Door dit liedje tracht de dichter zijn geplaagde landgenooten te bemoedigen met de verzekering van de spoedige terugkomst des Keizers. In het najaar van 1542 werden tal van keizerlijke troepen naar de Maas samengetrokken, en begrijpelijkerwijze hoopte men, dat de Keizer nu weldra zou verschijnen om zich aan hun hoofd te stellen. Het liedje moet ontstaan zijn in den tijd, toen de belegering van Leuven nog versch in het geheugen lag1: in de vierde en vijfde strofe wordt gesmaald op Maarten van Rossum, wien het trots al zijn pogen niet heeft mogen gelukken in deze stad binnen te dringen. In de slotstrofe getuigt de dichter, een Brabander
van geboorte, die zich nu van het Vlaamsch bedient, van zijn liefde voor den Keizer, wien hij alles, goed en bloed, wil opofferen, en dien hij in al zijn ondernemingen zal bijstaan.
Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 276, no. CLXXXI).
Bronnen: Henne VIII, blz. 7 vlgg.; Slichtenhorst.