In 1482 maakten de Hoekschen, die door den Kabeljauwschgezinden stadhouder, Joost van Lalaing, uit Hoorn verdreven waren, zich opnieuw van deze stad meester. Doch de stadhouder herwon haar den 20sten Juli en nam vreeselijk wraak. Na een deerlijke plundering sleepten zijn ruiters den buit op schepen en voeren ermee weg, om dezen aan de Hollandsche steden te verkoopen. Zoo kwamen zij voor Haarlem en spraken daar af, een oproer onder de burgers te stichten, om ook deze stad te kunnen berooven. Op
St.-Maria-Magdalenadag dreigden nu eenige ruiters de burgers met de woorden: ‘Aldus sal men ook met u leven,’ waarop de ingezetenen zich wapenden en de knechten aangrepen. Velen van dezen sprongen in het Spaarne en verdronken, maar die in de handen der Haarlemmers vielen, werden doodgeslagen. Gedurende deze schermutseling liep een van de ruiters naar de stadsklok om al de zijnen te verzamelen, maar de burgers vielen toen op de vereenigde ruiters aan, van wie zij er omstreeks vijftig doodsloegen of verdronken. Doch nu kwam de stedelijke overheid tusschenbeide, beschermde de ruiters tegen de woede der burgerij en zond een bode naar den Stadhouder, die juist bij zijne nicht Jolande op het Huis te Brederode het middagmaal gebruikte. Joost van Lalaing begaf zich terstond naar Haarlem en bewerkte door zijn kalm optreden, dat men de gevangen ruiters vrijliet en hen ongehinderd met hun buit liet verder trekken.
Het lied komt voor in hs. 1180 (ongefolieerd) van de Universiteits-Bibliotheek te Utrecht (H.G. 22): ‘Historie ofte Chronyckje van de Graaven van Holland, Zeeland en Vriesland ofte Het Oude Goutsche Chronijckje’, dat blijkens de onderteekening in 1483 geschreven is, terwijl dezelfde kroniek reeds in 1478 gedrukt was.1 Achter de kroniek zijn met dezelfde hand twee gedichten en onderstaand lied geschreven. Het eerste gedicht is een verheerlijking van Haarlem en verhaalt, hoe de Haarlemmers aan hun wapen gekomen zijn; het is onderteekend ‘Diric Mathijszen dichte dit’. Het tweede gedicht handelt over de verrassing van Dordrecht door Jan van Egmond in 1481.2 Het is niet waarschijnlijk, dat Diric Mathijszen ook de dichter is van het lied: 't is zoo verward, dat men veeleer mag aannemen, dat hij 't heeft overgeschreven.3 Het lied zal wel kort na de gebeurtenis gedicht zijn, en was dus, toen 't neergeschreven werd, in 1483, een jaar oud, en dit tijdsverloop, hoe kort ook, is bij een lied, vooral van dezen omvang, voldoende om de wijzigingen te verklaren, die het
bij zijn mondelinge overdracht moet hebben ondergaan. B.v. nadat in strofe 2 en 3 het oproer beschreven is, volgt in strofe 4 en 5 de oorzaak: de dreigende houding der ruiters. Later (strofe 18) volgt de voorstelling, alsof men vertoornd was op een der ruiters, omdat deze 't sacrament geroofd had. Dit zal, wel slaan op de gepleegde heiligschennis te Hoorn - in den vorm, dien wij van 't lied kennen, was deze plaats zelfs niet meer bekend1 - doch dit feit staat buiten 't Haarlemsche oproer.
Volgens het lied zou een der ruiters zelf naar Den Haag getrokken zijn om zijn beklag te doen, en kwamen toen de heeren van Den Haag naar Haarlem om de zaak te onderzoeken; de geschiedbronnen maken hier geen melding van.
Bron: Die Cronijcke van Hollant, Zeelant ende Vrieslant, Dordrecht 1591, Divisie XXXI, Kap. LXII.