terug  begin  verderprepost

1491.
XVI. Van Keyser Maximiliaen.

Maximiliaan was op het eind van 1482 tegen zijn zin door de Vlamingen tot vrede met Frankrijk gedwongen en hoopte daarna steeds op een gelegenheid om den oorlog te hervatten. Deze deed zich voor, toen in 1488 de laatste hertog van Bretagne stierf, die slechts eene dochter, Anna, naliet, zoodat Karel VIII van Frankrijk Bretagne als opengevallen mannelijk leen bij zijn rijk wilde voegen.

Anna vond nu, behalve bij Engeland en Spanje, ook steun bij Oostenrijk. Maar Maximiliaan ging nog verder; den 20sten Maart 1490 vaardigde hij een volmacht uit, waarbij hij den Graaf van Nassau, maarschalk Wolfgang van Polheim met gevolg opdroeg uit zijn naam een huwelijkscontract met Anna van Bretagne te sluiten. Zij moesten alle stappen doen, die op 't oogenblik gedaan konden worden, zelfs, zoo mogelijk, uit zijn naam 't huwelijk voltrekken. Hoe alles zich aan 't hof van Bretagne heeft toegedragen, weten wij niet, wel, dat Polheim Anna in December 1490 voor zijn heer moet hebben gewonnen.1 Hij heeft haar bij volmacht getrouwd en Anna nam den titel van Roomsch Koningin aan. Met smart wachtte zij, die weldra haar gebied door den Koning tot Rennes beperkt zag, de komst van Maximiliaan af. Deze heeft op den rijksdag te Neurenberg, die 15 Maart 1491

[p. 114]

begon en de ondersteuning der Habsburgers in Oostenrijk tot hoofddoel had, ook hulp ingeroepen voor Bretagne, doch met mager resultaat.1 Nog in het midden van Augustus heeft Maximiliaan den wil zelf met troepen naar Frankrijk te trekken.2 Onder de redenen, die hij zijn vader hiervoor opgeeft, noemt hij ook ‘damit wir den gemeinen rueff alsob wir nit ein Liebhaber unser ehelichen gemahel weren, nit uff uns laden’. Doch Frederik III voelde weinig sympathie voor dit plan, en hierdoor heeft Maximiliaan 't niet kunnen uitvoeren.

Zoo verspeelde hij zijn laatste kans, want Karel VIII, die reeds lang het plan om Anna te huwen had opgevat, zette de onderwerping van Bretagne nu met alle kracht door. Bovendien had hij Anna's omgeving reeds voor zijn belangen gewonnen en zich ook vooraf verzekerd van de toestemming der Roomsche curie voor de noodige dispensatie tot verbreking zijner verloving met Maximiliaans dochter Margareta. Maximiliaan moet dit reeds in den zomer van 1491 vermoed hebben, maar de Paus loochende alles en het is aan te nemen, dat de Keizer hem geloofd heeft. Anna werd voorloopig van Karels plannen onkundig gelaten, doch ter bespoediging sloot een Fransch leger sinds October haar laatste stad Rennes in. Maximiliaan zond haar nog wel troepen tot ondersteuning, maar deze sloegen aan 't muiten, en Anna's steeds zwakker wordende hoop op hulp van Maximiliaan deed haar ten slotte tot onderhandeling met den Franschen Koning overgaan. Begin October kwam tusschen Karel VIII en Anna's gezant, den Prins van Oranje, een voorloopig verdrag tot stand, dat niet is bewaard gebleven en misschien ook alleen mondeling is geweest. Den 15den November 1491 teekende Karel in de voorstad van Rennes het eigenlijke verdrag, waarbij Bretagne in de handen der Franschen, Rennes als onzijdig gebied onder den Prins van Oranje gesteld werd. De Koning bood Anna de som van honderd duizend frank als zij zich met haar echtgenoot Maximiliaan wilde terugtrekken en hem het bezit van Bretagne laten, totdat bijzondere rechters in deze zaak

