Bij den wapenstilstand van Tiel1 had Karel van Egmond aan Filips den Schoonen moeten beloven, hem voorloopig tegen al zijn vijanden te helpen. De Geldersche Hertog zou zijn vorst op diens reis naar Spanje vergezellen, maar nadat hij te Antwerpen een reisgeld van drie duizend goudguldens ontvangen had, reed hij spoorslags naar Gelderland terug. Hier lichtte hij aanstonds troepen en versterkte de steden
van de hem overgebleven kwartieren Roermond en Nijmegen. Wel zond Willem van Croy, heer van Chièvres, dien Filips bij zijn vertrek tot algemeen landvoogd benoemd had, onmiddellijk troepen naar Gelderland, doch voor een krachtig optreden ontbrak hem 't noodige geld. Te gevaarlijker was deze toestand, daar Karel krachtigen steun ondervond van den Franschen Koning en bondgenooten had in den Luikschen bisschop en diens broeder Robert van der Marck, bijgenaamd ‘de ever der Ardennen’. Vergeefs wees Chièvres in de vergadering der Algemeene Staten, die den 22sten Augustus 1506 te Mechelen werd gehouden, op de noodzakelijkheid van het aanwerven van troepen.
Den 25sten September stierf Filips en onmiddellijk besloot Karel van Egmond, nog begunstigd door de afwezigheid van Maximiliaan, die door de staten tot regent was benoemd, den oorlog te beginnen en een inval te doen in Holland en Brabant. De eerste strekte zich tot de poorten van Amsterdam uit. Voor den Zuidelijken inval rukten bovendien Fransche troepen aan en Margareta, die door Maximiliaan als zijn plaatsvervangster benoemd was, smeekte tevergeefs haar vader om hulp. De regeering trok nu de aanwezige troepen samen te Tienen en wachtte dus den aanval in 't hartje van het land af.
De Hertog van Gelder verraste en plunderde Turnhout en trok van hier over Diest, waar een flinke bezetting lag onder Hendrik van Nassau en waarvoor hij dus verder geen moeite deed, op Tienen aan. De merkwaardigheid deed zich hier voor, dat, terwijl Chièvres den 4den September met troepen in deze stad gekomen was en hij er den volgenden dag nog andere bijgehaald had, er op dat oogenblik geen soldaat te vinden was. Chièvres was n.l. weer vertrokken naar Gembloux om troepen bijeen te brengen, die zouden komen onder het bevel van den vorst van Anhalt te Mechelen. De bezetting van Tienen, die uit nog geen tweehonderd Namensche ruiters en eenig voetvolk bestond, kon natuurlijk de gelijktijdige aanvallen van den Gelderschen Hertog en Van der Marck op 19 September niet weerstaan. Na de overgave werd de ongelukkige stad dertien dagen lang zoowel door de landsknechten, als door
een samenraapsel van avonturiers en vagebonden, die zich bij hen gevoegd hadden, geplunderd.
In het liedje, dat de inneming van Tienen bezingt, vaart de dichter heftig uit tegen Chièvres, aan wiens valschheid hij de schuld van den val der stad geeft. Naast Chièvres worden Cornelis van Berghen en Scheel Ghijs als schuldigen genoemd. Deze Cornelis van Berghen, Heer van Zevenbergen, was een bekend Oostenrijksch veldoverste; met Scheel Ghijs is blijkbaar de meier van Tienen bedoeld. De opeisching der stad door den Hertog van Gelder en de weinig heldhaftige houding van dezen meier, die zijn burgers niet naar de stadsmuren tot versterking durft aanvoeren, de belegering, het afvuren van het geschut, waarbij de meier inziet, dat hij 't niet zal kunnen uithouden, worden vervolgens vermeld. Daarna richt de dichter het woord tot zijn landsheer, den zevenjarigen Karel van Oostenrijk en spreekt de vrees uit, dat deze voor zijn troonsbestijging het ‘edel Brabant’ beroofd zal vinden. In de slotstrofe maakt de dichter zich bekend als een Brabantsch ruiter, geboortig uit Landen, die bij de inneming van Tienen gevangen genomen is en zijn geld verloren heeft.
Het lied is ons bewaard gebleven in hs. 901I op de Univ.-Bibliotheek te Gent, fol. 40r1. Het werd ook uitgegeven door Serrure, Vaderl. Museum IV, blz. 189.
Bronnen: Henne, Hist. de Ch. V, I, blz. 96 vlgg.; Kronijkjen van 's-Hertogenbosch in het Belg. Mus. III, blz. 90; Baumgarten, Gesch. Karls V, Stuttgart 1892, I, blz. 21 vlgg.