Toen Van Rossum van Antwerpen wegtrok,1 was zijn doel zich in Luxemburg met het Fransche leger te vereenigen en op weg daarheen zooveel mogelijk te plunderen. Zoo verscheen hij den tweeden Augustus ook voor Leuven. Kort te voren had men in deze stad een eskadron ruiters en vijfhonderd infanteristen gelegd, doch ze weer teruggehaald, daar men oordeelde, dat zij in een stad van zoo grooten omvang met in den krijg geheel onervaren burgers toch niets konden uitrichten. Dit was aan Maarten van Rossum ter oore gekomen en hij eischte de stad op voor den Koning van Frankrijk. Vele inwoners, vooral de studenten, wilden strijden, maar de magistraat begon dadelijk te onderhandelen en na lang over en weer praten werd besloten dat Leuven aan Maarten van Rossum vijftig duizend gouden kronen benevens wijn en levensmiddelen voor hem en de zijnen zou geven.
Nauwelijks was deze overeenkomst getroffen, of de vijandelijke soldaten trokken op naar de Brusselsche poort, zoodat men voor een overval vreesde. Terstond hielden nu de studenten met eenige burgers de karretjes tegen, die den wijn reeds zouden overbrengen, en liepen naar de bolwerken om te schieten. Met groote geestdrift werd daar gestreden en zelfs de vrouwen hielpen mee.
Wel deinsde de overheid voor de gevolgen van dezen strijd terug, en liet aanstonds hare verontschuldigingen aanbieden door twee afgevaardigden, die werden gevangen genomen en eerst tegen een hoog losgeld weer bevrijd. Maar de burgers bleven doorstrijden en Van Rossum, die zich niet langer durfde ophouden uit vrees, dat hem de weg naar Luxemburg zou worden afgesneden, trok af, hetgeen de Leuvenaars eerst als een krijgslist beschouwden. Toen de landvoogdes, Maria van Hongarije, de magistraat haar kompliment liet maken, antwoordde deze, dat de eer geheel aan de studenten toekwam, en stelde ter herdenking van dit feit een processie in, waaraan 't gemeentebestuur en de universiteit deelnamen.
Een van de bij deze gebeurtenis meest op den voorgrond tredende clerken - hij had ook behoord tot het gezantschap aan Maarten van Rossum - was Daam van Goes, die zich weinige jaren later als Portugeesch geschiedschrijver een grooten naam heeft gemaakt. Hij gaf te Lissabon ook 't verhaal van dit beleg uit, minder tot een nauwkeurige voorstelling der feiten dan tot eigen verheerlijking.1
Zooals te verwachten is, wijkt de voorstelling van het liedje nogal van de historische af. Volgens dit begonnen de Franschen dadelijk na aankomst de stad te beschieten, waarbij de burgers wel groote verliezen leden, maar, geholpen door de clerken en vrouwen, zich toch kloek verdedigden. Daarna zou Maarten van Rossum door een afgezant zijn voorwaarden hebben kenbaar gemaakt, welke door de burgerij met groote verontwaardiging eenstemmig werden afgewezen(!). Toen 't hun verdroot, dat de vijanden voor de stad bleven liggen, gingen de inwoners op hen schieten, waarop Maarten van Rossum met een verlies van vierhonderd man aftrok.
't Liedje deelt nog de bijzonderheid mee, dat Van Rossum al zijn dooden in een groote schuur liet dragen en met deze verbranden. Ten slotte zegt de dichter, dat geen geweld hen
deren kan, die onder Gods bescherming staan en dat de leeuwenmoed der Leuvenaars hem tot dichten heeft bezield.
Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1543 (Hor. Belg. XI, blz. 303, no. CXCVII).
Bronnen: Henne VII, blz. 381-383; Pontanus, 1639, blz. 826.