[p. 115]

uitspraak zouden gedaan hebben. Bij 't laatste artikel beloofde Karel aan Anna zelfs een vrijgeleide, om naar haar gemaal toe te reizen. Doch reeds een paar dagen later kwam er een geheele omkeer in den stand van zaken: onder voorwendsel van een pelgrimstocht verscheen Karel VIII den 19den November te Rennes en had een lang onderhoud met Anna, waarvan het gevolg was, dat drie dagen later in een kapel aldaar de plechtige verloving van Karel en Anna plaats greep tot groote verrassing van Wolfgang van Polheim, wien niets anders overbleef dan naar zijn heer terug te reizen. Den 6den December 1491 werd het huwelijk te Langeais in Touraine, waarheen Anna den Koning gevolgd was, voltrokken, en bij het huwelijkscontract Bretagne voor goed met Frankrijk verbonden.

Juist het feit, dat Anna lang aan Maximiliaan is trouw gebleven en tot op 't laatste oogenblik plan had naar hem toe te reizen, maar toen plotseling van gezindheid is veranderd, maakt het begrijpelijk, dat in Duitschland destijds algemeen de meening ontstond, dat Anna op haar reis daarheen met geweld door den Koning was tegengehouden en vervolgens tot een huwelijk met hem gedwongen. Te meer kon men Karel zijn handelwijze kwalijk nemen, daar van de door hem verkregen dispensatie tot verbreking zijner verloving niets bekend was; de leugenachtige houding des Pausen, die zich hield, alsof hij nog niet besloten was haar te erkennen, werkte dit in de hand. Te grievender was ook de beleediging voor Maximiliaan, daar nu zijn dochter Margareta, die reeds als tweejarig kind in 1482 naar Frankrijk was gevoerd en sedert in binnen- en buitenland als koningin beschouwd, naar haar vader werd teruggezonden.

Ook de Paus schijnt aan het gerucht van schaking geloofd te hebben, want toen hij de tweede dispensatie verleende (de eerste schijnt, waarom is onbekend, niet voldoende te zijn geweest), moest de Koningin aan den kanunnik, die ze overhandigde, onder eede verklaren, dat zij niet was opgelicht, maar vrijwillig tot den Koning gegaan met de bedoeling hem te huwen.

Kenschetsend voor de openbare meening is de romantische

[p. 116]

en naieve voorstelling van ons liedje1, dat een vertaling is uit het Duitsch2. Op schriftelijk opontbod van Maximiliaan aanvaardt zijn bruid uit Bretagne de reis naar Duitschland. Als zij het gebied van den Franschen Koning binnenrijdt, beklemmen haar bange voorgevoelens en met reden: de Koning komt haar tegemoet gereden en eischt haar tot vrouw. Tevergeefs wijst zij hem erop, dat hij reeds een vrouw heeft en ‘een coninc gheboren wt Oostenrijck’ haar heer is: de Koning antwoordt dat zijn negenjarige vrouw hem te jong is3 en bovendien tegen zijn wil aan hem geschonken. Verder wijken de Duitsche en de Nederlandsche vorm eenigszins van elkander af. In het Duitsche lied zegt de Koning, dat de Paus voor geld zijn tegenwoordig huwelijk wel zal ontbinden en een ander goedkeuren (het maakt op ons natuurlijk een wonderlijken indruk, dat de dichter aan Karel VIII zelf een aanklacht tegen den Paus in den mond legt). Maar in het Nederlandsche lied is het huwelijk reeds ontbonden; de dichter wist dus, wat niet algemeen bekend was, dat Karel reeds vóór de huwelijksvoltrekking met Anna de dispensatie verkregen had. Den dichter uit het hart gegrepen is ook het antwoord der Koningin, dat door dit feit vele onschuldigen zullen omkomen. Een tweede afwijking is, dat terwijl in 't Duitsche lied de Koning Anna dwingt zijn vrouw te worden, de Nederlandsche bewerking niet zoover gaat en de vorstin wel nacht en dag doet schreien om haar eer, die zij wellicht verliezen zal, maar haar toch de slotwoorden in den mond legt:

 
‘Ic sal mijn eere behouden
 
Den Roomschen coninck ter eer.’

