Karel van Egmond, de laatste Geldersche hertog, was een gevaarlijke vijand voor het Oostenrijksche huis; zijn woeste huurbenden richtten hier veel schade aan.
Toen Filips de Schoone in November 1504 wegens den dood zijner schoonmoeder, Isabella van Castilië, zelf naar Spanje wilde reizen, achtte hij het gewenscht vóór zijn vertrek den grooten stokebrand te bedwingen.
Eerst greep hij, hierbij door Maximiliaan van Keulen uit krachtig gesteund, Arnhem aan, dat zich den 6den Juli 1505 overgaf. Daarop vermaande Filips de overige steden, zich op gelijke voorwaarden te onderwerpen, Wageningen, Harderwijk en Elburg gaven der roepstem gehoor, maar anders ging het aanvankelijk te Hattem, waar de slotvoogd Jan van Gelder,1 een bastaardbroeder van den Hertog, tot kloeken wederstand bereid was. Maar de bezetting met den rentmeester aan het
hoofd dwong hem de sterkte zonder slag of stoot over te geven, en hij werd gevangen genomen. Ten einde raad riep Karel de bemiddeling van den Utrechtschen bisschop in, en den 27sten Juli kwam te Tiel een wapenstilstand van twee jaar tot stand, waarbij de Hertog zelfs zijn titel moest afstaan.
Het lied begint met een klacht van den Hertog van Gelder over het verloren gaan van zijne steden. Hij laat in een brief aan zijn zwager, den Hertog van Lotharingen, om bijstand verzoeken en spoort Hattem tot volhouden aan. De laatste drie strofen schijnen te bevatten, dat de bevelhebber van Hattem zichzelf in gevangenschap van Filips begeeft, als tenminste met ‘Reyner’ in de vijfde en ‘joncker Jan’ in de achtste strofe dezelfde bedoeld wordt, wat wel waarschijnlijk is.
Het lied, dat in Oppergelderschen tongval is gedicht, komt voor op fol. 48v van hs. 901I op de Univ.-Bibliotheek te Gent.1 Het werd ook uitgegeven door Serrure in het Vaderl. Museum IV, blz. 187.
Bronnen: Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de gesch. v. Geld. VI, Inl., blz. LXXX; Pontanus, Hist. Gelr. 1639, fol. 630; Wagenaar 1749 IV, blz. 329; Henne, Hist. de Ch. V, I, blz. 67 vlgg.; Ulmann, Kaiser Max. I, II, blz. 171.