In 1521 kwam het tusschen Karel V en Frans I tot openlijke vijandelijkheden. Toen Karel in Mei 1522 naar Spanje vertrok, nam hij zijn reis over Engeland, waar Hendrik VIII hem wachtte. De vorsten bekrachtigden het verdrag van Calais van November 1521, waarbij bepaald was, dat zij ieder met dertig duizend voetknechten en tien duizend ruiters in Frankrijk zouden vallen; Karel wilde zijn voorvaderlijke bezitting Bourgondië hernemen en Hendrik evenzoo Normandië en Guyenne. Den 4den Juli scheepte Karel zich weer in en daarna verklaarde ook Hendrik VIII aan Frankrijk den oorlog. Het kommando over de Engelsche troepen werd opgedragen aan Surrey, die om een bewijs van ijver te geven reeds vooraf een strooptocht in Normandië en Bretagne gehouden had, en zich nu met het Oostenrijksche leger onder Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buren vereenigde. Dat van Frans was
veel kleiner, maar gedurende de lange oorlogen tusschen Frankrijk en Engeland hadden de Franschen de goede taktiek ontdekt om hun land te verdedigen. Deze bestond voornamelijk hierin, dat zij tot bescherming der grenzen in alle daartoe geschikte steden garnizoenen legden, nauwkeurig acht gaven op elke beweging van den vijand en voorts kleine aanvallen deden om kem af te matten. De Hertog van Vendôme, die bevelhebber was in Picardië en La Trémoïlle, de gouverneur van Bourgondië, moesten de vijanden uit deze streken weren. Daar zij hiertoe niet sterk genoeg waren, bepaalden zij zich tot het bezetten van Boulogne, Thérouanne, Hesdin en Montreuil, opdat deze plaatsen niet in de handen van Surrey en Van Buren zouden vallen. Dezen plunderden en verwoestten nu het platte land en de steden en zetten dit vernielingswerk voort tot eind September, toen overvloedige regens en gebrek aan levensmiddelen de aanvoerders tot terugkeer naar hun landen noopten. De verbondenen besloten met een grooten inval in Frankrijk tot het volgend jaar te wachten.
Het lied wordt den Nederlandschen troepen in den mond gelegd, die waarschijnlijk nog tot versterking aanrukken, daar de oorlog al in vollen gang is: er wordt melding gemaakt, dat de Engelschen bij Montreuil en langs de Somme alles in brand steken. Daar de tweede strofe meedeelt, dat de vruchten reeds in de schuur geborgen zijn, moet het minstens Augustus geweest zijn.
Het liedje is gedicht door Matthijs de Casteleyn en uitgegeven als no. VI in zijn bundel Diversche Liedekins, waarvan de oudstbekende druk van 1574 op de Universiteits-Bibliotheek te Gent berust1. Deze is voor de uitgave van dit liedje en
voor de andere van dezen dichter gevolgd, met vermelding van de varianten van den meer voorkomenden druk van 1616.
De Casteleyn geeft bij de eerste strofe de muziek; voor de hedendaagsche schrijfwijze van Fl. van Duyse zie P. Fredericq, Onze hist. Volksl., blz. 62.
Bronnen: Mignet, Rivalité I, blz. 345; Henne, Hist. de Ch. V, blz. 276-279.