terug  begin  verderprepost

1489 (20-28 Juli).
XV. Lied op de Belegering van Nieupoort door de Franschen.

Onmiddellijk na den dood zijner gemalin Maria van Bourgondië begonnen voor Maximiliaan van Oostenrijk de moeilijkheden, die zijn gansche regentschap hebben voortgeduurd. In 1488 hielden de Bruggelingen hun vorst zelfs drie maanden gevangen en ontsloegen hem alleen tegen de gelofte, dat hij al zijn krijgsvolk uit de Nederlanden zou wegzenden en afstand doen van 't regentschap over Vlaanderen. De Vlaamsche bevelhebber, Filips van Kleef, verplichtte de Duitsche troepen, die onder Maximiliaans vader, Keizer Frederik III, reeds waren ter hulpe gesneld, weer te vertrekken. De Vlamingen vroegen en verkregen nu steun van den Franschen Koning, Karel VIII, wiens bevelhebbers, in naam van hun vorst, Vlaanderen in bewaring namen.

In deze omstandigheden bleef alleen West-Vlaanderen met Nieuwpoort, dat er de sleutel van werd genoemd, Maximiliaan getrouw, en vruchteloos trachtten de overige Vlamingen met hun bondgenooten, de Franschen, dit deel aan zijn gezag te onttrekken. Wel eischte Filips van Kleef, den 11den Augustus 1488, zelf Nieuwpoort op, maar dit weigerde ‘stoutelick’. De Fransche bevelhebber, Crèvecoeur, verliet nu Vlaanderen weer, en Maximiliaan verzocht met Duitsche soldaten binnen Nieuwpoort gelaten te worden, wat gebeurde. Vanhieruit heroverden de laatsten verscheidene plaatsen, die de Franschen onder hun gebied gebracht hadden. De Bruggelingen, die naar

[p. 110]

het einde van den oorlog verlangden en reeds lang vergeefs hadden uitgezien naar de nieuwe benden, die Crèvecoeur uit Frankrijk zou brengen, besloten eindelijk zelf de Duitschers te gaan verjagen. In Mei 1489 ondernamen zij hiertoe een krijgstocht, maar werden den 13den Juli door Maximiliaan met Engelsche hulp verslagen. Hierop koos ook Oostende zijn zijde. Vier dagen later, den 17den Juni, kwam eindelijk Crèvecoeur met versche Fransche troepen, 20.000 man sterk, aanzetten. Verlangende door te tasten, nam hij terstond Oostende in, en zond inmiddels het overige deel van zijn leger naar Nieuwpoort om dat van alle hulp af te snijden.

Den 20sten Juni verscheen hijzelf voor deze stad. Zijn leger bestond wel hoofdzakelijk uit Franschen, maar telde toch ook een groot aantal Vlamingen en vele Zwitsers of ‘blekrokken’, die van dien tijd af bij de Fransche legers werden aangeworven. De vijanden meenden Nieuwpoort gemakkelijk te kunnen innemen, daar de stad noch een aanzienlijke bezetting noch een flinken krijgsvoorraad had. Zij werd echter met weinig gevolg van 's morgens twee tot 's avonds tien uur beschoten. Ook ondervonden de belegeraars bij het maken van loopgraven een zoo krachtigen tegenstand, dat velen van hen omkwamen.

Tegen dat de derde bestorming zou plaats hebben, scheen der uitgeputte burgerij de moed te ontzinken. Toen deed de burgemeester, Jacob Meegoet, in naam der stad de plechtige gelofte, indien Nieuwpoort de overhand behield, ter eere van God en zijn Moeder eene waskaars te doen maken, zoo lang als de omtrek der stad. Volgens eene geschreven kroniek van Nieuwpoort werd ook Onze Lieve Vrouwe van den Nood Gods op de vesting gedragen. De belegeraars ondervonden zóó weinig tegenstand - de oververmoeide burgers moesten zich door hun vrouwen laten vervangen, dat zij een krijgslist vermoedden en 't beleg opbraken (28 Juni). De duur dezer laatste bestorming is onbekend, die van het gansche beleg was acht dagen.

