terug  begin  verderprepost

1528.
XXXI. Van den Hertogh van Gelder.

Willems, die dit lied in zijne Oude Vlaamsche Liederen uitgaf, stelde het op het jaar 1516; Liliencron (III blz. 205) hield het niet voor een lied, dat op een bepaald feit betrekking had, al acht hij 't jaartal 1517 beter dan 1516. Eene kleinigheid, die hun beiden ontsnapte, maakt voor ons de juistheid dezer dagteekening twijfelachtig: in de slotstrofe is sprake van den Keizer en vóór 1519 droeg Karel V, die hiermee bedoeld wordt, dezen titel niet. Wat den inhoud van het liedje betreft, de Bourgondische knechten komen zich op den Gelderschen Hertog wreken over den buit, dien deze op de Hollanders behaald heeft, en vergeefs smeekt de Hertog den

[p. 169]

Franschen Koning om krijgshulp tot het herwinnen van zijn verloren sloten. Gaan wij na, wanneer na 1519 dit feit kan zijn voorgevallen, dan komt het mij zeer aannemelijk voor, dat dit lied de herinnering bewaart aan de wraakneming der Hollanders over Maarten van Rossems brutale plundering van 's-Gravenhage op 6 Maart 1528. Nadere bijzonderheden hiervan zijn: Hendrik van Beieren, de in 1524 gekozen bisschop van Utrecht, was niet opgewassen voor zijn taak. Hevige onlusten braken onder zijn bestuur uit, die door Karel van Gelder nog werden aangewakkerd; in Augustus 1527 werd zelfs in Utrecht een Geldersch garnizoen gelegd, terwijl het Oversticht reeds met Geldersche benden overstroomd was. Toen stelde de landvoogdes alles in het werk om de Gelderschen uit het Overen Nedersticht te verdrijven: van Overijsel drong George Schenk de Veluwe binnen en van Holland rukte de Graaf van Buren aan. Op dit tijdstip ondernam Maarten van Rossem, die voor Karel van Gelder in Utrecht het bevel voerde, een strooptocht naar 's-Gravenhage, waarbij een groote buit gemaakt1 en een aanzienlijk dael der stad in asch gelegd werd. Deze daad veroorzaakte een hevigen schrik in Holland, waar men zich nu tot de uiterste krachtsinspanning gereed maakte: de Graaf van Buren drong met een aanzienlijk versterkt leger de Veluwe binnen en bedreigde Karels hoofdstad Arnhem. Ook in Utrecht werden de kansen voor den Hertog minder: zijn troepen sloegen er aan het muiten en den 30sten Juni werd de stad door de Bourgondiërs verrast. Hiermede ging het Nedersticht voor Gelre verloren, op Franschen steun viel bovendien niet meer te rekenen, nu Frans I en Karel V de voorloopige onderhandelingen voor den vrede van Kamerijk hadden aangevangen. Zoo moest de Geldersche Hertog bij den vrede van Gorkum van 3 October 1528 zijn bondgenootschap met Frankrijk opgeven en zich aan den Keizer onderwerpen.

Wat de reis van den Hertog van Gelder naar Frankrijk betreft, deze mag op rekening van de fantazie des dichters

[p. 170]

of liever van het volk gesteld worden. Gaat men na, welke verhalen nog in onzen tijd bij een eenigszins geruchtmakend feit onder het volk rondgaan, dan kan het ons niet verwonderen, dat in de zestiende eeuw het praatje, als zou Karel van Gelder spoorslags naar Frankrijk gereden zijn, om bij zijn ouden bondgenoot steun te zoeken, geloof vond.

Het lied, dat waarschijnlijk uit het Duitsch vertaald is (zie de rijmen uit strofe 1 en 2: huys, uyt; lach, sprack) komt voor in Het Haerlems Oudt Liedt-boeck, Tot Haerlem, Ghedruckt by Vincent Casteleyn z. j.1 blz. 43 en in het Haerlems Oudt Liedt-Boeck, Den Seven-en-twintighsten Druck. t' Amsterdam 17162, blz. 70 (hier zonder wijsaangifte). De tekst is in beide uitgaven nagenoeg dezelfde; het lied is hier uitgegeven naar den ongedagteekenden druk met vermelding van de plaatsen, waarin de zevenentwingste druk afwijkt.

