terug  begin  verderprepost
[p. 204]

1542 (half Augustus).
XLI. Lied op de Schermutseling tegen de Franschen bij Watendam.

Watendam en Rumegem liggen op een paar uur afstands van elkaar aan weerskanten van de rivier de Aa; het in deze buurt geleverde gevecht kon dus naar beide plaatsen genoemd worden, en blijkbaar herdenkt onderstaand lied hetzelfde feit als het voorafgaande. Maar dit tweede geeft veel meer bijzonderheden. Er is ook sprake in van een verrader, hier als een molenaar aangeduid, die den 15den Augustus door een valschen eed de onzen in de val lokte. Om Rumegem en Rijsselambacht te gaan ondersteunen, trokken de Vlamingen onder aanvoering van de heeren van Nyeuwerlee en van den Gracht de rivier over. Dan volgt dezelfde meedeeling als in het vorige lied, hoe de Franschen hen uit eene hinderlaag overvielen en op de vlucht joegen. De bevolking van Bellambacht, die binnen Watendam lag, hoorde het alarm slaan, trok met mortieren op en bracht de vluchtelingen tot staan. De Franschen werden nu flink beschoten en onderwijl kwam ook de graaf de Roeulx tot ondersteuning aanzetten. De Franschen trachtten in drie booten te ontkomen, maar werden door de onzen in 't water geworpen.

Of met Watendam in strofe 1 en Waten in strofe 8 dezelfde plaats bedoeld wordt, heb ik niet kunnen nagaan; het is echter wel waarschijnlijk, als wij deze beide strofen bij elkaar vergelijken.

Verder volgt de bijzonderheid, die in dit verband wel wat vreemd is, dat de Franschen in de vermomming van Bourgondische landsknechten schapen en koeien kwamen stelen. In de slotstrofe spreekt de dichter de bede uit, dat God den Keizer en allen die hem bijstaan, moge sparen, opdat zij den Franschen hunne valschheid kunnen betaald zetten.

Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 265, no, CLXXV).

 

Bron: zie het voorafgaande lied.

[p. 205]
Een nyeu Liedeken.
1
Al dat spreect met Vlaemschen tonghen,
 
Hoort naer dit vroelijck liet!
 
Twert tuwer eeren ghesongen,
 
Wat te Watendamme is gheschiet,
 
Hoe dattet beschermt was voor verdriet.
 
Maer this God, diet al voorsiet,6
 
Want die Vransche, valsch van manieren,
 
Waendent branden ende pilgieren.8
 
 
2
Daer was een valsch verrader,+
 
Een moelenaer bi beschee,
 
Hi sprack tot ons heeren allegader,
 
Dat si over twater souden trecken in bree,4
 
Alsmen screef duysent .Ccccc. XL en twee,
 
En dat met eenen valschen ee,
 
Op den avont van Onser Vrouwe,7
 
Te half Oogst dede hi dees ontrouwe.
 
 
3
Mijn heere van Nyeuwerlee coene,
 
Mijn heere vanden Gracht,
 
Om Rumegem bystant te doene,
 
Metschaders Rijsselambacht,4
 
Scheepten over twater inder nacht,5
 
Maer si laghender met volle macht,
 
Want den verrader swoer sonder sparen,
 
Datter meer een vaenken knechten en waren.8
 
 
4
Dese Fransche, met nauwe listen,1
 
Si berchden haer in een hout.2
 
Ons heeren, diet niet en wisten,
 
Volchden haer valsche ghanghe stout;4
[p. 206]
 
Edel, onedel, jonck en out,
 
De Vransce omrijngdense so menich fout,
 
Si en wisten haer waer solveren:7
 
Elck vluchte sonder cesseren.
 
 
5
Bellambacht met cloecken sinnen,1
 
Si hoordent allaerme slaen,
 
Si laghen te Wachtendamme binnen,
 
Si lieten haer eten staen.
 
Seer haest sijn si naer twater ghegaen
 
En riepen: ‘Keert, wi zijn al verraen.’
 
Veel knechten sijn huer teghen ghecomen,
 
Die door twater quamen gheswommen.
 
