Den 10den Maart 1526 was Karel V te Sevilla getrouwd met Isabella, dochter van Emanuel den Grooten van Portugal. Uit dit huwelijk werden geboren: Filips, Maria, die met den Aartshertog Maximiliaan en Johanna, die met den Infant van Portugal gehuwd is. Een tweede zoontje, in 1537 geboren, stierf reeds een jaar later. Den 21sten April 1539 bracht
de Keizerin een dooden zoon ter wereld, waarna haar levenskrachten snel afnamen. Karel V week niet van haar ziekbed, en toen de artsen geen hoop meer gaven, deelde hij haar dit mede, opdat zij aan haar zieleheil zou denken. Kalm verzocht Isabella daarop om de zegeningen van den godsdienst; zij stierf op den middag van den eersten Mei, zes en dertig jaar oud.
Het lied prijst vooral de liefdadigheid der overledene, in wie de armen van Spanje onnoemelijk veel verliezen, en vermeldt ook de bijzonderheid, dat haar zoon Filips altijd om en bij haar was, zelfs toen zij het H. Sacrament ontving. Daarna laat de dichter haar met de gebruikelijke adieu's afscheid nemen van haar kinderen, van welke alleen Filips hem met name schijnt bekend geweest te zijn; van haar broeder, Jan III van Portugal; van haar schoonbroeder Ferdinand van Oostenrijk; van haar gemaal en van haar schoonzusters Eleonora van Frankrijk en Maria, de koninginweduwe van Hongarije. Onder aanroeping van Jezus beveelt de Keizerin haar geest Gode aan en sterft. Het lied besluit met de schildering van de droefheid van de omstanders en een bede voor de ziel. De plaats van overlijden (Toledo) en de datum (‘op die Meydach’) worden erin vermeld.
Het liedje komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 286, no. CLXXXVII).
Bronnen: Robertson, Hist. of the reign of the emperor Ch. V., blz. 416 vlgg.; Baumgarten, Gesch. Karls V, 1892, II, blz. 475 en III, blz. 361.