terug  begin  verderprepost
[p. 208]

1542.
XLII. Lied tegen den Hertog van Gulik.

Het schijnt mij toe, dat dit liedje ongeveer in denzelfden tijd als het voorafgaande is ontstaan of mogelijk ook iets later, maar in geen geval vroeger, zooals men bij een oppervlakkig lezen uit het jaartal in de eerste twee verzen zou kunnen afleiden1. Er wordt immers ook melding in gemaakt van Maarten van Rossums inval in Brabant, die in 1542 plaats had2. Daar de dichter zoo beslist zegt, dat de Gulikers met hun Hertog zich nu voor den Keizer zullen moeten vernederen en hem om genade bidden, zal het waarschijnlijk gedicht zijn in 1542, toen de stadhouder, Réné van Nassau, gedurende de maanden Augustus en September een schitterenden wraaktocht in het Guliksche hield. Men zou ook 1543 kunnen aannemen, toen de Keizer voor hetzelfde doel een leger verzamelde, maar ik geloof, dat de dichter zich dan met grooter beslistheid zou hebben uitgelaten, terwijl hij nu meer in 't algemeen zijn vertrouwen op den Keizer uitspreekt:

 
Daerom willen wijt den Keyser clagen,
 
Hi heeft so menigen stouten man;
 
Op den Keyser willen wi dragen vrien moet:
 
Hi wil de Gulickers straffen, enz.

In de eerste strofe wordt gesproken van een tocht, dien de Hertog van Gulik in 1541 naar Frankrijk ondernomen heeft, om met den Koning een verbond te sluiten. Na den dood van Karel van Egmond in 1538 hadden de staten van Gelderland Willem erkend, die nog in hetzelfde jaar hertog van Kleef, Gulik en Berg werd. Natuurlijk deed ook de Keizer zijn aanspraken gelden; op den rijksdag van Neurenberg in 1541 zouden beider rechten onderzocht worden. Onder voorwendsel van zich daarheen te begeven, reed Willem van Kleef spoorslags naar Frankrijk, terwijl zijn gevolg zich langs andere wegen daarheen begaf. De goede verstandhouding,

[p. 209]

waarin Frans I en Karel V sinds 1538 leefden1, was weer verdwenen, toen de Keizer in 1540 Milaan, waarop Frans nog altijd voor zijn zonen hoopte, aan zijn eigen zoon Filips schonk. De Koning ontving den Hertog zeer hoffelijk te Amboise en sloot met hem een verbond tegen den Keizer, waarbij hij beloofde hem met geld en troepen te zullen bijstaan. Ook werd Willem van Kleef plechtig verloofd met 's Konings elfjarig nichtje, Johanna van Albret, waarna hij weer, even haastig als hij gekomen was, naar zijn land terugkeerde. Karel V was na zijn vertrek uit Regensburg dadelijk toebereidselen gaan maken voor een nieuwen tocht tegen de Turken. Doch het tijdstip van uitzeilen, 18 October, was veel te laat voor eene dergelijke onderneming, en door hevige stormen overmand, keerde de vloot geheel ontredderd terug. Van dit geschikte oogenblik maakte Willem van Kleef gebruik om een inval te doen. Zie verder de toelichting van no. XXXVII. Het liedje, dat blijkbaar uit het Duitsch is vertaald (gemaect rijmt tweemaal op gebracht en eens op nacht) komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 326, no. CCXI).

 

Bronnen: Henne VII, blz. 315; Slichtenhorst.

Een nyeu Liedeken.
1
Doemen schreef .M.V. hondert
 
Ende eenen veertich jaer,
 
Doen is den hertooch van Gulic
 
Tot den coninc van Vrancrijc getogen,
 
Ende heeft met hem een contract gemaect,
 
Des Keysers vaders landen6
 
Tot groote schaden ghebracht.
 
 
2
Dat contract hebben wi vernomen,
 
Dat is worden openbaer.
 