Als wijsaangifte trof ik ‘Hertogh van Gelder bent gij 'er in huys’ aan in Het Evangelische Vis-Net, bevattende sommige veranderde Liedjes uyt het zelve, andere uyt de Evangelische Triumph-Wagen, Zingende Zwaan en anderen. Amsterdam z. j. Erfgen. van de Wed. C. Stichter3; ook in den druk van 1741.4 In beide uitgaven vond ik onder deze wijsaangifte staan: De Nooten no. 38. Dit bracht mij op het vermoeden, dat er mogelijk van dit liederboek een uitgaaf met muziek bestaan heeft, en dat nu in latere drukken de verwijzing naar de muziek was blijven staan, terwijl deze zelf was weggelaten. Het is mij echter niet gelukt eene dergelijke uitgave terug te vinden; onder de door Roes genoemde drukken5 komt zij niet voor.

 

Bronnen: Gedenkschriften van Jhr. Herberen van Mijnden, Bijdr. en Meded. v. h. Hist. Gen. 11; Bellum Trajectinum Henrico Bomelio autore, Werken v. h. Hist. Gen. 28.

[p. 171]

Van den Hertogh van Gelder;

Stem: Todos los demas huombres.
1
O, Hartog van Gelder, bent gyer in huys,
 
So steeckter u hooft te vensteren uyt,
 
In alsoo koelen Meye;
 
Gy hebter de Hollantsche koeyen gehaelt,
 
Wy komen om gelt, schict dat gyse betaelt5
 
Oft brenght se weer ter weyden, Weer, etc.
 
 
2
Den Hertogh al op zijn bedde lach,
 
En hy al tot zijn schilt-knecht sprack:
 
‘Wat hoor ick daer voor knechten?’
 
Hy seyde: ‘Wel Edel Heere goedt,
 
Dat isser Bourgoigne, dat edel bloedt,
 
Bourgoigne algemeyne, groot en kleyne.’
 
 
3
‘Nu zadelter my mijn beste paert,
 
Mijn harnas en mijn blancke swaert,
 
Naer Vranckrijck wil ick rijden,
 
Den Coning, dat isser mijn vrient so groot,
 
Ick hebber so lange ghegeten zijn broot,5
 
Hy laet my noyt in lijden, t' geenen tijden.
 
 
4
Alsser den Hertog in Vranckrijck quam,
 
Den Coningh van Vranckrijck dat haest vernam:
 
‘Weest welkom, hoog gebooren,
 
Ick sieder aen uwe bruyn oogen soo wel,4
 
Dat lantjen van Gelder dat leyter rebel,
 
Het gaet met u verlooren, jae verlooren.
 
 
5
‘O Koninc van Vranckrijc, mijn lieve neef,
 
Ick souder u bidden om eenen beed,
 
Om twintigh duysendt knechten,
[p. 172]
 
Daer sou ick mee trecken nae Gelderlant,
 
En winnen mijn sloten aen elcken kant,5
 
Wy souden so lustig vechten mette knechten.’
 
 
6
‘O Hertog van Gelder, dat doen ick niet,
 
Ic mochter mijn brengen in swaer verdriet,
 
In alsoo grooten ellende,
 
Den Keyser, dat isser soo machtigen man,
 
Mocht teghen my nemen een oorlogh an,5
 
Bourgoigne algemeyne, groot en kleyne.

1Herberen van Mijnden, blz. 32: Ende daer vercreghen die Gheldersce ghroot schat, ghelt ende ghoedt sonder ent, dat niet te estimeren en was, ende veel ghoeder ghevanghen.
1Zie blz. 24, aanm. 2.
2Gent, Univ.-Bibl.; in afschrift bij den Heer Scheurleer.
3De erfgenamen van de Wed. Corn. Stichter drukten van 1718-1743.
4Beide in het bezit van den Heer Scheurleer.
5Zie blz. 14.

5schict, zorgt.
5herinnering aan Karels vijfjarige gevangenschap in Frankrijk (1487-'92).
4Blijkbaar eene navolging van andere liederen, waar de versregel meer op zijn plaats is, b.v. Hor. Belg. XI, no. LXII, 15, 2.
Varianten van het Haerlems Oudt Liedt-Boeck, Den Seven-entwintighsten Druck, t'Amsterdam. 1716. 1, 5: Sij komen enz. 2, 2: En tot den schiltknecht sprack: 3, 1: Nu zadelt my; 6: Hij laet mij in het lijden, - t'gen tijden. - 4, 2: De koningh dat ook haest vernam. 6, 2: mij; 5. den oorlogh.
5aen elcken kant, aan alle kanten.
5aennemen, hier: aanvangen.
prepostterug  begin  verder