terug  begin  verderprepost
[p. 138]

1519.
XXII. Lied op de Verheffing van Karel van Oostenrijk tot Keizer van Duitschland.

Over de opvolging van Maximiliaan I van Duitschland is veel te doen geweest: reeds twee jaar voor zijn dood waren de onderhandelingen begonnen. Aanvankelijk stonden de kansen van Maximiliaans kleinzoon Karel en Frans I van Frankrijk vrij wel gelijk. Maximiliaan had Karel graag tot Roomsch koning laten kronen, maar hijzelf was nooit tot keizer gekroond, en twee Roomsche koningen konden er toch niet zijn.

Na zijn dood werd de strijd door de beide kandidaten met nog meer heftigheid voortgezet en het geld speelde hierbij een gewichtige rol. Eindelijk werd een der keurvorsten, Frederik de Wijze van Saksen, gekozen, die zijn land niet aan den keizerstitel wilde opofferen, en zelf op den jongen Karel wees, wiens Oostenrijksche erflanden een hecht bolwerk vormden tegen de aanwassende macht der Turken. Dit is dan ook wel de hoofdreden geweest, waarom Karel den 28sten Juni 1519 gekozen is.

Het spreekt vanzelf, dat deze verheffing van hun vorst door de Nederlanders met trots vernomen werd. De staten van Vlaanderen zonden een gezantschap om geluk te wenschen naar Barcelona en het voor ons bewaard gebleven lied op deze gebeurtenis zal wel niet het eenige geweest zijn.

De dichter uit hierin zijne blijdschap, dat de voorspelling, eertijds door Aloncius gedaan, nu is vervuld. Aloncius is de Spaansche naam van Alfonsus; hiermee kan bedoeld zijn Alfonsus X, bijgenaamd de Wijze of de Philosoof, die van 1252-'82 koning van Castilië en Leon was en in 1257 tegelijk met Richard van Cornwallis tot Roomsch koning van Duitschland gekozen is. Zonder dat hij ooit vorstenmacht oefende of zelfs Duitschland bezocht, speelde hij er toch gedurende het geheele eerste interregnum eene bepaalde rol. Alfonsus was dichter en prozaschrijver; onder de door hem nagelaten boeken is ook een philosophisch werk, waarin deze voorspelling kan te vinden zijn.

De eerste twee strofen van het lied zijn blijkbaar in

[p. 139]

verminkten vorm tot ons gekomen. Van Maximiliaan wordt gesproken als van een dapperen arend uit Oostenrijk, die zich met eene leeuwin (Maria van Bourgondië) gepaard heeft. Nu is hij gestorven, maar een zijner nakomelingen is ons gebleven, van wien groote voorspellingen gedaan zijn. De wensch wordt geuit, dat Vlaanderen nu van oorlogen bevrijd zal worden en op de mogelijkheid gedoeld, dat Karel de Turken zal verslaan.

Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 162, no. CVII).

 

Bronnen: Mignet, Rivalité entre Charles V et François I, I, blz. 119 vlgg.; Robertson, The reign of the emperor Charles V, blz. 228 vlgg.

Vanden Keyser.
1
Lof toeverlaet, Maria sonder sneven,1
 
Dies1 mogen wi wel loven sonder respijt:2
 
Den keyserliken hoet, die is ons coninc bleven,3
 
Dies moghen wi wel maken groot jolijt4
 
In desen tijt,
 
Ende al met hem verblijden,2
 
Ende laten trueren lijden.37
 
Van grave Jan, den vierden man8
 
So is hi dan, segt so wie can
 
Aloncius prophecie.4
 
 
2
Den Arent coen quam eerst wt Oostenrijck,1
 
Met een leewinne was hi eerst ghepaert,2
 
Een stout baroen, men vant niet zijns gelijc,3
[p. 140]
 
Der leeuwen dieren heeft hi wel bewaert,4
 
Sijn volc geschaert,
 
Stelde hi in ordinancien6
 
Met wapenen ende lancien;7
 
Hi en vant noeyt lien, die were bien,8
 
Si en mosten vlien voor het wijze engien,9
 
Ghemoet waren alle zijn cansen.10
 
 
3
Den Arent snel heeft ons geweest ontsprongen,1
 
Mer den heyligen geest heeft ons so wel versien2
 
Ende niemant el, met een van sinen jonghen.3
 
Groote victorie sal hem geschien,
 
Somen mach sien,
 
In boecken, diet wel weten,
 
Gheschreven van propheten.
 
