Watendam en Rumegem liggen op een paar uur afstands van elkaar aan weerskanten van de rivier de Aa; het in deze buurt geleverde gevecht kon dus naar beide plaatsen genoemd worden, en blijkbaar herdenkt onderstaand lied hetzelfde feit als het voorafgaande. Maar dit tweede geeft veel meer bijzonderheden. Er is ook sprake in van een verrader, hier als een molenaar aangeduid, die den 15den Augustus door een valschen eed de onzen in de val lokte. Om Rumegem en Rijsselambacht te gaan ondersteunen, trokken de Vlamingen onder aanvoering van de heeren van Nyeuwerlee en van den Gracht de rivier over. Dan volgt dezelfde meedeeling als in het vorige lied, hoe de Franschen hen uit eene hinderlaag overvielen en op de vlucht joegen. De bevolking van Bellambacht, die binnen Watendam lag, hoorde het alarm slaan, trok met mortieren op en bracht de vluchtelingen tot staan. De Franschen werden nu flink beschoten en onderwijl kwam ook de graaf de Roeulx tot ondersteuning aanzetten. De Franschen trachtten in drie booten te ontkomen, maar werden door de onzen in 't water geworpen.
Of met Watendam in strofe 1 en Waten in strofe 8 dezelfde plaats bedoeld wordt, heb ik niet kunnen nagaan; het is echter wel waarschijnlijk, als wij deze beide strofen bij elkaar vergelijken.
Verder volgt de bijzonderheid, die in dit verband wel wat vreemd is, dat de Franschen in de vermomming van Bourgondische landsknechten schapen en koeien kwamen stelen. In de slotstrofe spreekt de dichter de bede uit, dat God den Keizer en allen die hem bijstaan, moge sparen, opdat zij den Franschen hunne valschheid kunnen betaald zetten.
Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 265, no, CLXXV).
Bron: zie het voorafgaande lied.