De wensch naar een troonopvolger bewoog Hendrik VIII na een twintigjarige echtvereeniging met Catharina van Arragon den Paus om echtscheiding te verzoeken. Clemens VII weigerde echter uit vrees voor Catharina's machtigen neef: Keizer Karel V. In 1531 ging het hof van Greenwich naar Windsor, waar Hendrik zijn gemalin verliet. Twee jaar later besloot de Koning niet langer op een beslissing van den Paus te wachten, maar zichzelf tot hoofd der Katholieke kerk in Engeland te verheffen, waarop een rechtbank van geestelijken
zijn huwelijk onwettig verklaarde. Hij was toen reeds in het geheim gehuwd met Anna Boleyn, die weldra tot Koningin werd gekroond. Karel V, die eene ernstige botsing met Engeland wilde vermijden, kwam niet tusschenbeide.
Kort hierop moest Catharina van Windsor verhuizen naar Buckden in Huntingdonshire, een woonplaats van den bisschop van Lincoln. Zij bleef hier maar kort, want uit vrees, dat zij naar het vasteland zou ontsnappen om daar den oorlog te beginnen, wees men haar reeds in het voorjaar van 1534 Kimbolton als residentie aan. Een jaar daarna begon hare gezondheid merkbaar achteruit te gaan, en op het einde van 1535 konden de geneesheeren geen hoop meer geven. In de eerste dagen van 1536 scheen het onmiddellijk gevaar geweken, doch weldra greep een plotselinge verandering plaats. In den morgen van den 7den Januari bad de Koningin God vergiffenis af voor haar gemaal en ontving uit de handen van haar biechtvader Ateca, die uit Spanje met haar meegekomen en steeds bij haar gebleven was, het laatste oliesel; te twee uur trad het einde in.
Medelijden met de ongelukkige tante van zijn vorst bezielde den dichter tot dit sterflied. Vol verontwaardiging schildert hij de wreedheid des Konings:
Daarop volgt de mededeeling, hoe de Koning met een andere getrouwd is, en de verstooten gemalin uit droefheid hierover is ziek geworden. In ‘een bisschops hof’ heeft zij troost gezocht en gevonden, doch geen genezing voor het leed, dat haar 't leven heeft gekost. Bedoeld moet hier zijn Buckden in Huntingdonshire, de woonplaats van den bisschop van Lincoln, waarheen Catharina in 1534 verhuisde. Verder wordt vermeld, hoe de bisschop van Colete (hiermee moet Ateca, bisschop van Llandaff bedoeld zijn) in de laatste uren niet van haar zijde week, en haar het sacrament toediende. In de volgende strofen wordt de Koningin sprekende ingevoerd. Zij roept een vaarwel toe aan haar gemaal, voor wien zij
(in overeenstemming met de geschiedenis) om vergiffenis bidt, van haar (niet verder aangeduide) vrienden en van de kinderen harer krankzinnige zuster Johanna: Keizer Karel V, den Roomsch Koning Ferdinand, de landvoogdes Maria en Eleonora van Frankrijk1. Strofe 7 vs. 5-9 is blijkbaar bedorven. Is de bedoeling, dat Catharina en Eleonora elkander gesproken hebben te Kamerijk, bij welke gelegenheid de eerste aan haar zuster haar nood geklaagd heeft? Van een dergelijke samenkomst heb ik niets kunnen opsporen, ook niet dat deze plaats had bij Eleonora's huldiging tot Koningin. Eleonora is trouwens in 1530 uit Spanje naar Frankrijk gereisd, te St.-Dénis gekroond en heeft daarop haar intocht in Parijs gehouden; Kamerijk heeft zij dus op haar weg niet bezocht.
Vreemd is het, dat de dichter Catharina geen afscheid doet nemen van haar dochtertje Maria, wier bestaan hij dus niet schijnt gekend te hebben. De slotstrofe noemt als datum van overlijden 8 Januari2 en bevat een bede voor de ziel.
Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 281, no. CLXXXIV).
Bron: J.A. Froude, The divorce of Catharine of Aragon, Londen 1897.