Het lied is ons bewaard gebleven in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 174, no. CXV). De wijsaangifte ‘Met luste (meest met vreuchden) willen wy singen, en loven dat Roomsche Rijck of ‘van Keyser Maximiliaen’

[p. 117]

komt in de tweede helft der zestiende eeuw zeer dikwijls voor. Het eerst trof ik haar aan in de Veelderhande gheestelicke Liedekens, An. 15581, verder o.a. in de Veelderhande Liedekens, ghemaect wt den Ouden ende Nieuwen Testamente, die enz., 15692; Veelderhande Liedekens, ghemaeckt wt den Ouden ende Nieuwen Testamente, wtgelesen enz., 15693; Veelderhande Liedekens enz., 15804, Een nieu Geusen Lieden Boecxken, Anno 1581.5 Ook in de zeventiende eeuw handhaafde zij zich, o.a. in de latere drukken van laatstgenoemd liederboek, in Sommighe Leerachtighe Gheestelijcke Liedekens, Ghedruct tot Haerlem, 1624 en 16286; in Een Nieuw Sang-Boek, Ofte anders genaemt, Jan Sents Liedtboeck, Tot Leeuwarden, 16797; en wordt zelfs nog in de achttiende eeuw aangetroffen in 't Kleyn Hoorns Liedtboeck, 1736.8

Voor de melodie zie men: Souter Liedekens Gheprent Thantwerpen, op die Lombaerde veste teghen die gulden hant over, By my Symon Cock. Anno MCCCCCXL,9 psalm 141. Zie ook: Fl. van Duyse, Oude Nederl. Liederen; Melodieën uit de Souterliedekens (Vlaamsche Biblioph.) Gent 1889, blz. 464 en 465.

 

Bronnen: Phil. de Commines, Mémoires II, blz. 316; Olivier de la Marche, Mémoires III, blz. 237; Chroniques de Jean Molinet par J.A. Buchon, Paris 1828, IV, blz. 172-180; Lancelot. Mémoires de l'Académie des Inscriptions et Belles-Lettres, tome XII, blz. 666; Ulmann, Kaiser Maximilian I, I, blz. 84 vlgg.

Van Keyser Maximiliaen.
1
Met luste willen wi singhen,
 
Ende loven dat Roomsche rijck2
 
Van coninck Maximiliaen,3
 
Gheboren wt Oostenrijck,
[p. 118]
 
Die edel coninck, den edelen staet,5
 
Hoe dat hi zijnder vrouwen
 
Wt Britanien beschreven hae[t].7
 
 
2
Die brieven heeft si vernomen,
 
Die edel joncfrou saert:2
 
‘Die met mi wil rijden,
 
Die maket1 hem op die vaert!4
 
Ic moet rijden na dat Duytsche lant,
 
Tot minen edelen heere,
 
Hi is mi onbekant.’
 
 
3
Die bruyt sadt op met eeren,
 
Si reedt na dat Duytsche lant,
 
Met suchten ende met beven;
 
Groot jammer quam daer van.
 
Dat dede die coninc van Vrancrijck,
 
Door zijn lant moeste si rijden,
 
Die joncfrou was duechdelijc.7
 
 
4
Doen reedt si een weynich voort,
 
Die coninc quam haer teghen ghegaen,
 
Van tranen werden haer ooghen nat,
 
Si wert seer ongedaen.4
 
Hi seyde ‘God groete u joncfrou teer,5
 
U eere wil ic behouden,6
 
Den Roomschen coninck te lee.’7
[p. 119]
5
Si sprack ‘Dat en wil god nemmermeer:
 
Ghi hebt een ander wijf,
 
Ic hebbe eenen coninc tot een heere,
 
Gheboren wt Oostenrijck.
 
