terug  begin  verderprepost

1542 (2 Augustus).
XXXVIII. Lied op Maarten van Rossums mislukten Aanslag op Leuven.

Toen Van Rossum van Antwerpen wegtrok,1 was zijn doel zich in Luxemburg met het Fransche leger te vereenigen en op weg daarheen zooveel mogelijk te plunderen. Zoo verscheen hij den tweeden Augustus ook voor Leuven. Kort te voren had men in deze stad een eskadron ruiters en vijfhonderd infanteristen gelegd, doch ze weer teruggehaald, daar men oordeelde, dat zij in een stad van zoo grooten omvang met in den krijg geheel onervaren burgers toch niets konden uitrichten. Dit was aan Maarten van Rossum ter oore gekomen en hij eischte de stad op voor den Koning van Frankrijk. Vele inwoners, vooral de studenten, wilden strijden, maar de magistraat begon dadelijk te onderhandelen en na lang over en weer praten werd besloten dat Leuven aan Maarten van Rossum vijftig duizend gouden kronen benevens wijn en levensmiddelen voor hem en de zijnen zou geven.

Nauwelijks was deze overeenkomst getroffen, of de vijandelijke soldaten trokken op naar de Brusselsche poort, zoodat men voor een overval vreesde. Terstond hielden nu de studenten met eenige burgers de karretjes tegen, die den wijn reeds zouden overbrengen, en liepen naar de bolwerken om te schieten. Met groote geestdrift werd daar gestreden en zelfs de vrouwen hielpen mee.

[p. 194]

Wel deinsde de overheid voor de gevolgen van dezen strijd terug, en liet aanstonds hare verontschuldigingen aanbieden door twee afgevaardigden, die werden gevangen genomen en eerst tegen een hoog losgeld weer bevrijd. Maar de burgers bleven doorstrijden en Van Rossum, die zich niet langer durfde ophouden uit vrees, dat hem de weg naar Luxemburg zou worden afgesneden, trok af, hetgeen de Leuvenaars eerst als een krijgslist beschouwden. Toen de landvoogdes, Maria van Hongarije, de magistraat haar kompliment liet maken, antwoordde deze, dat de eer geheel aan de studenten toekwam, en stelde ter herdenking van dit feit een processie in, waaraan 't gemeentebestuur en de universiteit deelnamen.

Een van de bij deze gebeurtenis meest op den voorgrond tredende clerken - hij had ook behoord tot het gezantschap aan Maarten van Rossum - was Daam van Goes, die zich weinige jaren later als Portugeesch geschiedschrijver een grooten naam heeft gemaakt. Hij gaf te Lissabon ook 't verhaal van dit beleg uit, minder tot een nauwkeurige voorstelling der feiten dan tot eigen verheerlijking.1

Zooals te verwachten is, wijkt de voorstelling van het liedje nogal van de historische af. Volgens dit begonnen de Franschen dadelijk na aankomst de stad te beschieten, waarbij de burgers wel groote verliezen leden, maar, geholpen door de clerken en vrouwen, zich toch kloek verdedigden. Daarna zou Maarten van Rossum door een afgezant zijn voorwaarden hebben kenbaar gemaakt, welke door de burgerij met groote verontwaardiging eenstemmig werden afgewezen(!). Toen 't hun verdroot, dat de vijanden voor de stad bleven liggen, gingen de inwoners op hen schieten, waarop Maarten van Rossum met een verlies van vierhonderd man aftrok.

't Liedje deelt nog de bijzonderheid mee, dat Van Rossum al zijn dooden in een groote schuur liet dragen en met deze verbranden. Ten slotte zegt de dichter, dat geen geweld hen

[p. 195]

deren kan, die onder Gods bescherming staan en dat de leeuwenmoed der Leuvenaars hem tot dichten heeft bezield.

Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1543 (Hor. Belg. XI, blz. 303, no. CXCVII).

 

Bronnen: Henne VII, blz. 381-383; Pontanus, 1639, blz. 826.

Een nyeu Liedeken.
1
In Augusto den tweesten dach,
 
Datmen de stadt van Loven belegen sach2
 
Al van de Fransche knechten,
 
Daer Merten van Rossum sonder verdrach4
 
Die Luevenaers woude bevechten.
 
 
2
Die Fransoysen quamen seer stoutelic aen,
 
Si meynden te Lueven binnen ghaen,
 
Ghelijck een scheper drijft sijn schapen;
 
Sonder slach oft sonder slaen
 
Meynden de Lovensce vroukens beslapen.
 
