Na lange onderhandelingen scheen Frans I in December 1525 besloten door bewilliging in de door Karel gestelde eischen een eind aan zijn gevangenschap1 te maken. Beide partijen benoemden opnieuw gevolmachtigden. Wat het landbezit betreft, gaf Frans machtiging tot afstand van Milaan, Napels, Genua, Doornik, Tournaisis, Mortagne, St.-Amand, terwijl hij afzag van alle rechten op Vlaanderen en Atrecht. Ook beloofde hij het hertogdom Bourgondië te zullen teruggeven met de daaronder behoorende heerlijkheden van Noyer en Chateau-Chinon, het burggraafschap van Auxonne en het gebied van St.-Laurent. Voor de verdere bepalingen zie men het tweede lied, dat eigenlijk niet meer dan een berijming van deze is, terwijl het eerste eenvoudig uiting geeft aan de algemeene blijdschap over den vrede.
De afstand van landbezit was alleen mogelijk, als Frans na zijn bevrijding zijn onderdanen tot toestemming kon bewegen. Karel wilde Frans nu op drie wijzen tot nakoming binden: als vader, als vorst en als edelman: Frans moest zijn twee zoons als gijzelaars afstaan, een eed zweren en zijne handteekening zetten, en bovendien zijn ridderwoord verpanden. Den 14den Januari teekende Frans het verdrag, doch daags te voren had hij in tegenwoordigheid van zes Fransche edelen verklaard, dat hij alleen door dwang toegaf en niet voornemens was zich eraan te houden, zooals de uitkomst bewezen heeft.
De twee op dezen vrede bewaard gebleven liederen zijn van de hand van Matthijs de Casteleyn, als no. XV en XVIII uitgegeven in zijn Diversche Liedekins1. De aldaar vermelde melodieën zijn, door Fl. van Duyse in de hedendaagsche schrijfwijze overgebracht, opgenomen door P. Fredericq, Onze hist. Volksl., blz. 65 en 66.
Bronnen: Mignet, Rivalité II, blz. 169 vlgg.; Henne IV, blz. 100 vlgg.
Op den voijs van Helas, helas.1