die in het machtige huis van Bourgondië een steun hoopte te vinden tegen zijn vijanden: Zweden en de Hanze. Een jaar later vertrok de jonge koningin naar Denemarken.
In het voorjaar van 1523 werd Christiaan II door zijn volk verdreven en vluchtte met Isabella en zijn kinderen, den Kroonprins Johan en de Prinsessen Dorothea en Christina naar ons land. Hij hoopte, dat zijn machtige zwager, Karel V, hem helpen zou om zijn troon te herwinnen, maar deze, die destijds in Spanje vertoefde, kon zich weinig met de zaak bemoeien. Christiaan en Isabella reisden nu zelf naar Engeland en Duitschland om ondersteuning te vragen, terwijl hun kinderen bij de landvoogdes te Mechelen bleven. In 1525 vestigde het gezin zich te Lier, waar hun een woning (nog Het Hof van Denemarken geheeten), een maandgeld en een eerewacht werden toegewezen. Isabella, wier gezondheid door het ondervonden leed ernstig was geschokt, trok zich op 6 December van hetzelfde jaar met de haren terug op het kasteel van den abt van St.-Pieters te Zwijnaerde bij Gent, waar zij 19 Januari overleed.
Het lied ‘Van die coninghinne van Denemercken’, waarin het afscheid, dat Isabella van haar man en bloedverwanten neemt1, wordt geschilderd, komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 189, no. CXXV) en in Een Aemstelredams, Amoreus liedtboeck, nu nieus wtgegaen, waer in begrepen zijn alderhande Liedekens, die in geen ander Lietboecken en staen, meest almet zijn voys oft wijse daer bi gestelt om alle droefheyt, melancolie te verdryven. 15892, blz. 132 hier met de wijsaangifte: Hoort hoe Jesus na galileen3. De tekst is in beide bijna volkomen gelijk, het lied is hier uitgegeven naar het Antw. Liederboek. Geen van onze historische volksliederen is blijkbaar zoo populair geweest als dit: ik trof het nagenoeg honderdmaal als wijsaangifte aan, het eerst in de Veelderhande gheestelicke Liedekens enz., 15584,
het laatst in De Geestelijke Goudschaele, Leeuwarden, 17511. Naast of verbonden met de wijsaangifte ‘O rat van avontueren’ komt spoedig de foutieve ‘van den Coninck van Denemercken’ (nooit ‘van de Coninghinne’), die ik het eerst vond in het eerste deel van de Veelderhande Liedekens, Ghedaen Ter Liefden Van Maeyken Tijssen, 1598 (doch van 15592. Te zamen met de wijsaangifte ‘van den coninck van Denemercken’ komt nog een derde voor: ‘van den linden smit3, welke verbinding ik 't eerst aantrof in de Veelderhande Liedekens, gemaect wt den Ouden ende Nieuwen Testamente, die voortijts in Druck zijn wtghegaen: Waer toe noch diuersche Liedekens gestelt zijn enz., 15824
De melodie is te vinden bij J. Fruytiers, Ecclesiasticus, Antw. 1565, blz. 48; in Een devoot ende Profitelyck Boecxken, no. CXXIV en in Het Prieel der gheestelicker melodiie, Antw. 1617, 1620 en 16425.
Bronnen: J.J. Altmeijer, Isabelle d'Autriche et Christiern II in Trésor national I, Brussel 1842; Willems, Isabella van Oostenrijk, Belg. Mus. II, 1838, voornamelijk ontleend aan eene verhandeling van Meerman, verschenen in de Verhandelingen der tweede klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut.