terug  begin  verderprepost
[p. 212]

1543 (22 en 23 Maart).
XLIII. Liedje op het Ontzet en de Proviandeering van Heinsberg.

Willem van Kleef bleef door de subsidiën van Frankrijk en de offers van zijn volk tot de grootste krachtsinspanning in staat. In den winter van 1543 was het Maarten van Rossum gelukt in het land van Gulik door te dringen, waar Meijnaert van Ham zich met hem vereenigde. Een deel van het leger ging Heinsberg blokkeeren. Aan de landvoogdes kwam ter oore, dat, als de Brabanders beproeven mochten deze stad van proviand te voorzien, Meynaert van Ham, die bij Sittard lag, dit zou verhinderen; gelukte hem dit niet, dan zou hij troepen verzamelen om de keizerlijken aan te vallen en, ingeval hij verslagen werd, zou Maarten van Rossum met alle macht toesnellen. Kort hierop berichtte de bevelhebber van Heinsberg de landvoogdes, dat hij, als hij geen proviand ontving, zou moeten capituleeren. Aanstonds stelde Maria alle cavalerie, die zij missen kon, ter beschikking van Aerschot, dien zij reeds te voren tot hulp uit Henegouwen naar Maastricht ontboden had. Den 20sten Maart trok hij uit deze stad op en na een moeilijken tocht langs slecht begaanbare wegen, waarin zijn wagens telkens bleven steken, verscheen hij den 22sten Maart te twee uur in den middag voor Heinsberg, zonder één man verloren te hebben. De vijanden hadden bij zijn nadering het beleg opgebroken. Het binnenvoeren van de proviand, dat ongehinderd plaats greep, duurde tot den volgenden middag twaalf uur.

Het liedje, dat de bezetting van Heinsberg bij dit heuglijk feit in den mond gelegd wordt, handelt hoofdzakelijk over de belegering en de opeisching door Meynaert van Ham. Ofschoon ik in de geschiedbronnen geen aanwijzingen heb kunnen vinden, dat deze in eigen persoon de onderneming leidde, kan men op grond van het liedje wel aannemen, dat dit zoo geweest is. Als gewoonlijk geeft ook dit lied geen trouwe schildering van de toestanden en uit de vermelding, dat op de waarschuwing van den wachter allen naar de poort

[p. 213]

trokken om de ‘Geldersche boeren’ dapper te beschieten en dat zij Maarten van Rossum na zijn opeisching in plaats van een schriftelijk antwoord kogels zonden, zou men niet opmaken, dat het maar weinig gescheeld had, of de bevelhebber had moeten capituleeren. Wel bevat 't lied de mededeeling, dat Meynaert van Ham voor de Bourgondiërs het veld heeft moeten ruimen. Door den dichter - een landsknecht, die vroeger onder Meynaert van Ham diende, maar nu bij de keizerlijke troepen wilde blijven - wordt met dankbaarheid gewag gemaakt, hoe het Bourgondische hof hen wederom van spijs en drank heeft voorzien.

Het lied is blijkbaar uit het Duitsch vertaald en komt tweemaal in het Antwerpsche Liederboek van 1544 voor (wel een bewijs voor de slordigheid van de uitgaaf), Hor. Belg. XI, blz. 278, no. CLXXXII en blz. 284, no. CLXXXVI. Op de laatste plaats telt het ééne strofe (de aanvangsstrofe) meer dan op de eerste; naar dezen meest volledigen tekst is het lied hier uitgegeven, met vermelding van de varianten van den anderen tekst, die eenigszins van belang zijn. Het dunkt mij niet onwaarschijnlijk, dat dit lied bedoeld wordt met de wijsaangifte ‘van Meynert van den Ham’: een van de, vaak voorkomende, liederen met deze stemme begint ‘Hoort vrienden altesamen’ (vgl. onzen aanvangsregel ‘Ghi chrijslieden alle te samen’) en heeft eveneens achtregeligen strofenbouw. Ik trof haar o. a. aan in de Veelderhande Liedekens, ghemaect wt den Ouden ende Nieuwen Testamente, enz. van 15691; in Het tweede Liedeboeck, van vele diuersche Liedekens, ghemaect wt den ouden ende nieuwen Testamente, enz. van 15832; in Een Niew Geestelick Liedtboecxken, Ghetoghen wt den Ouden ende Nieuwen Testamente, Die welcke noyt in druck zijn wtgegaen, ende ghemaeckt by den selven Autoor, ... Gedruct int Jaer 15932. Het eerst trof ik de wijsaangifte aan in Een nieu Liedenboeck, van alle nieuwe ghedichte Liedekens, die noyt in druck en zijn gheweest, ghemaect wt den Ouden ende Nieuwen Testamente, enz. van 15622; het laatst in 't Kleyn Hoorns Liedtboek, t' Amsterdam 1685.3 Ook komt voor

[p. 214]

de wijsaangifte ‘Van Hensburch’ bij een lied van eveneens achtregeligen strofenbouw o. a. in de Veelderhande gheestelicke Liedekens, An. 15581 en in de Schriftuurlicke Liedekens, Tot Leyden, 15952.

 

Bronnen: Henne VIII, blz. 66 vlgg.; Slichtenhorst.

