terug  begin  verderprepost

1526 (19 Januari).
XXVII. Van die Coninghinne van Denemercken.

Isabella van Oostenrijk, de tweede dochter van Filips den Schoonen en Johanna van Arragon, werd in 1501 geboren. Op haar dertiende jaar werd zij bij volmacht uitgehuwlijkt aan den drie-en-dertigjarigen Christiaan II van Denemarken,

[p. 154]

die in het machtige huis van Bourgondië een steun hoopte te vinden tegen zijn vijanden: Zweden en de Hanze. Een jaar later vertrok de jonge koningin naar Denemarken.

In het voorjaar van 1523 werd Christiaan II door zijn volk verdreven en vluchtte met Isabella en zijn kinderen, den Kroonprins Johan en de Prinsessen Dorothea en Christina naar ons land. Hij hoopte, dat zijn machtige zwager, Karel V, hem helpen zou om zijn troon te herwinnen, maar deze, die destijds in Spanje vertoefde, kon zich weinig met de zaak bemoeien. Christiaan en Isabella reisden nu zelf naar Engeland en Duitschland om ondersteuning te vragen, terwijl hun kinderen bij de landvoogdes te Mechelen bleven. In 1525 vestigde het gezin zich te Lier, waar hun een woning (nog Het Hof van Denemarken geheeten), een maandgeld en een eerewacht werden toegewezen. Isabella, wier gezondheid door het ondervonden leed ernstig was geschokt, trok zich op 6 December van hetzelfde jaar met de haren terug op het kasteel van den abt van St.-Pieters te Zwijnaerde bij Gent, waar zij 19 Januari overleed.

Het lied ‘Van die coninghinne van Denemercken’, waarin het afscheid, dat Isabella van haar man en bloedverwanten neemt1, wordt geschilderd, komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 189, no. CXXV) en in Een Aemstelredams, Amoreus liedtboeck, nu nieus wtgegaen, waer in begrepen zijn alderhande Liedekens, die in geen ander Lietboecken en staen, meest almet zijn voys oft wijse daer bi gestelt om alle droefheyt, melancolie te verdryven. 15892, blz. 132 hier met de wijsaangifte: Hoort hoe Jesus na galileen3. De tekst is in beide bijna volkomen gelijk, het lied is hier uitgegeven naar het Antw. Liederboek. Geen van onze historische volksliederen is blijkbaar zoo populair geweest als dit: ik trof het nagenoeg honderdmaal als wijsaangifte aan, het eerst in de Veelderhande gheestelicke Liedekens enz., 15584,

[p. 155]

het laatst in De Geestelijke Goudschaele, Leeuwarden, 17511. Naast of verbonden met de wijsaangifte ‘O rat van avontueren’ komt spoedig de foutieve ‘van den Coninck van Denemercken’ (nooit ‘van de Coninghinne’), die ik het eerst vond in het eerste deel van de Veelderhande Liedekens, Ghedaen Ter Liefden Van Maeyken Tijssen, 1598 (doch van 15592. Te zamen met de wijsaangifte ‘van den coninck van Denemercken’ komt nog een derde voor: ‘van den linden smit3, welke verbinding ik 't eerst aantrof in de Veelderhande Liedekens, gemaect wt den Ouden ende Nieuwen Testamente, die voortijts in Druck zijn wtghegaen: Waer toe noch diuersche Liedekens gestelt zijn enz., 15824

De melodie is te vinden bij J. Fruytiers, Ecclesiasticus, Antw. 1565, blz. 48; in Een devoot ende Profitelyck Boecxken, no. CXXIV en in Het Prieel der gheestelicker melodiie, Antw. 1617, 1620 en 16425.

 

Bronnen: J.J. Altmeijer, Isabelle d'Autriche et Christiern II in Trésor national I, Brussel 1842; Willems, Isabella van Oostenrijk, Belg. Mus. II, 1838, voornamelijk ontleend aan eene verhandeling van Meerman, verschenen in de Verhandelingen der tweede klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut.

Van die Coninghinne van Denemercken.
1
O radt van avontueren,
 
Hoe wonderlijck draeyt u spille:
 
Den eenen moet ongeluc gebueren,
 
Die ander heeft so wel sinen wille.
 
Van die coninghinne van Denemercke,
 
Ysabeele dat vrouwelijc graen,6
 
Die clachte die si dede,
 
God verleene haer die eewige vrede,
 
Dat suldi hier na verstaen.
[p. 156]
2
‘O coninck van Denemercken,
 
Mijn man, mijn here reyn,2
 
God wil u in duechden stercken,
 
Ende alle mijn kinderkens cleyn.
 
