Willem van Kleef bleef door de subsidiën van Frankrijk en de offers van zijn volk tot de grootste krachtsinspanning in staat. In den winter van 1543 was het Maarten van Rossum gelukt in het land van Gulik door te dringen, waar Meijnaert van Ham zich met hem vereenigde. Een deel van het leger ging Heinsberg blokkeeren. Aan de landvoogdes kwam ter oore, dat, als de Brabanders beproeven mochten deze stad van proviand te voorzien, Meynaert van Ham, die bij Sittard lag, dit zou verhinderen; gelukte hem dit niet, dan zou hij troepen verzamelen om de keizerlijken aan te vallen en, ingeval hij verslagen werd, zou Maarten van Rossum met alle macht toesnellen. Kort hierop berichtte de bevelhebber van Heinsberg de landvoogdes, dat hij, als hij geen proviand ontving, zou moeten capituleeren. Aanstonds stelde Maria alle cavalerie, die zij missen kon, ter beschikking van Aerschot, dien zij reeds te voren tot hulp uit Henegouwen naar Maastricht ontboden had. Den 20sten Maart trok hij uit deze stad op en na een moeilijken tocht langs slecht begaanbare wegen, waarin zijn wagens telkens bleven steken, verscheen hij den 22sten Maart te twee uur in den middag voor Heinsberg, zonder één man verloren te hebben. De vijanden hadden bij zijn nadering het beleg opgebroken. Het binnenvoeren van de proviand, dat ongehinderd plaats greep, duurde tot den volgenden middag twaalf uur.
Het liedje, dat de bezetting van Heinsberg bij dit heuglijk feit in den mond gelegd wordt, handelt hoofdzakelijk over de belegering en de opeisching door Meynaert van Ham. Ofschoon ik in de geschiedbronnen geen aanwijzingen heb kunnen vinden, dat deze in eigen persoon de onderneming leidde, kan men op grond van het liedje wel aannemen, dat dit zoo geweest is. Als gewoonlijk geeft ook dit lied geen trouwe schildering van de toestanden en uit de vermelding, dat op de waarschuwing van den wachter allen naar de poort
trokken om de ‘Geldersche boeren’ dapper te beschieten en dat zij Maarten van Rossum na zijn opeisching in plaats van een schriftelijk antwoord kogels zonden, zou men niet opmaken, dat het maar weinig gescheeld had, of de bevelhebber had moeten capituleeren. Wel bevat 't lied de mededeeling, dat Meynaert van Ham voor de Bourgondiërs het veld heeft moeten ruimen. Door den dichter - een landsknecht, die vroeger onder Meynaert van Ham diende, maar nu bij de keizerlijke troepen wilde blijven - wordt met dankbaarheid gewag gemaakt, hoe het Bourgondische hof hen wederom van spijs en drank heeft voorzien.
Het lied is blijkbaar uit het Duitsch vertaald en komt tweemaal in het Antwerpsche Liederboek van 1544 voor (wel een bewijs voor de slordigheid van de uitgaaf), Hor. Belg. XI, blz. 278, no. CLXXXII en blz. 284, no. CLXXXVI. Op de laatste plaats telt het ééne strofe (de aanvangsstrofe) meer dan op de eerste; naar dezen meest volledigen tekst is het lied hier uitgegeven, met vermelding van de varianten van den anderen tekst, die eenigszins van belang zijn. Het dunkt mij niet onwaarschijnlijk, dat dit lied bedoeld wordt met de wijsaangifte ‘van Meynert van den Ham’: een van de, vaak voorkomende, liederen met deze stemme begint ‘Hoort vrienden altesamen’ (vgl. onzen aanvangsregel ‘Ghi chrijslieden alle te samen’) en heeft eveneens achtregeligen strofenbouw. Ik trof haar o. a. aan in de Veelderhande Liedekens, ghemaect wt den Ouden ende Nieuwen Testamente, enz. van 15691; in Het tweede Liedeboeck, van vele diuersche Liedekens, ghemaect wt den ouden ende nieuwen Testamente, enz. van 15832; in Een Niew Geestelick Liedtboecxken, Ghetoghen wt den Ouden ende Nieuwen Testamente, Die welcke noyt in druck zijn wtgegaen, ende ghemaeckt by den selven Autoor, ... Gedruct int Jaer 15932. Het eerst trof ik de wijsaangifte aan in Een nieu Liedenboeck, van alle nieuwe ghedichte Liedekens, die noyt in druck en zijn gheweest, ghemaect wt den Ouden ende Nieuwen Testamente, enz. van 15622; het laatst in 't Kleyn Hoorns Liedtboek, t' Amsterdam 1685.3 Ook komt voor
de wijsaangifte ‘Van Hensburch’ bij een lied van eveneens achtregeligen strofenbouw o. a. in de Veelderhande gheestelicke Liedekens, An. 15581 en in de Schriftuurlicke Liedekens, Tot Leyden, 15952.
Bronnen: Henne VIII, blz. 66 vlgg.; Slichtenhorst.