terug  begin  verderprepost

1542.
XL. Lied op de Schermutseling tegen de Franschen te Rumegem.

Reeds voordat Frankrijk den Keizer den oorlog had verklaard (20 Juli 1542) was Anton van Bourbon, Hertog van Vendôme in Atrecht en Vlaanderen gevallen. Hij hoopte zich met Maarten van Rossum te vereenigen, doch het feit, dat de regentes alle bruggen had laten afbreken, vertraagde zijn marschen. Voorloopig vergenoegde hij zich dus met eenige kasteelen te verwoesten. De graaf de Roeulx, aan wien de verdediging van Vlaanderen en Atrecht was opgedragen, wachtte tusschen St.-Omaars en Grevelingen de Franschen af. Hier hadden een paar onbeteekenende schermutselingen plaats, waarna het De Roeulx gelukte de vijanden terug te drijven en aldus deze gewesten voor verdere schade te bewaren.

Over een dezer schermutselingen, voorgevallen bij het dorp Rumegem, en van zoo geringe beteekenis, dat de geschiedbronnen er geen gewag van maken, handelt nevensgaand lied. Er wordt in verhaald, hoe op aanwijzing van een verrader, Papegaeyken genaamd, de landsknechten over 't water waren getrokken, om de Franschen te verslaan. Blijkbaar hebben nu de Walen, die zich onder hen bevonden, hen naar een hinderlaag geleid, waar zij met kogels begroet werden; de Walen zetten het toen op een loopen. Daarop sprongen de Franschen uit hun hinderlaag te voorschijn en met zulk een overmacht, dat de Vlamingen op de vlucht sloegen, tot zij bij een brug kwamen, waar hun hoofdman had post gevat. Volgens het lied gingen zij, toen de vijanden hier met twintig vendels op hen afstormden, weer op den loop, tot de rivier

[p. 201]

andermaal hun vlucht stuitte, maar het is best mogelijk, dat alleen de verwarde vorm van het lied tot deze voorstelling aanleiding geeft en er slechts één vlucht heeft plaats gehad. In elk geval, toen de Vlamingen tot staan gekomen waren, gingen zij de Franschen dapper beschieten, van wie velen in booten langs de rivier (dit moet de Aa zijn, in wier nabijheid Rumegem ligt) het leven trachtten te redden.1

Dan gaat de dichter over in eene bespotting van Vendôme, die met zijne overmacht toch de nederlaag geleden heeft, en spiegelt den landsknechten tot schadeloosstelling een inval in Frankrijk voor, terwijl hij hen vermaant, in alles hun aanvoerder getrouw te blijven. In de slotstrofe noemt hij als de plaats van het gevecht Rumegem en als zijn eigen naam ‘Hansken zonder ghelt’.

Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 336, no. CCXXVII).

 

Bron: Henne VIII, blz. 6-8.

1
Op een Maendach morghen
 
Trocken wy crijslieden al,
 
Sonder trueren ofte sorghen,
 
Lancx een water smal.
 
Daer waenden wy die Fransoysen te slaen,
 
Wi waren met verraders belaen;6
 
Si hadden ons binnen der bane,7
 
Papegaeyken was synen name.
 
 
2
Als wi over dwater quamen,
 
Wy lansknechten wel ghemoet,
 
Dry vendelijn wy vernamen,3
 
Elck in een slachoorden stoet.
 
Op een schutgeverte waren wy gevoert,5
[p. 202]
 
Daer in die Walen waren beroert.6
 
Wi creghen ghenuchte int schieten,7
 
Te wyle dat die Walen liepen.
 
 
3
Die Franchoysen, als cloecke mannen,
 
Quamen ons cnaphendich aen;
 
Meest wt Vlaenderlant ghebannen,3
 
Sy meynden ons hebben ghevaen.
 
Si riepen: ‘Her her’, wi toochden den rug,5
 
Tot dat wi quamen aen een brug;
 
Daer vonden wy ons hooftman staende,
 
Sijn twee vendelijn niet af gaende.8
 
 
4
Met .XX. vendelijn van twee syden
 
Quamen sy als dulle lien,2
 
Om tegen ons te strijden,
 
Wi mosten voor haer vlien.
 
Die Fransche ruyters ontdeckten tvelt,5
 
Daer waren wi met die Fransoysen gequelt;
 
Si moghen haer wel schamen,
 
Dat si .XXX. teghen een quamen.
 
 
5
Wi weken in corter wylen,
 
Tot aen een waterstranck,2
 
Het quartier van eender mijlen,3
 
Noch vlogen ons vendelyn blanck.4
 
Daer toochde elck ruyter, wat hi was:
 
Wi schoten die Fransce over haer harnas,6
 
In dat water sachmer vele ghenesen,7
 
Si mosten geherdoopt wesen.8
[p. 203]
6
Och Hertoghe van Vendome,
 
Bistu een onredelick man,2
 
Dat ghi ons wildet comen
 
Met so vele vendelijn an!
 
Den Arent sal noch die Lelie ontdoen,5
 
Al hebdi genoechte voor de noen,
 
Wy comen noch in tyden,7
 
Om in Vranckerijck te verblijden.8
 
 
7
Lansknechten, wilt u verblijden,
 
Om te trecken in Vranckerike bloot,2
 
Van u hooftman en wilt niet scheyden,
 
Al soudy daer blijven doot.
 
Met u hooftman u leven leen,5
 
En aen gheen water van hem scheen,6
 
Al gader totten scouweren inne,7
 
Hi volcht u tot sinen brunen kinne.7 en 8
 
 
8
Die dit liedeken dichte,
 
Hy waer gaerne een lantsknecht,2
 
Hi steldet al opt1 slichten,3
 
Te Rumegem int gevecht;
 
Sinen naem was Hansken sonder ghelt,
 
Daer was hi metten Fransoysen gequelt.
 
Ick segt u sonder falen:
 
In Vranckerijck sal hi zijn scade verhalen.

1Zie over ditzelfde feit ook het volgende lied.
6belaen, gekweld.
7binnen der bane, in hun macht.
3vernamen, zagen.
5schutgev(a)erte, plaats, vanwaar men kan schieten; de onzen kwamen dus onder het bereik der kogels.
6waar de Walen de hand in gehad hadden?
7misschien ironisch op te vatten.
3veel Vlamingen, die wegens het geloof het land uit gebannen waren, hadden zich met de Franschen vereenigd.
5her, hier.
8vendelijn, vendel; af gaende, begevende.
2dulle, dolle.
5ontdecten, bedekten.
2waterstranck, rivieroever.
3quartier, kwart.
4vendelyn, vaandel.
6over, op; harnas, legertros, bagage.
7ghenesen, een gevaar ontkomen, er het leven afbrengen.
8geherdoopt, toespeling op de hervormde ballingen in 't leger.
Lezingen van den tekst. 2, 5: schutgewerte. 3, 6. brugghe. 5, 2: water stranck.
2bistu, wat zijt gij.
5ontdoen, geheel verslaan, vernietigen.
7in tyden, bijtijds.
8te verblijden, ons te verblijden.
2bloot, rijmwoord.
5vul aan: wil met enz.; leen, leiden.
6scheen, scheiden.
7gader (gadi er), gaat gij er.
7 en 8al gaat gij er tot de schouders in, hij volgt u tot zijn bruine kin.
2hij hield ervan een landsknecht te zijn.
1l.: op al.
3hij stelde het maar eenvoudig op.
prepostterug  begin  verder