In Maart 1534 was de bisschop van Munster begonnen zijn stad, die zich toen reeds langer dan een jaar in de handen der Wederdoopers bevond, te belegeren. Na lang dralen besloot hij den 21sten Mei tot het bombardement over te gaan en, toen dit vijf dagen geduurd had, zou op den avond van den 25sten Mei - den tweeden Pinksterdag - met den aanval begonnen worden. De Geldersche landsknechten, die door 't gebruik van geestrijken drank hun moed hadden
trachten te verhoogen, vielen nog vóór 't bevel aan en werden door de belegerden zonder moeite teruggedreven. Toen op het bepaalde uur de aanvallers oprukten, kwamen zij in botsing met deze verslagenen, waardoor groote verwarring ontstond. Het gelukte den bestormers echter op verscheidene punten de stormladders tegen de muren te plaatsen. Maar zij ondervonden een zoo krachtigen tegenstand, dat zij na een gevecht, waarin tweehonderd hunner zouden gesneuveld zijn, met achterlating der bestormingswerktuigen den terugtocht moesten aanvaarden. Het liedje op deze bestorming is, zooals wij het kennen, vrij verward en schijnt onder den invloed gekomen te zijn van een ander, Nederduitsch lied, door Liliencron III, onder no. 358 meegedeeld. Zoo heeft het hieraan waarschijnlijk de geheele eerste strofe ontleend, die er oorspronkelijk wel niet zal bijbehoord hebben. Waar de Duitsche tekst aan den Nederlandschen beantwoordt en dien opheldert, heb ik dezen aan den voet der bladzijde vermeld.
Het lied is bewaard in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 253, no. CLXVIII). Als wijsaangifte komt ‘van den storm van Munster’, ‘van den slach van Munster’ of kortaf ‘van Munster’ voor; alleen in Een nieu Gheestelijck Liedtboecxken, twelck noch noyt in Druck gheweest en is, Wt den Ouden ende Nieuwen Testament ghemaect, van een blinde Dochter, genaemt Soetken Gerijts, van Rotterdamme gheboren, enz., 15921, evenals in de herdrukken van 16182 en 16323 trof ik de volledige wijsaangifte aan:
Vooral in de tweede helft der zestiende eeuw komt de wijs zeer dikwijls voor, o. a. in Een nieu Geusen Lieden Boecxken, Anno 15814; in de Veelderhande Schrifturelijke Leysenen ende Gheestelijcke Liedekens alle Menschen tot devotie verweckende T' Hantwerpen, bij Martinus Verhulst z. j., Approb. 15875; en in de Schriftuerlicke Liedekens, met noch sommighe
Lofsangen ende Ghebeden, van nieus vele vermeerdert, ghebetert ende ghestelt op A.B.C., Leyden 15951. Het eerst trof ik haar aan in de Veelderhande gheestelicke Liedekens, 15582, het laatst in Het Geuse Liedboek, Tot Utrecht. 1683.3
De melodie vindt men in de Souter Liedekens, 15404, ps. 83, aldaar met de woorden: Te munster staet een steynen huys5; en evenzoo bij J. Fruytiers, Ecclesiasticus, Antw. 1565, blz. 46.
Bronnen: Dr. Ludwig Keller, Gesch. der Wiedertäufer, blz. 255; Monographien zur Weltgeschichte VII, Die Wiedertäufer.