terug  begin  verderprepost
[p. 106]

1486?
XIV. Liedje van den Heer van Valenceyn.

Het schijnt mij toe, dat de vorm van dit lied vrij bedorven is. Misschien zou er iets te herstellen zijn door vs. 4 van strofe 2 en 3 te verwisselen (hy in 3, 4 zou dan in ghy moeten veranderd worden); zie het rijm.1

Er wordt gewag in gemaakt van den Heer van Valenceyn, die blijkbaar in oorlog is met den Heer van Koessell en nu naar zijn zwager rijdt om diens hulp in te roepen. Deze vertoeft op dit oogenblik in Frankrijk, maar als hij denzelfden avond thuiskomt en zijn vrouw hem het verzoek overbrengt, is hij aanstonds bereid; inmiddels zal Peter Ronckaerts zijn eer verdedigen. Dan volgt de mededeeling, dat de Heer van Valenceyn te paard, stijgt, terwijl wij in dit verband hier eer den naam van den zwager zouden verwachten. De groote overeenkomst van strofe 2 en strofe 10 maakt het voor mij niet onwaarschijnlijk, dat de laatste strofe dien naam inderdaad ook bevat heeft, maar dat zij onder invloed der eerste gewijzigd is.

De Heer van Valenceyn rijdt hierop door Luik ‘al totten knijen in dat bloet’, de oorlog is dus in vollen gang. Zou de laatste strofe doelen op den dood van Peter Ronckaerts?2 In dit geval zou het lied op 1486 te dateeren zijn.

Wie zich in dezen tijd Heer van Valenceyn kon noemen, heb ik niet kunnen nagaan. Werd hiermee Valenciennes, de hoofdstad van Henegouwen, bedoeld, dan kon alleen de minderjarige Filips de Schoone dien titel voeren. Met Koessell kan de heerlijkheid van Kessel bedoeld zijn, twee uren ten Noorden van Horn gelegen. Alleen ten opzichte van Peter Ronckaerts3 staan wij op vasteren bodem. Hij was een warm, aanhanger van Willem van der Marck, die, nadat hij den bisschop van Luik had verslagen en gedood en zichzelf van de regeering aldaar had meester gemaakt, hem de waardigheid van groot-

[p. 107]

meier schonk. Ronckaerts was een woelig man met een slechte reputatie1, die in den Luikschen burgeroorlog een belangrijke rol gespeeld heeft. Den 8sten Maart werd hij op straat doodgeschoten. Het is mij niet gelukt, iets naders vast te stellen betreffende het feit, door 't liedje bezongen.

Dit komt voor op fol. 51r van hs. 9011 op de Univ.-Bibliotheek te Gent, van de hand van Anthonis Ghyseleers. Blijkens de vele dagteekeningen, die het bevat, is het in 1517 en 1518 geschreven; volgens Prof. De Vreese zijn schrift en papier hiermede in overeenstemming.

De wijsaangifte ‘Van Valencyn’ trof ik niet voor het einde der zeventiende en het begin der achttiende eeuw aan in het Antwerps Lust-Hofken, t' Antwerpen 1661; Den eerelijcken Pluck-Voghel, Tot Brussel 1677 en Het hemels Lusthofken door Catharina van der Meulen, Antwerpen 17052 In dit verband komt het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat hierbij aan een ander lied gedacht is dan het onderstaande.

 

Bronnen: Documents relatifs aux Troubles du Pays de Liège, uitgeg. door De Ram in de Collection des Chroniques belges inédits; Jos. Daris, Histoire du Diocèse de la Principauté de Liège pendant le XVième Siècle.

1
Het jaer van wonder coempt onss ayn,
 
Het iss onss langhentijt geprofeteert.
 
God will allen Kerstenrijck bewaren,
 
Het heeft zo langhen tyt geregheneert!4
 
 
2
Myn heere van Valenceyn is op geseten,1
 
God verleene hem alzoe gueden spoet,
 
Tot zijnder suster is hij gereden:
 
‘Myn heere van Koessell coempt dair an.’
 
 
3
‘Och suster,’ seyt hij, ‘wellieve suster,
 
Waer is myn heere, u eyghe man,
 
Ick verliesse all my[n] volck ende alle myn eere,
 
En hulpt hy my niet, ic blijver doet.’
[p. 108]
4
‘Och broder,’ seet sij, ‘well lieve broder,
 
Myn heere dye is in Vranckerijck.
 
Hy sall noch tavont comen weder,
 
Ick salez hem bidden alzoe vrindelyck.’
 
 
5
Myn heere dye quam nae huys ghereden,
 
Dye vrouwe ghinck voer haer poerte staen;
 
Sy ghinck hem alzoe hoeffelijc teghen,
 
Och vrindelyck ghinc sy hem ontfaen.
 
 
6
‘Och vrouwe,’ seyt hij, ‘wel lieve vrouwe,
 
Dass heeft uch yemantz arch gedaen,2
 
Dat ghij mich heijtet soe willecome,
 
Soe vrindelijck in uren arm ontfaet.’
 
 
7
‘Och heere,’ seyt s[y, wel lieve heere,]
 
‘Myn broder is in groeter noet,
 
Hij verliest al zyn volck ende alle zyn heeren,
 
En helpt ghy hem niet, hij blyft daer doet.’
 
 
8
‘Och vrouwe,’ seyt hij, ‘wel lieve vrouwe,
 
Gye alderliefste vrouwe myn,
 
Peter Ronkartz is op gheseten
 
Ind hij verwaert dye eere van my.’4
 
 
9
‘Och vrouwe,’ seyt hij, ‘wel lieve vrouwe,
 
U ghenaden dye zyn alzoe groet,
 
Ick wilder selver oeck gaen henen rijden,
 
All soude ic daer blyven doet.’
 
 
10
Myn heere van Valenzeyn is op gheseten,
 
God verleene hem alzoe goeden spoet,
 
Doert dlant van Luydick is hy gereden,
 
All totten knijen in dat bloet.
 
 
11
Daer quam een snee witte duyve
 
Peter Ronckaerts op zynen arm.
 
Het zyn ons zonden dye ons plagen.
 
Dat......
[p. 109]
1Zie ook de omzetting in strofe 5.
2Zie hierover de noot van strofe 7 van no. XX.
3Pierre Rocha, Roxha, Rochat, Rockar, Roecquaer, Roechaer en Rouchart (Anal. Leod., blz. 753, aanm. 1).
1Joh. de Los, Chronicon, blz. 77: vir strenuus, latrociniis assuetus.
2Alle drie in het bezit van den Heer Scheurleer.
4geregheneert, geregeerd.
1opgeseten, te paard gaan zitten.
2arch gedaen, kwaad gedaan.
4verwaert, verdedigt.
Lezingen van het hs. De eigennamen zijn alle zonder hoofdletter behalve 10, 1: Valenzeyn. De u is steeds als ů geschreven (behalve in 2, 3: suster; 5, 1: vrouwe, 2: quam, huys; 8, 2: vrouwe; 9, 1: het tweede woord vrouwe; 4: soude; 11, 1: quam) en in 3, 2 als w. Str. 5:
 
Dye vrouwe ghinck voer haer poerte staen
 
Myn heere dye quam nae huys ghereden.
Met deze strofe begint eene andere hand. Bij 7, 1 is het vervolg afgescheurd. 8, 3. Aan het einde van dezen regel staat met groote letters geschreven nota. 10, 1: Van.
prepostterug  begin  verder