Ongestraft en salt niet blijven,
 
Dat segghe ick u voorwaer.
[p. 210]
 
Merten van Rossem hebben si in Brabant gesant;
 
Dies en wils hem die hertoch niet nemen an,6
 
Hy wil hem keeren daer van.
 
 
3
Wil hem die hertoch dit niet aentrecken,1
 
Waerom heeft hijt dan gedaen?
 
Daer om willen wijt den Keyser clagen,
 
Hi heeft so menigen stouten man;
 
Op den Keyser willen wi dragen vrien moet:5
 
Hi wil de Gulickers straffen
 
Aen lijf ende oock aen goet.
 
 
4
Die hertoch van Gulick
 
Is een jonger man,
 
Dat hi hem tsegen den Keyser wil leggen an;3
 
Daerom wil hi noch groote schade haen,
 
Dat voeget1 onse here God.5
 
Die Gulicsche hebben metten vromen Keyser
 
Gheschimpt en gespot.
 
 
5
Wel op, ghi Gulicker boeren,
 
Waer na staet uwen moet?2
 
U schimpen en u spotten
 
En coemt niet alte goet.4
 
Hout eenen hueschen mont ende een reyne hant,
 
So muechdy vrijlic wandelen
 
Al door des Keysers lant.
 
 
6
O ghi raet van Gulic
 
Hebdijs nu niet wel gemaect,
 
Dat ghi uwen heere in onghenaden
 
Des Keysers hebt gebracht?
 
Dat en werd u toch nymmermeer goet,
 
Ghenade moest hi begheren
 
Ende vallen den Keyser te voet.
[p. 211]
7
Dat hi genade begeret,
 
Dat en is u geen scand;
 
Des is allen menschen condich,3
 
Dat ghi ghesondicht hebt
 
Tsegen God en dat Roomsche rijc.
 
Waer mochtmen oyt ghevinden
 
Der Gulicker hoomoet ghelijck?7
 
 
8
Niet wel en sullen si varen,
 
Die Lucifers kinder willen zijn;2
 
Die hem selven wil verheffen,
 
Vernedert moet hi zijn.
 
Dat selve spreect ons heere God.
 
Men sal den Keyser eeren
 
Ende houden met hem gheen spot.
 
 
9
Nu rade ick edel ende onedel,
 
Die inden Duytschen landen zijn,2
 
Dat si den Franchoysen niet betrouwen,
 
Want si des Keysers vyanden willen zijn.
 
Ende dat is nu openbaer:5
 
Den arent en can hi niet gekeeren,
 
Want hi vlieget hen veel te hooch.
 
 
10
Die ons dit liedeken dichte
 
Ende eerst gesongen hat,
 
Hy en derf hem niet noemen3 en 4
 
Van wegen zijnder stadt.
 
Merten van Rossem heeft den dans gemaect,5
 
Die moeten die Gulikers dansen,
 
Dach ende daer toe nacht.
1P. Fredericq en Liliencron dateeren het op 1541.
2Zie str. 2 vs. 5.
1Zie no. XXXV.
6vaders landen, misschien een vertaling van het Duitsche väterländer, erfgoederen.
6daarom wil de hertog er zich niet mee inlaten.
1hem dit aentrecken, zich hiermee bemoeien.
5op den Keizer zullen wij onversaagd blijven vertrouwen.
3hem aenleggen, zich verzetten.
1l.: voege.
5voege, geve.
2moet, lust.
4alte, zeer.
Lezing van den tekst. 10, 2: haet.
3condich, bekend.
7iets, dat overeenkomt met den hoogmoed der Gulikers.
2die zich evenals Lucifer hoogmoedig verheffen.
2Duytschen, Nederlandsche.
5openbaer, duidelijk.
3 en 4was de dichter misschien afkomsitg van Mechelen, welks inwoners den naam hadden van niet wijs te zijn?
5dans, strijd.
prepostterug  begin  verder