Nadat Frans I den vrede van Madrid schandelijk verbroken had, begon het volgend jaar de oorlog opnieuw. Ook nu was Karel van Bourbon 's Keizers opperbevelhebber, die vlug in Italië viel, voordat nog Frans er zijn troepen heen kon voeren. Na de inneming van Milaan trok Bourbon naar het Zuiden, verlangend Italië voorgoed aan Karel V te onderwerpen. Om aan zijn muitende soldaten te voldoen, rukte hij eerst in de richting van Florence op, maar de komst van de troepen van Frans' Italiaansche bondgenooten dwong hem plotseling van plan te veranderen. De soldaten, wien reeds iets ter oore gekomen was van den wapenstilstand, dien Lannoy, onderkoning van Napels en aanvoerder van het Spaansche deel van het keizerlijke leger, met den Paus gesloten had, eischten nu nog dringender de hun beloofde plundering, zoodat Bourbon hen ternauwernood in toom kon houden. Zonder aarzelen besloot deze nu tot een plan, dat in de oogen van bijna geheel Europa even vermetel als goddeloos was: de plundering van Rome. Met snelle marschen bereikte het leger den 5den Mei de vlakte voor de stad. Vanhier wees Bourbon zijn soldaten op de prachtige paleizen en kerken, en beloofde hun, tot loon voor de doorgestane ontberingen, al de daar opgehoopte schatten. In den vroegen morgen van den 6den Mei begon de eerste bestorming. Bourbon, besloten dien dag te overwinnen of te sterven, verscheen volledig gewapend aan het hoofd van zijn troepen, en had, om voor vriend en vijand kenbaar te zijn, een wit bovenkleed over zijn harnas aangetrokken. Zelf voerde hij zijn mannen bij het beklimmen der wallen aan, doch ondervond hevigen tegenstand. Begrijpend, dat alles van een goed voorbeeld afhing, ontrukte hij aan een soldaat een ladder en beklom daarmee den wal, terwijl hij de zijnen tot volgen aanvuurde. Onmiddellijk daarop werd hij door een kanonskogel doodelijk getroffen, doch behield genoeg tegenwoordigheid van geest om te verzoeken, dat men zijn dood zoo lang mogelijk geheim zou houden. Toch ver-
spreidde zich het nieuws, maar, wel verre van zijn soldaten te ontmoedigen, wakkerde het hun strijdlust aan, en weldra drongen zij de stad binnen.
Volgens eene andere beschrijving van 3 Juni 1527 van de inneming van Rome1 is Bourbon na zijn verwonding nog gedragen naar eene naburige kapel en heeft daar gebiecht. Dit wordt bevestigd door een schrijven van Bourbon's biechtvader van Juni 1527 aan den Keizer. Bij laatste beschikking had de connétable dezen opgedragen Karel V zijn verontschuldigingen aan te bieden voor het optrekken naar Rome en de ongeregeldheden, die daaruit konden voortvloeien.
In het liedje, dat door een der medestrijders gedicht moet zijn, wordt eerst het droevig feit van Bourbons sterven genoemd, maar reeds in de tweede strofe wordt deze sprekend ingevoerd. Hij herinnert aan al de overwinningen, die hij voor den Keizer behaald heeft: bij Pavia, waar hij den Franschen Koning gevangen nam; aan de inneming van Milaan, trots de hulp door den Paus en de Venetianen aan de belegerden gebracht; ten slotte aan de bestorming van Rome, waarbij hij ‘deerlijcken doorschooten’ werd. Dan neemt hij met de gebruikelijke adieu's afscheid van Keizer Karel, met wien hij het betreurt nu geen kruistocht meer te kunnen ondernemen, en van de andere heeren, onder wie Joris van Saksen en de Onderkoning van Napels met name genoemd worden2. Daarop neemt de dichter weer het woord, schetst de droefheid der heeren en roemt de trouwe diensten van Bourbon, in wien hij en de zijnen hun toeverlaat verloren hebben. In de slotstrofe wordt in één adem met Bourbon Wassenaar geprezen, die, eveneens voor den Keizer strijdend, het leven verloren had. Deze Jan II van Wassenaar, Burggraaf van Leiden, vergezelde reeds als
knaap Filips den Schoonen naar Spanje, werd gewond, toen hij voor Maximiliaan de Venetianen bestreed, steunde daarna Karel V in al zijn verwikkelingen met de Friezen, Gelderschen en Stichtenaren, en onderwierp ten slotte als stadhouder van Friesland dit gewest aan 's Keizers macht. Bij de belegering van een der laatste sterkten, Sloten, werd hij doodelijk gekwetst, tengevolge waarvan hij 4 December 1523 stierf. Waarschijnlijk had de landsknecht, die den dood van Bourbon bezong, vroeger onder Wassenaar gediend en kwam de herinnering aan dezen door dit sterven weer bij hem op.
Het lied is te vinden in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 315, no. CCIV) en in hs. 14275 van de Kon. Bibliotheek te Brussel, fol. 60r (dat later is ingevoegd). De tekst van beide is nagenoeg woordelijk dezelfde. In hs. 14275 zijn sommige plaatsen onleesbaar, de titel luidt hier: Een nieu l(ie)deken vanden doot des hertoochs van Borbon. Naar dezen tekst gaf Willems het uit in zijn Oude Vlaamsche Liederen. Het lied is hier uitgegeven naar den tekst van het Antwerpsche Liederboek met vermelding van de afwijkingen van den anderen tekst.
Bronnen: Von Schwartzenau, Der Connétable Karl von Bourbon, Berlin 1852; Robertson, The reign of the emperor Charles V, blz. 441 vlgg.; Mignet, Rivalité II, blz. 318 vlgg.