 
3
Op de veste was menigen stouten clerc,
 
Die vroukens waren neerstich int werck,
 
Aen steenen, aen reepen, aen alle dinghen.3
 
Si spraken: ‘Sijt alle cloec int werck,
 
Wi sullen u ghenoech aen brenghen.’
 
 
4
De Fransoysen schoten hen bussen af,1
 
Die van Loven en achten dat niet een caf,2
 
Die burghers hielden goe hoede.3
 
Al waert dat hen veel volcx beghaf,
 
De schutters waren cloec van moede.
 
 
5
Merten van Rossum, den onverlaet,
 
Hi heeft ghesonden eenen abasaet2
[p. 196]
 
Al aen die burghers ghetrouwe:
 
Hi eyste met woorden seer obstinaet4
 
Tseventichduysent cronen, root van gouwe.
 
 
6
Daer boven eyste hi noch een voor al
 
Van clooten, van bussen, een groot ghetal,2
 
En poeyer met gheheelder ermijen,3
 
En dat hi ses weken sonder gheschal4
 
Wt ende in sou moghen rijen.
 
 
7
Die heeren hebben verstaen dit woort,
 
Die borghers waren seer verstoort:
 
Si enwouden dat niet consenteeren,
 
Si spraken altsamen met een accoort:
 
‘Wi willense declineren.’
 
 
8
Merten van Rossum hen capiteyn,
 
Hi hielt voor de stadt van Loven ghemeyn;2
 
Dat heeft den borghers verdroten.
 
Si riepen: ‘Comt aen, groot ende cleyn!’
 
En si hebben inden hoop gheschooten.
 
 
9
Die Fransoysen waren seer vervaert,
 
Doort schieten is hen den moet beswaert,2
 
Achter rugghe sijn si ghetoghen.3
 
Dus danct God, d[i]e zyn dienaers heeft bewaert,
 
Want het staet doch al in sijn vermoghen.
 
 
10
Merten van Rossum was in grooter noot,
 
Want daer bleeffer meer dan iiij.c. doot;
 
Dies was hi ghestoort van sinne,3
 
Mer in een groote schure, verstaget bloot,4
 
Daer dede hise varen inne.
 
 
11
Die Fransoysen waren seer vervaert,
 
Si hebben al tsamen verbaert:2
[p. 197]
 
Die dooden metter schueren,
 
Die stadt van Loven was hen ontvert,4
 
Dat mochten si wel betrueren.
 
 
12
Als God zijn dienaers helpen wilt,
 
Tegen hem en helpet tswaert noch schilt,
 
Dan alleen in die hant des Heeren.
 
Dus laet ons tot God keeren als ridder milt,4
 
Hi sal hem tonswaert keeren.
 
 
13
Die dit liedeken heeft ghedicht,
 
Sijn hert dat was daer toe verlicht,2
 
Om elcken te vermonden;3
 
Want ghelijck een leeu d[i]e cloeckelijck vicht,
 
Sijn die van Lueven bevonden.

1Zie 't voorafgaande liedje.
1Catal. Serrure no. 1544 vermeldt een Leuvenschen nadruk van 1760: Die waerachtighe gheschiedenisse welcke Damiano à Goës toegecomen is ten tijde als de vianden mit Merten van Rosshem voir Loven waren. Tot Loven, bij de Wed. H. van der Haert, 1760 in 12 cart.
2belegen, belegerd.
4sonder verdrach, zonder uitstel.
3reepen, pekreepen.
1hen, hun.
2niet een caf, geen zier.
3goe hoede, waren bij de pinken.
2abasaet voor ambasaet, afgevaardigde.
4obstinaet, halsstarrig.
2clooten, kogels.
3ermijen, armeye (Fra. armée), leger.
4sonder gheschal, rustig.
2bleef voor Leuven stand houden.
2moet, gemoed.
3achter rugghe, achterwaarts, terug.
3ghestoort, ontsteld.
4verstaget, verstaat het; bloot, hier rijmwoord.
2verbaert (verbarnt). verbrand.
Lezingen van den tekst. 2, 5: te slapen. 5, 4: abstinaet. 9, 4: beswaert.
4ontvert (van ontverren), ontgaan.
4milt, edel.
2verlicht, opgewekt.
3om het iedereen te verkondigen.
prepostterug  begin  verder