Na de proviandeering van Heinsberg (zie 't voorafgaand liedje), was Aerschot op zijn terugweg bij Sittard door de Gelderschen aangevallen en verslagen, waarbij zelfs zijne artillerie werd buitgemaakt. Daarna hadden de Gelderschen 't beleg van Heinsberg weer hervat. Op 't eind van Juni maakte de Prins van Oranje zich gereed om de stad voor de tweede maal te gaan proviandeeren. Met een flinke ruiterij trok hij op en had 't geluk de Gelderschen te verslaan en hun artillerie te nemen, zoodat de smaad van Sittard gewroken was.
Het lied bevat tal van bijzonderheden, die ik bij geen geschiedschrijver terugvond, n.l., dat de Gelderschen reeds den nacht te voren door een loos alarm getracht hadden den Bourgondiërs schrik aan te jagen. Verder dat de Prins bij het aanbreken van den dag met vijftienhonderd paarden was opgetrokken; aan het hoofd der ruiterij stond Willem van Vorstenborch (Fürstemberg), een veldheer, die van den Franschen dienst in dien van Karel V was overgegaan. De Gelderschen waren echter uit een hinderlaag te voorschijn gesprongen, maar werden dapper aangevallen door den Prins, terwijl de Heinsbergers tegelijkertijd een uitval deden. Toen de Gelderschen zagen, dat velen hunner sneuvelden, gingen zij aan 't muiten en eischten geld alvorens door te vechten. Daar hieraan niet kon voldaan worden, sloegen zij op de vlucht en redden zich binnen Wassenberg en Roermond, voorzoover zij namelijk aan de vervolging der Bourgondiërs ontkwamen. Niet alleen hun artillerie, maar ook tenten, levensmiddelen en ammunitie werden de buit der keizerlijken. De slotstrofe bevat een heilwensch voor het Gulden Vlies, waarmee de Bourgondische macht bedoeld moet zijn.
Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 300, no. CXCV).
Bronnen: Slichtenhorst, uitg. 1654, blz. 460; Henricae ab Erp, Annales Vernaculi in de Analecta van Matthaeus I.