terug  begin  verderprepost

1525 (24 Februari).
XXIV. Lied op de Overwinning van Pavia.

In 1521 brak de eerste oorlog tusschen Karel V en Frans I los. Een van de oorzaken was, dat Karel Milaan, door Frans in zijn eerste regeeringsjaar veroverd, heroveren wilde. In het begin van den oorlog is hem dit ook gelukt, terwijl Frans, door het overloopen van zijn machtigsten leenman, Karel van Bourbon, tot den Keizer, aanvankelijk niets doen kon om het terug te nemen.

Eerst in het najaar van 1524 deden de Franschen een inval in Lombardije; Milaan gaf zich over, maar vijf vestingen met keizerlijke bezetting handhaafden zich, o. a. Pavia, waar Antonio de Leyva voor Karel V het kommando voerde. Frans I zelf bestormde deze stad; toen het beleg vier maanden geduurd had, naderde een keizerlijk leger tot ontzet onder Bourbon, Pescara en Lannoy. Tegen den raad zijner oudere bevelhebbers, die het een dwaasheid vonden te strijden tegen troepen, die toch uit geldgebrek over een paar weken wel zouden uiteengaan, bood Frans I een slag aan, die den 24sten Februari 1525 geleverd werd. Van beide zijden werd dapper gestreden, maar de Franschen, die eerst wonnen, leden tenslotte door het lafhartig gedrag der Zwitsers de nederlaag. Ofschoon het paard onder Frans I werd doodgeschoten en hijzelf op verscheidene plaatsen gewond, bleef hij heldhaftig

[p. 146]

te voet doorstrijden tegen de aandringende Duitschers en Spanjaarden. In dezen toestand werd de Koning herkend door de la Motte, den hofmeester van Bourbon, die aanstonds zijn heer waarschuwde, dat deze nu den Koning gemakkelijk zou kunnen gevangen nemen. Bourbon wilde hem echter dit voorrecht niet ontnemen. De la Motte keerde terug, gevolgd door Lannoy, den onderkoning van Napels, die zich volstrekt niet onderscheiden had en aan hem gaf de Koning zijn degen over. Frans I heeft zelf in zijn dagboek 't feit beschreven.

 
‘Et là je fuz longuement combattu,
 
Et mon cheval mort soubz moy abattu.
 
. . . . . . . . . . . . . . . . . .
 
De toutes pars lors despouillé je fus,
 
Mais deffendre n'y servit ne reffuz.
 
. . . . . . . . . . . . . . . . . .
 
Bien me trouva en ce piteux arroy,
 
Exécutant leur chef le viceroy.
 
Quand il me vit, il descendit sans faille,
 
Afin qu'ayde à ce besoing ne faille.
 
Las! que diray? cele ne veulz nyer,
 
Vaincu je fuz et rendu prisonnier.’

De meeste geschiedbronnen spreken eenvoudig van de gevangenneming door Lannoy, die er de hoofdrol in speelde; alleen de naam van den edelman, die dezen waarschuwde, wordt verschillend opgegeven, gelijk in een dergelijk geval begrijpelijk is1.

Den 6den Maart ontving de landvoogdes, Margareta van Savoye, het eerste bericht van deze overwinning, dat den 13den Maart nader bevestigd werd. Het succes was zóó groot, dat velen het niet gelooven konden, en de gouverneurs der gewesten, om allen twijfel weg te nemen, de bijzonderheden in zendbrieven bekend moesten maken.

[p. 147]

Wij bezitten een liedje op deze overwinning van Matthijs de Casteleyn, als no. XVI in zijn Diversche Liedekins opgenomen1; voor Fl. van Duyse's nieuwe schrijfwijze der aldaar vermelde melodie zie men P. Fredericq, Onze hist. Volksl., blz. 64.

Wel trof ik de wijsaangifte ‘van Pavien’ aan in Dit is een schoon suyverlijck Boecxken enz., t' Amstelredam z. j., Approbatie van 15702 en in Veelderhande Schrifturelijke Leysenen ende Gheestelijcke Liedekens alle Menschen tot devotie verweckende. T' Hantwerpen, bij Martinus Verhulst z. j., Approbatie van 15873; alsook de melodie in Een devoot ende Profitelyck Boecxken, no. LXV (herdruk Scheurleer blz. 87), doch daar wordt klaarblijkelijk een ander lied bedoeld dan het onderstaande.

