Na den mislukten tocht van Karel V tegen Algiers in het najaar van 1541, achtten zijn vijanden het oogenblik geschikt voor een inval in de Nederlanden. Willem van Kleef, die in 1538 Karel van Egmond in Gelderland was opgevolgd, zou de Noordelijke en Oostelijke gewesten binnendringen en zich daarna vereenigen met het Fransche leger, dat in het
Zuiden zou vallen, terwijl Denemarken op zee den Hollanders afbreuk zou doen. In het midden van den zomer van 1542 trok Maarten van Rossum, wiens naam als veldheer velen zich onder de Geldersche banier had doen scharen, op naar Luik, en verzocht door dit land te mogen trekken onder voorwendsel van Johanna van Albret, de bruid van Willem van Kleef, te gaan afhalen. Natuurlijk was het antwoord een weigering, waarop Van Rossum Brabant ging plunderen en ten slotte op Antwerpen aantrok. Deze stad bevond zich juist met het oog op een beleg in zeer ongunstige omstandigheden: de oude vestingwerken waren geslecht en de nieuwe nog verre van voltooid. De magistraat nam echter alle mogelijke maatregelen en verzocht den markgraaf Réné van Châlons, Prins van Oranje, die zich op dit tijdstip te 's-Gravenhage bevond, met troepen in de stad te komen. Maarten van Rossum wist Réné's antwoord te onderscheppen en wachtte zijn leger bij Eeckeren in een hinderlaag af. Dit werd den 24sten Juli verslagen, maar toch gelukte het den Prins van Oranje nog dienzelfden avond met een vrij aanzienlijk overschot Antwerpen binnen te trekken; ook Maarten van Rossum was inmiddels voor de stad verschenen. Den 25sten Juli deed deze veldheer Antwerpen opeischen voor de koningen van Frankrijk en Denemarken, waarop de magistraat antwoordde, dat zij geen anderen souverein kende dan den Keizer en Maarten van Rossum als een rooverhoofdman beschouwden.
Voor beide partijen ging verder de dag in afwachting voorbij: de Antwerpenaars hadden te weinig macht om zich op het vlakke veld met hun vijanden te meten en deze misten de noodige artillerie voor een beleg. Nog twee dagen bleven de Gelderschen voor Antwerpen liggen; in den morgen van den 27sten Juli braken zij 't beleg op, iets, waarop de Antwerpenaars zoo weinig voorbereid waren, dat zij op het gezicht van het leger, dat zich in beweging stelde, allereerst aan een aanval dachten, en zich aanstonds tot verdediging gereed maakten.
Weinig blijkt van deze omstandigheden uit het vlugge liedje, waarin de Bourgondische landsknechten hun blijdschap over den aftocht uiten, en, begrijpelijkerwijze, op een vrijwat
fierder toon dan zij in werkelijkheid hebben kunnen voeren. Bijzonderheden worden er niet in vermeld; alleen bevat de slotstrofe eene waarschuwing tegen verraders: inderdaad was te Antwerpen een samenzwering ontdekt en waren twee burgers, die aangeraden hadden de stad over te geven, als verdacht van verraad, opgehangen. Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 269, no. CLXXVII).
Bron: Henne, Hist. du règne de Charles V, VII, blz. 315 vlgg.