick scheyde noch veel te vroech van dijn.
 
 
6
Adieu, mijn vrienden altemale,
 
Ghi hebt mi redelijc wel ghedient,2
 
Nu bidde ick u met corter tale:
 
Weest doch mijn kinderkens vrient,4
 
Ende mijnen man wilt doen bistant,
 
Ende zijt eendrachtich in u lant,
 
Ick hope het wert u noch wel versien.7
[p. 99]
7
Oorlof, lieve man, mijn heere,
 
God verleene u paeys ende vrede.
 
Ick ben so moede, ick en mach niet meere,3
 
Die doot beroert mi alle mijn lede.
 
Adieu Brugghe, schoon stede soet,
 
God wil u nemen in zijn behoet,
 
Daer toe elck lant ende stede!’

Tekst van het handschrift.

Dit Lyedeken is van Vrou Mari die Keyser Maxsimyanus Wijf die daer sterf thanwerpen.1
1
Och doot doot doot die niement en spaert
 
Wat hebdij nu bedreven.
 
Aen een lantsvrou van also groter macht
 
Die thanwerpen liet haer leven
 
Ou wy ou wy soelaes.5
 
Ende sij had also grote begheren.
 
Al om te spreken al hoeren solaes.
 
Haer prins haer man haren edel lants heeren
 
Ou wy etc.
 
 
2
Des sander dach vrij edel bloet.
 
Nu leyt hij in Franssoeusse lande.
 
Nu bid ic Maria die waerde moeder Gods
 
Dat sy hem bescermt voer viants handen.
 
Ou wy etc.
 
 
3
..................
 
..................
 
..................
 
Die doot die is my also swaeren pant.4
 
Hadieu hadieu solaes.
[p. 100]
 
Ende sy had also grote begheren.
 
Al om te spreken al haeren solaes.
 
Haer prins haer man hoeren edel lantshere
 
Hadieu etc.
 
 
4
Nu isser een lantsvrouwe doot.
 
Bergonge die jonghe prinsessee.2
 
God help haer siel in Aberhams scoet.
 
Ende bescermse al voor der hellen.
 
Ou wy ou wy solaes.
 
Ende sy had also grote begheren.
 
Al om te spreken al hoeren solaes.
 
Haer prins haer man haeren edel lants here

1P. Fredericq, Onze Hist. Volksl., blz. 109 en 110.
2Van de nieuwere geschiedschrijvers vond ik 't feit alleen vermeld door E. Heyck, Kaiser Maximilian I, Monographien zur Weltgeschichte V, 1898, blz. 36, waar meegedeeld wordt, hoe Maria op haar sterfbed aan de vliesridders verzocht haar gemaal bij te staan. De schrijver kon mij echter zijn bron niet meer noemen; de mogelijkheid blijft, dat de door hem gebruikte geschiedschrijver het lied gekend heeft. (Pontus Heuterus noemt het feit niet, zie over hem blz. 80, aanm. 1 en blz. 92, aanm. 3.)
1Zie over dit hs. blz. 46.

1gewracht, bewerkt.
5het broze lot brengt menigeen ten val.
3zijn ghedaen, volbracht worden, plaats hebben.
5natuere, lichaam; cranck, zwak.
1de vijftienjarige Karel van Gelder, die van zijn tiende jaar af met zijn zuster Filippa aan het Hof te Gent werd opgevoed.
5Filips van Kleef, Heer van Ravenstein, zoon van Hertog Adolf van Kleef, was een bekend veldheer, die kort hierop door Maximiliaan tot gouverneur van de Zuidelijke gewesten werd benoemd.
6Filips van Bourgondië, Heer van Beveren, was een zoon van Anton, den grooten bastaard van Bourgondië, die Hertog Filips den Goeden tot vader had, bijgevolg een neef van diens kleindochter Maria.
7Simpol, Pieter van Luxemburg, Graaf van Saint-Pol.
1soet, beminnelijk. 1 en 2, zie 3, 1.
3bloet, persoon zonder minachtende bijbeteekenis; met ‘Keyserlijck bloet’ spreekt Maria haar gemaal Maximiliaan toe, den zoon van den Duitschen Keizer Frederik III.
7alle mijn ghesinne, mijn gansche gezin.
1Margareta van Oostenrijk, toen twee jaar oud.
3weyn, droefheid.
6de latere Filips de Schoone, destijds vier jaar.
2redelijc, naar behooren.
4vrient, genegen.
7ik hoop, dat God erin zal voorzien, dat het goed met u zal gaan.
3mach, kan. 6. behoet, hoede.

1De leesteekens van het hs. zijn behouden; zie blz. 16.
5soelaes, troost.
4pant, leed.
Lezingen van het handschrift. De eenige met een hoofdletter geschreven eigennaam is Mari in het opschrift. 1, 3: Aen lants vrou. 2, 2: franssoeus selande. Str. 3:
 
Och adieu vader
 
Hadieu moeder
 
Hadieu suster
 
Hadieu broeder
 
Och hadieu vader hadieu moeder
 
Hadieu suster hadieu broeder
 
Die doot, enz.
Dit is natuurlijk eene dwaze vervanging van de drie versregels, die hier blijkbaar zijn verloren gegaan. 4, 8: her.
2Bergonge, Bourgondië.
prepostterug  begin  verder