Hi is edel ende daer toe fijn,5
 
Ter eeren van hem willic draghen
 
Van goude een cranselijn.’7
 
 
6
‘Mijn wijf en was1 niet oudt genoech,
 
Si en heeft maer neghen jaren;2
 
Si was mi teghen minen wil gegheven,
 
Dat segge ic u voorwaer.
 
Het was1 een joncfrou op desen dach,
 
Si was mi toegheschreven,6
 
Doen si inder wieghen lach.
 
 
7
Die paeus nam dat ghelt van mi,
 
Hi scheyde mi van minen wive.
 
Hi scheyde3 ons beyde te samen,
 
Twee sielen ende eenen lijve.’
 
‘Mer dat sal costen so menighen man,
 
Die daerom sullen sterven,
 
Luttel schulden hebben si daer van.’
 
 
8
Si schreyde nacht ende dach,
 
Si schreyde al om haer eer;
 
Van tranen so werden haer oogen nat,
 
Si versuchte so lancx so meer.
[p. 120]
 
Si sprac ‘Dat en wil God nemmermeer,
 
Ic sal mijn eere behouden,
 
Den Roomschen coninck ter eer.’
 
 
9
Die dit liedeken eerstwerf sanck,
 
Dat waren drie ruyters fijn,
 
Si hebbent so lichte gesongen3
 
Te Cuelen op den Rijn.
 
Si trocken al door des conincx lant,
 
Om buyt so souden si gangen,
 
Si en hadden ghelt noch pant.

1Ulmann, Kaiser Maximilian I, I, blz. 118.
1Uitvoerig beschreven in het gedicht van Hans Ortenstain (Liliencron II, blz. 295).
2Ulmann I, blz. 121, aanm. 2.
1Ook in het gedicht van Hans Ortenstain (zie boven) wordt de schaking tot in bijzonderheden beschreven.
2Den Duitschen en den Nederlandschen tekst vindt men naast elkander afgedrukt bij Liliencron II, blz. 300.
3Margareta van Oostenrijk was in 1491 elf jaar oud.
1Utr., Univ.-Bibl.
2's-Grav., Kon. Bibl.
3Amst., Doopsgez. Bibl.
4Aldaar.
5's-Grav., Kon. Bibl.; in photographie bij den heer D.F. Scheurleer.
6Bibliotheek Scheurleer.
7Amst., Doopsgez. Bibl.
8Bibl. Scheurleer.
9Aldaar.
2Roomsche, Duitsche.
3coninck, Maximiliaan was Roomsch koning van Duitschland.
5staet, het Duitsch heeft hier majestat.
7beschreven, schriftelijk gelast te verschijnen; haet, heeft.
2saert, teeder.
1l.: make.
4die begeve zich op weg.
7deuchdelijc, deugdzaam.
4ongedaen, ontdaan.
5God groete u, God zegene u.
6onduidelijke versregel, het Duitsch geeft hier de verklaring:
 
Ich wil euch zu eren haben
 
zu einem elichen weib,’
d. w. z. ik wil u in alle eer en deugd tot wettige vrouw hebben.
7den Roomschen Koning tot leed.
5fijn, voortreffelijk.
7cranselijn, kroontje (bruidskroon of de kroon van Roomsch Koningin).
1l.: is.
2l.: jaer.
1l.: is.
6toegheschreven, toegewezen.
3l.: brenghe; strofe 7 luidt in het Duitsch:
 
Der bapst der nimt das gelt von mir,
 
scheidt mich von meinem weib,
 
er gibt auch zwei zusamen,
 
zwo sel und einen leib,
d. w. z. hij vereenigt ook wel twee te zamen: twee zielen en één lichaam. Wij zouden dus in vs. 3 eerder het woord brenghe dan scheyde verwachten, dat er oorspronkelijk ook wel zal gestaan hebben. Vs. 5-7 worden aan Anna in den mond gelegd.
3lichte, vroolijk.
prepostterug  begin  verder