Een nyeu Liedeken.
1
Ghi chrijslieden alle te samen,
 
Sijt vrolijcken in die weer,
 
Die Geldersce mogen haer wel scamen,
 
Dat si ons comen heer.4
 
Om Hensborch te winnen was haer motijf;5
 
Het heeft hen ghecost so menich lijf,
 
En al tot haer verlanghen,7
 
Het en conde haer niet wel verganghen.8
 
 
2
Die wachters hoorde ick reden:1
 
‘Ghi lantsknechts, maect u in die weer:2
 
Meynaert met sinen lammen leden,3
 
Die comt ons voor Hensborch heer;
 
Hi brengt met hem so menighen man,
 
Ghi chrijslieden wiltse schouwen an
 
Ende verdienen prijsen,
 
Nae oude lantsknechten wijsen.8
 
 
3
So haest als wi vernamen,
 
Ende hoorden des wachters woort,
 
Wi lantsknechten al te samen
 
Maecten ons al op die poort.
 
Men sach daer gheen crijsknecht troeren,5
[p. 215]
 
Het dochten ons meest Geldersche boeren;
 
Wi boden haer goeden morghen
 
Ende schooten daer in sonder sorghen.
 
 
4
Eenen brief is ons ghecomen
 
Met eenen bode, al op dat pas,
 
Daer in dat wi vernamen,
 
Dat Meynaert haer overste was.
 
Och hertoch Willem, hoochgheboren man,
 
Is uwen raet aen Meynert van Ham,6
 
Merten van Rossum, en sulcke reden,7
 
Si brenghen u om landen ende steden.8
 
 
5
‘Bode keert wederom tzo velden,
 
Dat gheven wi voor den besten raet,
 
Segt Meynaert, dat hi laet zijn schelden
 
En sie, wat in sinen boesem geschreven staet.
 
Hi begheert van ons dese stercke stadt,
 
Schaemt hi hem niet, wi weten wel badt.6
 
Wilt hi ons crijghen leeren?
 
Een crijchvorst hebben wi tot eenen heere.
 
 
6
Hi begheert een antwoort schriftelick,
 
Dat dunct ons wesen so vreemden spel;2
 
Met spiesen ende met cortouwen ende dier gelic3
 
Hebben wi leeren schriven wel.
 
Daer hebben wi menighen lantsknecht by,
 
Si schrijven so dapper met pulver en bly,6
 
Wilt ghi die brieven lesen,
 
Van die pocken sullen wi hem ghenesen.
 
 
7
Op eenen morghen si ons beleyden,
 
Op eenen Saterdach dat dat gheschach,2
[p. 216]
 
Mer tsaemdaechs1 mosten si wederom scheiden:
 
XIX. venlijn men vlieghen sach.
 
Si hoorden: daer quam so groote gewelt,5
 
Meynaert van Ham moste ruymen dat velt;
 
Dat deden die Borgoensche heeren:
 
Het narrenspel wilden si hen leeren.8
 
 
8
Thof van Bourgoengien willen wi loven,
 
Dat ons heeft ontsedt met spijse en dranck!
 
Nu sitten wi bi den cackeloven,3
 
‘Nirredom noey’ is onsen sanck.
 
Op Meynerts gaerde worden ons billen bloet,5
 
Die Keyser loont ons met penninghen root;
 
Wi maken ons cleederen doorsneden7
 
Naer oude lantsknechten zeden.
 
 
9
Die dit liedeken dichten,
 
Dat was een lantsknecht goet,2
 
Sijn hert dat sachmen verlichten;3
 
Hi isser wel toe ghemoet,4
 
Om Hensborch te houden en drinken den wyn.
 
Op Meynerts gaerde en wilt hi niet meer zyn:
 
Hi laet hem sijn brillen vercoopen,7
 
Hi wilt blijven bi 's Keysers hoopen!8
1's-Grav. Kon. Bibl.
2Amst. Doopsgez. Bibl.
2Amst. Doopsgez. Bibl.
2Amst. Doopsgez. Bibl.
3's-Grav. Bibl. Scheurleer.
1Utr. Univ.-Bibl.
2's-Grav. Kon. Bibl.
4heer, hier.
5motijf, doel.
7tot haer verlanghen, en geheel door hun eigen schuld, zij hebben het zichzelf te wijten.
8verganghen, vergaan.
1reden, spreken.
2maect u in die weer, maakt u tot tegenstand gereed.
3Meynaert van Ham; met sinen lammen leden, bijnaam?
8volgens de oude gewoonten der landsknechten.
5troeren, vertsagen.
6is uwen raet aen, overlegt gij met.
7reden, blijkbaar eene vertaling (!) voor het Duitsche räte, raadslieden.
8brenghen om, berooven van.
6badt, beter.
2so vreemden spel, zulk een vreemde wijze van doen.
3cortouw, kartouw, kanon.
6pulver, kruit; bly, lood.
2gheschach, Duitsch gekleurde vorm van geschiedde.
Lezing van den tekst. 5, 4: En sien enz.
Varianten van den anderen tekst, in de Hor. Belg. XI onder no. CLXXXII meegedeeld. 2, 1: ... rijden; 4: ... heyr. 2, 7: Ende wilt verdienen tprijsen. 3, 5: ... trueren. 4, 3: vernomen. 5, 8: Den Keyser hebben enz. 6, 3: Met spicen cortouwen ende der ghelijck: 7: Wilt hy enz. 7, 3: Mer des maendachs. 8, 3: cacgel oven. 9, 6: Aen Meynaerts garde enz.; 8. skeysers (de tekst heeft hier: tkeysers).
1l.: smaendaechs, zie de varianten.
5gewelt, krijgsmacht.
8zij deden hen een dwaas figuur slaan.
3cackeloven, kachel.
5op Meynerts gaerde, in Meynaerts tuin, onder Meynaerts bestuur.
7doorsneden, met stukken van andere kleur of stof ingezet.
2goet, dapper.
3verlichten, licht worden.
4ghemoet, gezind.
7hij laat hem maar praten.
8hoopen, troepen.
prepostterug  begin  verder