terug  begin  verderprepost
[p. 217]

1543 (22 Juni).
XLIV. Lied op het tweede Ontzet van Heinsberg door den Prins van Oranje.

Na de proviandeering van Heinsberg (zie 't voorafgaand liedje), was Aerschot op zijn terugweg bij Sittard door de Gelderschen aangevallen en verslagen, waarbij zelfs zijne artillerie werd buitgemaakt. Daarna hadden de Gelderschen 't beleg van Heinsberg weer hervat. Op 't eind van Juni maakte de Prins van Oranje zich gereed om de stad voor de tweede maal te gaan proviandeeren. Met een flinke ruiterij trok hij op en had 't geluk de Gelderschen te verslaan en hun artillerie te nemen, zoodat de smaad van Sittard gewroken was.

Het lied bevat tal van bijzonderheden, die ik bij geen geschiedschrijver terugvond, n.l., dat de Gelderschen reeds den nacht te voren door een loos alarm getracht hadden den Bourgondiërs schrik aan te jagen. Verder dat de Prins bij het aanbreken van den dag met vijftienhonderd paarden was opgetrokken; aan het hoofd der ruiterij stond Willem van Vorstenborch (Fürstemberg), een veldheer, die van den Franschen dienst in dien van Karel V was overgegaan. De Gelderschen waren echter uit een hinderlaag te voorschijn gesprongen, maar werden dapper aangevallen door den Prins, terwijl de Heinsbergers tegelijkertijd een uitval deden. Toen de Gelderschen zagen, dat velen hunner sneuvelden, gingen zij aan 't muiten en eischten geld alvorens door te vechten. Daar hieraan niet kon voldaan worden, sloegen zij op de vlucht en redden zich binnen Wassenberg en Roermond, voorzoover zij namelijk aan de vervolging der Bourgondiërs ontkwamen. Niet alleen hun artillerie, maar ook tenten, levensmiddelen en ammunitie werden de buit der keizerlijken. De slotstrofe bevat een heilwensch voor het Gulden Vlies, waarmee de Bourgondische macht bedoeld moet zijn.

Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 300, no. CXCV).

 

Bronnen: Slichtenhorst, uitg. 1654, blz. 460; Henricae ab Erp, Annales Vernaculi in de Analecta van Matthaeus I.

[p. 218]
Een nyeu Liedeken.
1
In Junius, den .XX. dach,
 
Den Prince van Araengien te velde men sach2
 
Met menighen vromen lantsheere.
 
De Ghelderse verstoorde1 sonder verdrach,4
 
Hi behaelden daer oock prijs ende eere.
 
 
2
Des Princen meynen was op dat pas,
 
Hensberch te victalieren ras.
 
Hi de alle monucie bereyden,3
 
Wie dat ruyter noch lantsknecht en was,
 
Moeste wten Bourgoensen legher scheyden.
 
 
3
De Gelderse quamen tegen der nacht
 
En hebben eenen losen alarm gewracht,
 
Met ontrent vijfhondert peerden;
 
Mer de Bourgoense, zeer wijs bedacht,
 
Dorstense wel aenveerden.5
 
 
4
Smorghens ontrent dagheraet
 
Is den Prince getrocken met sinen staet,2
 
Met vijfthien hondert peerden,
 
Daer overste af was, my wel verstaet,
 
Grave Willem van Vorstenborch van weerden.5
 
 
5
Als die Gelderse dat vernamen,
 
Dat die Bourgoense ave quamen,2
 
Met die victaille waghens ghepresen,
 
Met dry slachoorden sachmense versamen.
 
Wt hen cuylen quamen sy midts desen.5
[p. 219]
6
De Prince viel die Gelders dapper an
 
Ende haer schade van menighen man,2
 
Ten cost die Bourgoense niet verdrieten.
 
Veel vanden boeren sach men als dan
 
Het bloet over die schoenen vlieten.
 
 
7
Die van Hensberch zyn ooc wt ghesprongen
 
En hebben onder den hoop geclongen,2
 
Met bussen ende cortouwen.3
 
Si hebben die Geldersen so bedwonghen,
 
Si en mochtent daer niet langher houwen.
 
 
8
Die Geldersen vernamen dit rumoer,
 
Dat daer wert versleghen so menighen boer,
 
Al van die Bourgoense kneehten.
 
Si riepen: ‘Gelt gelt, dou vertwijfelde loer,4
 
Of wy en willen der ja niet vechten’.5
 
 
9
Van gelt en was daer geen gherucht,1
 
Voor de Bourgoense hadden sy ducht;
 
In Wassemborch zijn si gheweken,
 
Na Rueremunde namen sy ooc de vlucht,
 
Die Bourgoense volchden op haer streken.5
 
 
10
Pauwellioenen, tenten en victaille net,1
 
Met .XV. groote stucken reyn opgheset,2
 
Buspoeyer en daer toe clooten
 
Hebben de Bourgoense met beckenelen gescept;4
 
Ten heeft haer niet verdroten.
 
 
11
God en den Heere sint Andries,
 
Die wil bewaren dat Gulden Vlies
 
Voor alle verraderyen,
 
Voor hinder of schade of eenich verlies,4
 
Nu en tot allen tijden.
2Araengien, Oranje.
1l.: verstoordi of verstoorden.
4hij verspreidde zonder ophouden schrik onder de Gelderschen of de Gelderschen woedden zonder ophouden.
3de, deed; monucie, munitie, de oorspronkelijke vorm van ammunitie.
5aenveerden, aanvallen.
2staet, stoet.
5van weerden, aanzienlijk.
2ave quamen, afkwamen.
5hen, hun; midts desen, hierom.
2en bracht menigen man van hen schade toe.
2geclongen, (het) doen klinken.
3cortouwen, kartouw, kanon.
4vertwijfelt, waanzinnig, dol; loer, lomperd.
5ja, voorwaar. De dichter wil hier het Geldersch nabootsen.
1gherucht, sprake.
5streken, wegen (sporen).
1pauwellioen, groote tent.
2reyn opgheset, netjes in orde?
4beckenelen, helmen; met beckenelen gescept (ook slaande op het voorafgaande), in overvloed buitgemaakt.
4hinder, leed.
prepostterug  begin  verder