 

Bronnen: Le Journal de François I, uitgeg. door La Société de l'Histoire; hs. fo. 75 op de Bibliotheek te Atrecht ‘Mémorial des guerres d'entre l'empereur Charles, cinquiesme de ce nom et Franchoys premier de ce nom’, Extrait donné par E. Gachet (Rapport sur sa mission littéraire en France); Féry de Guyon, Mémoires blz. 16; Mignet, Rivalité II, blz. 59; Robertson, The reign of the emperor Charles V, II blz. 319; Henne, Hist. de Ch. V, blz. 33 vlgg.; Baumgarten, Gesch. Karls V.

1
Wt vreughden werdt hier een liedt ghesonghen,
 
Den Keyser t'eeren, dat edel bloet,2
 
Die nu zynen vyandt heeft ghedwonghen,3
 
En plat gheworpen onder den voet:
 
Die Lely zoet
 
Verliest den moet,
 
Borbon vaillant bewaert ons zyde,7
 
Den Vrancschen Coninck is in ons behoet,8
 
Noyt quam nieu mare int landt zoo blyde.9
 
 
2
Bourgoignen en vreest nu gheen verstranghen,1
 
Ghy Vlaenders Leeu schuwet swaer gheclach,
 
Den Vranckschen Coninck die is ghevanghen,
[p. 148]
 
Veur ons en quam noyt gheen blyder dach:
 
Daert menich zach
 
Ghevielt, o wach,
 
Ontrent Pavyen binnen stryde
 
Was hy ghegrepen inden slach:
 
Noyt quam nieu mare int landt zoo blyde.
 
 
3
Als hem dus Fortune was besintich,1
 
En bleef ghevanghen aen onsen cant,2
 
Schreef men duyst vijfhondert vierentwintich,3
 
La Motte vingh hem daer metter hant.
 
Princen playsant
 
Veertich vaillant
 
Blever ghevanghen, wiet benyde,
 
Ende acht versleghen inden brant:8
 
Noijt quam nieu mare int landt soo blyde.
 
 
4
Ghy Vlaminghen, weest tot vreughd gheneghen,
 
Niemandt ter weerelt en macht verbien:
 
Al tpeupel bleef meest daer doot versleghen,
 
Nauwe mochter eenich man ontvlien.
 
Lof Godt van dien,
 
Diet liet gheschien,
 
Wy hopen nu van goeden tyde;7
 
Lof hem die ons dus can versien:8
 
Noijt quam nieu mare int landt soo blyde.
 
 
5
Prince Godt Vader, vol alder deughden,
 
Nu dancken wy u in elck conroot,2
 
Dat ghy onslieden gaeft dus veel vreughden,
 
Victorieus in ons exploot:4
 
In elcken stoot
 
Den Keijser groot
[p. 149]
 
Bewaert altoos, en zijn ghesmyde,7
 
Ghelijck ghy ons nu helpt inden noot:
 
Noijt quam nieu mare int landt soo blyde.

1Robertson noemt een edelman Pomperant; Féry de Guyon, die hier trouwens slecht ingelicht schijnt te zijn (vgl. de aanteek. v. Robaulx de Soumoy), meldt drie personen; ‘Die warachtighe gheschiedenisse van ... Keyser ... Carolus de vijfste. Te Ghendt. By Gheeraerdt van Salenson. 1564.’ spreekt ook (fol. sign. N. iij) van drie edellieden, die onder den Viceroy van Napels dienden.
1Zie blz. 142.
2's-Grav., Kon. Bibl.
3Brussel, Kon. Bibl., in afschrift bij den Heer Scheurleer.
2bloet, persoon, zonder minachtende bijbeteekenis.
3ghedwonghen, bedwongen.
7bewaert, voert het bevel over.
8behoet, macht.
9nieu mare, nieuwstijding.
1Bourgondië, vrees nu niet in kracht overtroffen te worden.
1dus besintich, zóó gezind.
2en hij bleef enz.
31524 en niet 1525, omdat men destijds het jaar nog van Paschen tot Paschen telde, en deze slag in Februari geleverd werd.
8brant, strijd.
7hopen van, hopen op.
8versien, zorgen voor.
2in elck conroot, overal.
4exploot, onderneming.
Lezing van den tekst. 2, 6: ghewieldt.
7ghesmyde, wapenrusting.
prepostterug  begin  verder