Nadat Hertog Albrecht van Saksen in 1498 door den Duitschen Keizer tot erfpotestaat van Friesland was gemaakt, ontvingen ook de stad Groningen en Graaf Edzard van Oost-Friesland weldra bevel zijn gezag te erkennen, ofschoon eerstgenoemde stad tot het gebied van den Utrechtschen bisschop behoorde en de Oostfriesche graaf indertijd als onafhankelijk landsheer was aangesteld. Edzard gehoorzaamde, maar Groningen weigerde hardnekkig. Toen dan ook in April 1500 door heel Friesland een oproer losbarstte tegen Hendrik van Saksen, die voor zijn vader het bestuur voerde, kregen de opstandelingen krachtigen steun van Groningen. Het gelukte evenwel aan Hertog Albrecht, die met de uiterste krachtsinspanning in Saksen een leger op de been bracht en zich met Graaf Edzard vereenigde, den opstand te dempen. Na een vreeselijke strafoefening sloeg hij het beleg om Groningen, doch dit verdedigde zich zoo dapper, dat hij met schande het beleg had moeten opbreken, indien niet de Utrechtsche bisschop een wapenstilstand bewerkt had.
Friesland werd na de onderwerping onder het stadhouderschap van Hugo van Leisnig gesteld. In 1504 verscheen George van Saksen, die na den dood zijns vaders de rechten van zijn jongeren broer op Friesland had afgekocht, daar om zich te laten huldigen. Groningen was aan Graaf Edzard toevertrouwd, maar bleef steeds gevaar opleveren. Alle pogingen om deze stad aan het Saksische bestuur te onderwerpen mislukten, zoodat ten slotte openlijke vijandelijkheden onvermijdelijk waren.
Edzard wierp een kring van bolwerken om Groningen op en de stad scheen te moeten vallen, toen een twist uitbrak tusschen den Saksischen en den Oostfrieschen bevelhebber. Zoodra de stadsregeering dit vernam, bood zij Edzard aan, hem als landsheer te erkennen. Deze, die van den beginne af een dubbelzinnige rol gespeeld, en nog niet eens aan George leenhulde bewezen had, nam 't aanbod aan en trok in Mei 1506
onder klokgelui en kanonschoten de stad binnen, die hem aanstonds huldigde, bij welke gelegenheid de Groninger straatjeugd hem onderstaande variante toezong van het oude en alom bekende Paaschlied:
Een dergelijke toepassing staat niet op zichzelf, trouwens een lied met zoo algemeene rijmklanken, ‘zoo buitengewoon geliefd om zijn melodie, die binnen het bereik van ieders stem valt, en iets krachtig triomfeerends had, waardoor 't niet alleen als triomflied op Jezus' verrijzenis, maar ook als zegelied van overwinnende vorsten gezongen kon worden’,2 leende zich vanzelf hiertoe.
Reeds in 1474 bij den intocht van Sigismund van Oostenrijk te Bazel, na de gevangenneming van den landvoogd Peter van Hagenbach, zong het volk:
in navolging van:
Ook bij ons is deze toepassing niet de eenige: nog in 1572 zingen de Spanjaarden, die voor Haarlem liggen:
Ons liedje wordt in zijn taal meegedeeld door Eggeric Beninga, Historie van Oostfrieslant, in de Analecta van Matthaeus IV, blz. 463.2
De melodie is te vinden bij W. Bäumker, Das katholische deutsche Kirchenlied, I, no. 242, blz. 502 vlgg.; voor de moderne notatie van Fl. van Duyse zie men P. Fredericq, Onze hist. Volksl., blz. 53.
Bronnen: J.G.R. Acquoy, boven aangehaald, blz. 1-36; Blok, Gesch. v. h. Ned. Volk, II, blz. 357 vlgg.