Begrijpelijkerwijze wijkt de voorstelling van het liedje nogal af. Van de hachelijke omstandigheden, waarin Nieuwpoort feitelijk verkeerd heeft, wordt natuurlijk niet gerept,

[p. 111]

terwijl ook de belegering of zelfs de strijd niet geschilderd wordt. De eerste twee strofen bevatten een opeisching van de stad (misschien door een Vlaming, daar Maximiliaan hem ‘verrader’ noemt) en het fiere, afwijzende antwoord van den vorst. Dan volgt, vreemd genoeg voor de volgorde, de vermelding, dat de torenwachter de Fransche troepen ziet aanrukken en de burgers waarschuwt. In den ochtend komen de Franschen aangedrongen en in de morgenzon schittert hun wapenrusting blanker dan ijs. Weinig roem behalen zij echter, en het lied gaat over in een bespotting van de gesneuvelde Zwitsers, wien nu de lust tot strijden wel vergaan zal zijn, en van Crèvecoeur,1 die zonder eenig overleg naar ‘dat stedeken van Nieupoort’ getrokken is. In vs. 6 en 7 van strofe 4 is het rijm blijkbaar bedorven, wat door omzetting dezer verzen te verhelpen zou zijn.

Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg XI, blz. 217, no. CXLV); de wijsaangifte ‘Nieupoort hout u vaste’ trof ik het eerst aan in de Veelderhande gheestelicke Liedekens, ghemaeckt wt den ouden ende nieuwen Testamente enz., 15582, verder in de Veelderhande Liedekens, gemaect wt den Ouden ende Nieuwen Testamente enz., 15663, in de Schriftuerlicke Liedekens, Leiden, 15954, en het laatst in de Gheestelijcke Liedekens .... Door M. Joris Wybo, 15965.

 

Bron: E. Vlietinck, 1489-1889, Eene Bladzijde uit de Geschiedenis der Stad Nieupoort, Oostende 1889.

Een oudt Liedeken.
1
‘Souvereyn van Vlaenderen,
 
Laet sincken uwen moet!
 
Wilt u ghevangen gheven,
 
Behouden lijf ende goet!4
[p. 112]
 
Voor Nyeupoort willen wi maken spel.’5
 
‘Nu swijghet verrader stille,
 
U meninghe verstae ic wel.
 
 
2
Soude ic mi ghevanghen gheven,
 
Ic en ben noch niet vervaert;
 
Ic rijde hier lancx die mueren,
 
Ick sitte hier op mijn paert.
 
Ic gheve den ruyters goeden moet,
 
Ick drincke den wijn wt schalen,
 
Ghelijck menich stout ruyter doet.’
 
 
3
Herman, die op der clocken sloech,1
 
Hi sach int Fransche heyr:
 
‘Wel op, ghi borgers van Nieupoort,
 
Stelt u nu vromelick ter weyr,
 
Want ons en gaet geen slapen aen:5
 
Ick sie die Fransche knechten
 
Blanck in haer harnas staen.
 
 
4
Si quamen daer aengedrongen,
 
Veel blancker dan een ijs2
 
Op eenen morgenstonde.
 
Si behaelden daer cleynen prijs,
 
Crevecoor met alle zijnder macht.
 
Nyeupoort hout u vast,
 
Ghi en sult niet ghewonnen zijn!
 
 
5
Die Zwitsers met haren cransen,1
 
Si lagen daer al versmoort,
 
Si en hadden gheen herte om dansen;3
 
Dies truerde Crevecoor,
 
Dat hi was comen sonder avijs,5
 
Al voor dat stedeken van Nyeupoort;
 
Hi behaelde daer cleynen prijs.
[p. 113]
6
Die dit liedeken dichte,
 
Dat was een ruyter goet;
 
Hi faelgeerde in zijn gesichte,3
 
Dies truerde hi in sinen moet.
 
Hy bidt Maria, die maghet soet,
 
Dat si dat soete Vlaenderlant
 
Wilt nemen in haer behoet.

1Zie over hem blz. 91.
2Utr., Univ.-Bibl.
3Haarlem, Stadsbibl.
4's-Grav., Kon. Bibl.
5Amst., Univ.-Bibl. (Rem. Bibl.)
4behouden, met behoud van.
5spel maken, strijd voeren.
1op der clocken sloech, de klok luidde.
5gaet aen, valt ten deel.
2een ijs, ijs.
1cransen, helmen.
3dansen, strijden (vgl. krijgsdans).
5avijs, overleg.
3zijn gezicht begaf hem.
prepostterug  begin  verder