terug  begin  verderprepost
[p. 165]

1527.
XXX. Een nieuwe Lijdeken van Romen ende van Borbon.

Dit lied heeft op dezelfde gebeurtenissen betrekking als het voorgaande ‘liedeken van Borbon’, doch is geen treurlied op diens dood, welke hier niet vermeld wordt, doch een blij vreugdelied over de onderwerping van Italië aan den Keizer. Veel is na de eerste bestorming van Rome reeds gebeurd: de stad is ingenomen en de Paus op den Engelenburg gevlucht, maar ook daar door zijn vijanden belegerd. De onderhandelingen, den 6den Mei door hem aangevangen, hebben ruim eene maand later tot gevolg gehad, dat hij zich met de hem trouw gebleven kardinalen in gevangenschap heeft overgegeven.

Deze mededeeling en die van de geboorte van 's Keizers zoon Filips, welke op 21 Mei plaats greep, wijzen erop, dat het liedje niet vóór half Juni gedicht kan zijn. In strijd met de geschiedenis is de vermelding van de inneming van Bologna en Florence.

Het lied komt voor op fol. 218v van hs. 10951 op de Kon. Bibl. te Brussel. Volgens opgaaf van Prof. De Vreese is het schrift minstens een halve eeuw jonger dan het lied zelf.

De melodie is te vinden in de Souter Liedekens, Thantwerpen, 15401; psalm 44; bij J. Fruytiers, Ecclesiasticus, Antw. 15651, blz. 55 en J. Stalperts Gulde-Jaers Feest-Dagen, Antw. 16351, blz. 294 (hier met de woorden van ps. 44 van de Souter Liedekens). Al deze lezingen worden meegedeeld door Fl. van Duyse, Het oude Nederlandsche Lied, I, blz. 412-415.

 

Bronnen: Robertson, Tbe reign of the emperor Charles V; Mignet, Rivalité II; L. von Ranke, Deutsche Geschichte im Zeitalter der Reformation, Berlin 1852, II, blz. 318.

[p. 166]

1527.
Een nieuwe Lijdeken van Romen ende van Borbon.

Op den voys: die vogelkens inder muyten.
1
Wij moghen wel vruecht hantieren1
 
Ende singen een vrolic liet,
 
Processie gaen ende vrolic vieren3
 
Van datter cortelinge is gesciet;
 
Al van der victorien scoone,
 
Dat machmen met oogen aensien,6
 
Ich bidde Jhesum wten throone,7
 
Dat hij beware dat Keyserlic engien.8
 
 
2
Alonscaut heeft ghescreven,1
 
Al vanden Keiser ghepropheteert,
 
Dat van hem wonder soude sijn bedreven,
 
Die Fransche croone soude sijn verneert.
 
Ende heel Ytalien mede,
 
Het blijct voor ooghen claer,
 
Ende Romen, die scoone stede,
 
Het en gebuerde noyt in duysent jaer.
 
 
3
Graeff Joris wt Sassen coone1
 
Is so verre in dat Lombartsche lant,
 
Hij geeft den Venetsianen so veel te doene
 
Met roof ende daertoe brant.
 
Hij gaet die boeren al bedwijnghen,
 
Ter eeren den Keyser soet,6
 
Sij moeten tegen hem verdingen,7
 
Oft hij steltse al inden gloet.8
[p. 167]
4
Belongien hebbense in ghecregen1
 
Ende Florencien dier ghelicke;
 
Die ander steden en hielden niet tegen,
 
Die knechten worden alle rijcke.
 
Die Paus heeft dat vernomen,
 
Die knechten hielden ghemeyn,6
 
Voor Romen sijn sij ghecomen
 
Met Borbon, een vroom capiteyn.
 
 
5
Borbon met sijnen knechten,
 
Die hebben dat oorden ghestelt,2
 
Romen ghingen sij bevechten,
 
Tegen den Paus, met groet ghewelt.4
 
Men gincker houwen ende kerven,
 
Het duerde drie dage lanck,
 
Die veygen moesten sterven,7
 
De Paus nam sijnen ganck.8
 
 
6
Die Swijtsers ghinghen strijken,1
 
Borbons macht was so groot,
 
Die Romeynen moesten wijken,
 
Die Paus op Engelenborch vloot.
 
Sy hebbent casteel belegen5
 
Met machten al soo fier,6
 
Den Paus hebben sij ghecregen
 
Met so mennigen prisonier.
 
 
7
Nu danct God van hier boven,
 
Nog meerder vruecht is ons gesciet:2
 
Een jonge prince van groeten loven,3
 
God wil hem behueden voor verdriet,
 
In Spangen is hij ons gheboeren.
[p. 168]
 
Voor Gode moet hij sijn bequame,6
 
All hebbens die Fransoysen tooren,7
 
Coninck Philips is sijnen name.
 
 
8
Ich segge in duysent jaeren
 
Machtiger Keyser was noyt gesien,
 
Nu sal hij te Romen gaen varen,
 
Van daer naer Turkien!4
 
Wij mogen wel vruecht bedriven:
 
Sijn vianden liggen onder de voet,6
 
‘Plus oultre’ mach hij wel scriven,7
 
Karolus, dat Keyserlick bloet.8
1Bibliotheek Scheurleer.
1Bibliotheek Scheurleer.
1Bibliotheek Scheurleer.

1hantieren, bedrijven.
3vieren, feest vieren.
6mach, kan.
7wten throone, in den hemel.
8engien, vernuft.
1Alonscaut, misschien Aloncius, ofschoon dit niet in het hs. staat, maar de naam kan verknoeid zijn; zie over hem blz. 138.
1coone, koen.
6soet, bemind.
7zij worden gebrandschat.
8of hij steekt al het hunne in brand.
1Belongien, Bologna; in ghecregen, ingenomen.
6hielden ghemeyn, hielden vereenigd stand.
2oorden, slagorde.
4ghewelt, macht.
7veygen, veegen.
8nam sijnen ganck, ging weg.
1de Zwitsers gingen op den loop; de paar honderd Zwitsers, die de stadspoorten bewaken moesten, werden gemakkelijk teruggedrongen.
5belegen, belegerd.
6machten, strijdkrachten; fier, dapper.
2meerder, grooter.
3van groeten loven (epitheton ornans), zeer geëerd.
Lezingen van het handschrift. De eenige hoofdletters, die er, behalve in het begin der versregels in voorkomen, zijn: 1, 7: Jhesum; 2, 8: Jaer; 3, 1: Joris; 4, 7: Romen; 8, 1: Jaeren. De tekst heeft: 1, 1: hanteren; 3, 8: glot; 8, 7: weel. Onder het lied staat geschreven finis.
6bequame voor, welgevallig voor het aangezicht van.
7al doet het den Franschen leed.
4wensch, dat Karel de zoo gevreesde Turken zal verslaan.
6liggen onder de voet, zijn onderworpen.
7‘plus oultre’, het devies van Karel V.
8bloet, persoon, zonder minachtende bijbeteekenis.
prepostterug  begin  verder