Int aertsche dal, heeft hi gheval8
 
Ende tvolc int stal, heere boven al9
 
Mach hi hem wel vermeten.
 
 
4
Der leeuwen stoc is nu seer hert om biten,1
 
Want den edelen Arent is ons comen bi
 
In zijn belock, tot onser alder profijten,3
 
Wi hopen Vlaenderen wort van oorloghen vry.
 
Verstaet wel mi,
 
Mi heeft gedocht in droome,
 
Den edelen Keyser van Roome
 
Den grooten Kan, des heydens soudaen,88
[p. 141]
 
Sal hi verslaen, ende voortwaert gaen
 
Al totten drooghen boome.7-10
 
 
5
O princelic graen, ghi zijt souvent idone,1
 
Want den oppersten coninc heeft u so wel versint,2
 
Ghi sult ontfaen die keiserlicke crone,
 
En acht dese nijders tonghen niet en twint.4
 
Ghi zijt gemint;5
 
Wil u noch yemant deren,
 
Wi sullent helpen weren
 
Met lijf ende ghelt; als ghi op[t] velt
 
U tenten stelt, der leeuwen moet swelt
 
Met schilden ende met speren.
1sonder sneven, zonder falen, vlekkeloos.
1l.: die.
2respijt, uitstel.
3hoet, kroon.
4jolijt maken, blijdschap bedrijven.
2l.: verblijen.
3l.: lijen.
7laten lijden (iet), zich niet bekommeren (om iets).
8de bedoeling kan zijn: de vierde man, van Jan zonder Vrees afgerekend; maar Aloncius (zie vs. 10 en de toelichting) zal hier wel de oplossing geven.
4l.: prophecyen.
1den Arent, Maximiliaan, zoo genoemd naar het Oostenrijksche wapen.
2met een leeuwin wordt Maria van Bourgondië genoemd naar het wapen van hare voornaamste gewesten.
3baroen, edelman.
4bewaert, beschermd; beteekenis van dit vers?
6ordinancien, slagorde, gelederen.
7lancien, lansen.
8were, tegenstand.
9of zij moesten vlieden voor het wijze vernuft.
10Beteekenis van dit vers? Blijkens 't rijm is het bedorven.
1de Arend is spoedig van ons heengegaan.
2versien, voorzien.
3el, anders.
8gheval, geluk.
9int stal, beteekenis?; heere boven al, als heer boven alles.
1beteekenis?
3belock, gebied.
8Kan, Khan, Turksch vorst.
8soudaen, sultan.
Lezing van den tekst. 2, 8: werc.
7-10deze voorspelling is ontleend aan den Sidrac; zie ‘Hier beghint een schone Historie vanden wijze Philosooph Sydrac’, enz., 1540, cap. CCCC (aanwezig op de Kon. Acad. te Amsterdam). Er wordt in gezegd, hoe de Paus en de Keizer met andere vorsten het H. Land zullen gaan winnen en de vijanden opjagen tot aan den drogen boom; onder dien boom zal de Paus de mis lezen, waarop de boom zal beginnen te bloeien. Jan Boendale ontleent aan dezelfde bron dezelfde beschrijving, zie Leken Spieghel IV, hst. II en III.
1graen, uitstekend persoon; souvent, beteekenis?; idone, goed.
2heeft versint, bemint.
4nijders tonghen, tongen van benijders, afgunstigen; niet en twint, geen zier.
5gemint, bemind.
prepostterug  begin  verder