terug  begin  verderprepost

1542.
XXXIX. Liedje van Bemoediging tijdens Maarten van Rossums Inval in Brabant.

Door dit liedje tracht de dichter zijn geplaagde landgenooten te bemoedigen met de verzekering van de spoedige terugkomst des Keizers. In het najaar van 1542 werden tal van keizerlijke troepen naar de Maas samengetrokken, en begrijpelijkerwijze hoopte men, dat de Keizer nu weldra zou verschijnen om zich aan hun hoofd te stellen. Het liedje moet ontstaan zijn in den tijd, toen de belegering van Leuven nog versch in het geheugen lag1: in de vierde en vijfde strofe wordt gesmaald op Maarten van Rossum, wien het trots al zijn pogen niet heeft mogen gelukken in deze stad binnen te dringen. In de slotstrofe getuigt de dichter, een Brabander

[p. 198]

van geboorte, die zich nu van het Vlaamsch bedient, van zijn liefde voor den Keizer, wien hij alles, goed en bloed, wil opofferen, en dien hij in al zijn ondernemingen zal bijstaan.

Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 276, no. CLXXXI).

 

Bronnen: Henne VIII, blz. 7 vlgg.; Slichtenhorst.

Een nyeu Liedeken.
1
Die Ghelders ende die Fransoysen,
 
Die sijn daer om bekant,
 
Sy branden ende sy roofden
 
Op dit Bourgoensche lant,4
 
Dwelck ons Keyser was onbekant:
 
Hi was ghevaren al wt zijn lant,
 
Qualijck kost hijt weten,
 
Wat sijn volck hier mocht ghebreken.8
 
 
2
Ons Keyser verhoorde die sprake,1
 
Hoe dat wi waren ghequelt,
 
Hi comt sijne leghere doen maken
 
Voor Cleeflant in dat velt.
 
Hy wilt aenschouwen, cleyn ende groot,5
 
Ende smijten die Cleefsche ende Geldersche doot;6
 
Ghene pays en sal hen baten,
 
Al sou [er] den Aren sijn leven om laten.8
 
 
3
Den Aren is stout int vlieghen
 
Met sijn vedere wijt;2
 
Hi sal den lelyen verdrijven,3
 
Die Ghelders bloeme ter spijt,4
 
Om dat si op ons draghen haet ende nijt.5
 
Sy meynden, wi waren des Keyser quijt,
 
Maer neen, Godt danck den Heere,
 
Hy comet hen den crijch verleeren.
[p. 199]
4
Waer is den verrader ghevaren,+
 
Die lest mael voor Loven was?
 
Het viel hem suer om draghen,
 
Het ransoen, datmen hem daer gaf:
 
Van clooten, van poyere, was een abuys.5
 
Hy moest dan lopen totten coninck huys,
 
Om dat ransioen te draghen,
 
Dat hem die Lovenaers gaven.
 
 
5
Het mosten hem wel seer spijten,
 
Den schellem, den onverlaet,
 
In sijne breydel bijten,3
 
Al om te wreeken sijn quaet,
 
Om dat hi te Lueven niet en binne en quam
 
Met alle sijn verraders lam,6
 
Die hi daer in hadde bescreven
 
En Jochendaelders hadde ghegheven.8
 
 
6
Ghy Borgoensche, en wilt niet trueren,
 
Schafft wederom eenen huepschen moet,2
 
Nae suere comt tsuete1,
 
Al vallet u teghen spoet.4
 
Hebdy verloren eenich goet,
 
Verwacht den Keyser met der spoet,
 
En wilt hem blijven ghetrouwe;
 
Ghi sult winnen die croone van gouwe.8
 
 
7
Maer die dit heeft ghesonghen,
 
Oft diet eerst mael sanck,
 
Hy sprack met Vlaemsche tonghen,
 
Gheboren al in Brabant.
[p. 200]
 
Van blijschap drinckt hy geerne den wijn,
 
Lijf en goet is voor den Keyser fijn;6
 
Wi willent met hem waghen,
 
En bi staen tot alle sijn daghen.

1Zie het voorafgaande lied.
4op, drukt de vijandelijke bedoeling uit.
8ghebreken, ontbreken.
1sprake, gerucht.
5aenschouwen, gadeslaan; cleyn ende groot, in allerlei manieren.
6smijten, slaan.
8den Aren, Karel V.
2wijt, breed.
3den lelyen, de Franschen.
4die Ghelders bloeme? Waarschijnlijk verknoeid.
5draghen op, koesteren tegen; nijt, wrok.
+den verrader, n.l. Maarten van Rossum.
5clooten, kogels; poyere, kruit; abuys, misrekening.
3hij moest zich verbijten.
6lam, machteloos.
8Jochendaelders (waarvan ons daalder een afkorting is), Joachimsthalers, zoo geheeten naar Joachimstal in Bohemen, waarvan het zilver afkomstig was.
2vat weder vroolijk moed.
1l.: tsuete comt nae tsuere.
4al gaat het u niet voorspoedig.
8die croone van gouwe, de gouden eerekrans (als zinnebeeld van eer of roem).
Lezingen van den tekst. 1, 2: ombekent; 5: onbekent.
6fijn, voortreffelijk.
prepostterug  begin  verder