Nu moet ic van u scheyden
 
Ende laten u in eenen soberen staet;
 
God willet hem vergheven,
 
Die ons dus hebben verdreven,
 
Oft daer toe gaf den eersten raet.
 
 
3
Mijn broeders zijn verheven
 
Ende mijn susters in staten groot,
 
Eylaes, wi zijn verdreven
 
Ende liggen hier in groote noot!
 
O heeren ende Prelaten,
 
Diemen hier al met ooghen aensiet,
 
Coemt doch alle mijn kinderkens te baten,
 
Dat icse nu moet laten,
 
Dat is mi een groot verdriet.’
 
 
4
Die Coninc sprac met weenenden ooghen:
 
‘Och edel vrouwe en zijt niet versaecht,
 
Hoe salt mijn herte ghedoghen,
 
Dat ghi dus deerlyc claecht.
 
Die kinderen sullen wel op gheraken:5
 
Den Keyser wort haer onderstant;6
 
Ic hope ick salt so maken,
 
Gods gracie sal met mi waken,
 
Dat ick sal comen in mijn lant.’
 
 
5
‘Adieu, vrou Janne, lieve moeder,1
 
God behoede u voor teghenspoet,
 
Ende u, Kaerle, lieve broeder,
 
Dat edel Keyserlijc bloet;
[p. 157]
 
Hadde ic tegen u moghen spreken,
 
Mer ic moet sterven die doot,3-6
 
Ende claghen u mijnen ghebreken,7
 
Dat mijn kinderen niet en worden versteken,8
 
So en ware mi gheen stervens noot!9
 
 
6
Adieu, hertoghe van Oostenrijcke,1 en 2
 
Donfernandus, broeder goet,
 
Ende Leonora dier ghelijcke,3
 
God behoede u voor teghenspoet!
 
Ende Katherijne, suster reyne,
 
Die ic noyt en hebbe gesien!5 en 6
 
Adieu, myn kinderkens cleine,
 
Adieu, mijn vrienden alle ghemeyne,
 
Adieu, mijn man, coninclijck engyen!’9
 
 
7
Dit heeft die coninghinne ghesproken
 
Te Swijnaerde, alst is bekent,
 
Daer haer herte is ghebroken,
 
Den Coninck daer zijnde present,
 
Den .XIX. Januario tghewaghen,5
 
CCCCCXXV. beleven.6
 
Hi machse wel beclaghen
 
Ende in zijn herte draghen,
 
Also langhe als hi mach leven.

1Alle broeders en zusters worden erin genoemd, behalve Maria, die toen nog gehuwd was met Lodewijk II van Hongarije.
2Danzig, Stadsbibl.; in afschrift bij den Heer Scheurleer.
3Dit lied komt herhaaldelijk voor met de wijsaangifte O rat van avontueren.
4Utrecht, Univ.-Bibl.
1Bibl. Scheurleer.
2Zie Wieder, Schrift. Liedekens, blz. 144.
3Waarschijnlijk een uit het Duitsch vertaald lied: zie Liliencron, Die hist. Volksl. der Deutschen II, blz. 289-292.
4Bibl. Scheurleer.
5Aldaar.
6graen, uitstekend persoon.
2reyn, edel.
5opgheraken, beter is de variant gheraken: opgroeien, vooruitkomen.
6onderstant, steun.
1haar moeder Johanna van Arragon, die sinds twintig jaar in krankzinnigheid leefde.
Varianten van Een Aemstelredams, Amoreus liedtboeck. 4, 5: ... wel gheraken. 5, 9: So waer mijn sterven gheen noot. 7, 6: besneven.
3-6Isabella heeft haar broeder Karel V tijdens haar verblijf hier te lande niet gesproken, daar deze toen in Spanje vertoefde.
7ghebreken, grieven.
8versteken, verstooten, te kort gedaan.
9zoo ware mijn sterven mij geen bron van droefheid.
1 en 2haar tweede broeder Ferdinand.
3Leonora, haar oudste zuster, weduwe van Emanuel van Portugal; dier ghelijcke, desgelijks.
5 en 6Katherijne, de jongste zuster, die in leeftijd op haar volgde, was na haars vaders dood in Spanje geboren, daar opgevoed, en gehuwd met Don Jan, den Kroonprins van Portugal.
9engyen, vernuft.
5tghewaghen, (is) 't gewagen, naar men zegt.
61525 en niet 1526, daar men in de mde. van Paschen tot Paschen telde; beleven, waarschijnlijk eene verknoeiing van beneven, dat veelvuldig als stoplap voorkomt.
prepostterug  begin  verder