Na zijn aankomst in Spanje1 werd Filips de Schoone door Castilië als vorst erkend en plechtig te Burgos gehuldigd. In de nabijheid dier stad had hij zijn intrek genomen in het klooster Miraflores. Bij eene feestelijkheid aldaar werd hij ziek door het drinken van koud water, nadat hij zich verhit had bij het kaatsspel. Kort daarop, den 25sten September 1506, stierf hij aan hevige koortsen.
Op dien dood bezitten wij een liedje in negentiende-eeuwschen vorm, dat waarschijnlijk van ouden datum is. De zeereis naar Spanje wordt er op uiterst naïeve wijze in beschreven en de dood voorgesteld als het gevolg van vergiftiging. Inderdaad is dit vermoeden terstond na den dood van Filips uitgesproken; men koesterde het trouwens in die dagen al heel gauw. Volgens den regel ‘is fecit, cui prodest’ verdacht men Koning Ferdinand, die zich allesbehalve vriendschappelijk gezind voelde jegens den schoonzoon, die als vorst van Castiliëe in zijn rechten getreden was. Zelfs beweerde men, dat Filips gewaarschuwd was, geen spijzen uit de keuken van zijn schoonvader te gebruiken.1 Het lied noemt daarentegen als daderes een ‘jufvrouw Tsanne’, misschien een verbastering van Johanna, Filips' gemalin, ofschoon zeker geen ongerijmder beschuldiging denkbaar is, want Johanna van Arragon had haar gemaal hartstochtelijk lief. Doch wij hebben blijkbaar met een verknoeiden vorm van het lied te doen, terwijl het ook onder den invloed van een ander lied schijnt gekomen te zijn.2 De slotstrofe vertoont bovendien eenige overeenkomst met de laatste (elfde) van het lied Vanden Coninck van Castilien in de door Ricour uitgegeven lezing:3
De uitgevers van ons lied vonden hierin aanleiding om het eerste vers der slotstrofe te wijzigen in:
wat ik niet heb nagevolgd.
Het lied komt voor bij A. Lootens et J.M.E. Feys, Chants populaires flamands, Bruges 1879, blz. 74 en 75, waar ook de melodie der eerste twee regels wordt meegedeeld.
Bronnen: Henne II, blz. 119; Pontus Heuterus, Lib. VI, cap. X; Robertson, The reign of the emperor Charles V, blz. 187.