 
6
Bellambacht, niet om verfrayen,1
 
Met morsle ghinghen si voort2
 
En deden dat vaenderlinc blaeyen,3
 
Neffens twater op den boort.4
 
Al saghen si haer broeders versmoort,
 
Die al loopende sijn vermoort,
 
Si riepen: ‘Staet vrome landtsknechten,
 
Laet ons liever doot vechten!’
 
 
7
Met bussen ende halve haken1
 
Vielen si seer dapperlick an
 
En schoten om gheraken,3
 
Daer bleef so menighen Franschen man.
 
Monsuer de Rues quamer toe als dan,5
 
Heel den leghere te lichten began,6
 
Die twee slanghen met hem brochte,7
 
Daermen die Fransoysen met gherochte.8
[p. 207]
8
Bin dat ons lieden dus schooten,
 
Om Waten te doen bystant,
 
Die Fransche namen drye booten
 
Och op eenen anderen cant4
 
En waenden so over te comen int lant,
 
Dus bleef Waten onghebrant;
 
Maer ons lieden dit verstonden:
 
Si maectense waterhonden.8
 
 
9
Die Franchoysen met nijdighen toren
 
Quamen op dat saysoen,2
 
Met Borgoensche cruycen voren,3
 
Datse ons volck niet en soude misdoen,
 
En haelden schapen en coen,
 
Want si kenden haer gheluwe hoen;6
 
Mer die Borgoensche niet en lieten,
 
Noch tparck te behouden met schieten.
 
 
10
God spare ons Keyser machtich
 
Voor druck ende teghenspoet,
 
Met allen heeren voordachtich3
 
En al dat hem bystant doet,
 
En beschermen tonnosel bloet,
 
Op dat sy die Franchoysen onvroet,6
 
Die om verraetschap altijt helden,7
 
Huer valsche coopen verghelden.8
6diet al voorsiet, die voor alles zorgt.
8pilgieren (Fra. piller), plunderen.
+te weten een molenaar.
4in bree, in het breede gedeelte.
7op den avond van Maria Hemelvaart, d. i. 15 Augustus; zie vs. 8: te half Oogst.
4metschaders, mitsgaders; Rijsselambacht, de omliggende streek van Rijssel. 3, 4. om Rumegem en Rijsselambacht bijstand te verleenen.
5scheepten, voeren.
8meer, maar.
1nauwe, scherpzinnige.
2verborgen zich in een bosch.
4volgden dapper hun valsche gangen (met ‘haer’ (hun) worden waarschijnlijk de Walen bedoeld, die de onzen naar de hinderlaag leidden; zie de toelichting van het voorafgaande lied).
7solveren (Fra. sauver), redden.
1Bellambacht, de omliggende streek van Belle (Bailleul); hier: de inwoners van B.
1Bellambacht, zie 5, 1; niet om verfrayen, eigenlijk: het kon niet mooier gemaakt worden, dus: het kon niet beter.
2morsle, mortieren.
3blaeyen, wapperen.
4boort, oever.
1bussen, kleinere vuurwapenen; halve haken, kleine haakbussen.
3om gheraken, om te raken.
5de Rues, de Roeulx.
6heel het leger kwam in beweging.
7slanghen, soort van geschut.
8gherochte, raakte.
Lezingen van den tekst. 3, 1: nyeuwer leecoene; 4: Met schaders Rijssel ambacht. 6, 6. Dan al enz. 7, 8: gheraeckte. 9, 7: Met. 10, 3: Mer.
4och (woch), weg.
8zij gooiden hen in 't water.
2op dat saysoen, op dat oogenblik.
3De Bourgondische krijgslieden droegen soms het Andreaskruis op de borst; voor eene afbeelding zie men Der Meister W.A. (Hoffmann, Dresden, 1895), plaat X, no. 26.
6gheluwe hoen, gele hoeden, beteekenis van dit vers? 7, 8 maar de Bourgondiërs lieten niet na, nog het veld met schieten te behouden.
3voordachtich, welbezonnen, kloek.
6onvroet, dom.
7die altijd overhellen tot verraderij.
8hun valschheid betaald zetten.
prepostterug  begin  verder