terug  begin  verderprepost
[p. 220]

1543.
XLV. Spotliedje op de Gelderschen na den Slag bij Sittard.

Dit spotliedje heeft op hetzelfde feit betrekking als het voorafgaande: het tweede ontzet van Heinsberg. Het geheele lied door spreekt de dichter op schamperen toon tot de Gelderschen, die met hun gansche macht Heinsberg waren gaan belegeren, maar het op een loopen zetten, zoodra de Prins van Oranje tot proviandeering aanrukte. Hoe prat waren die Gelderschen geweest op ‘des Paeschavonts victory’, d. i. de nederlaag, die zij den Prins van Oranje na zijn eerste proviandeering, te Sittard hadden toegebracht1; doch nu hebben de keizerlijken die nederlaag gewroken en zelfs 't geschut heroverd, dat daarbij was verloren gegaan.

In de slotstrofe vermaant de dichter den Gelderschen Hertog ernstig niet langer vergeefsche moeite te doen, maar zich liever aan den Keizer, tegen wiens macht hij toch niet opgewassen is, te onderwerpen.

Het liedje komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 339, no. CCXIX).

 

Bron: zie het voorafgaande lied.

Een nyeu Liedeken.
1
Wat segt ghi, pocghghers van Cleven,
 
Van Gelder, van Gulic me,
 
Wat hebt ghi toch bedreven,
 
Met uwen stercken steen?4
 
Ghi hebt u gantsche geheele macht
 
Met al u hulpers op ghebracht:6
 
Ghy woudet Heynsborch winnen,
 
Maer si wisten wel bat van binnen.
[p. 221]
2
Hansken van Gelder, ghy moecht wel zwijgen1
 
U pochghen dat en achten wi niet;
 
Ghy waendet Heynsborch te crijghen,
 
Met bedelen int verdriet.4
 
Ghi zijt u leven behouden man,5
 
Want die so naerstelijc bedelen can,
 
Den cost moet hi verwerven,
 
Hoe soudt ghy connen bederven?8
 
 
3
Ghy waert so dapper int spreken,
 
Ghi bruyctet soe menich woort,
 
Verhalende onse ghebreken,
 
Dat hebben wi wel ghehoort.
 
Wy en achten u snorcken niet een kaf:5
 
Dantworde, die u den koeckoeck gaf,
 
Met clappen vander keyen,
 
Daer mocht ghi u toe bereyen.6-8
 
 
4
Die Prins al van Araignen1
 
Heeft dat vernomen saen,2
 
Van alle die groote calaignen,3
 
Datmen Heynsborch heeft ghedaen.
 
Si hebbent beschoten met menighen schoot,
 
En hebbent ghebrocht in spijsens noot,
 
Si meenden, het waer ghewonnen,
 
Mer ten was niet halfbegonnen.
 
 
5
Die Prins, die wildet beletten,
 
Als een veltheer fier:2
 
Al om Heynsborch tontsetten,
 
Heeft hi versamelt schier
 
Van ruyter en knechten een groot gewelt,5
[p. 222]
 
En heeftse in een slachoorden ghestelt
 
En borcht1 Heynsborch victaille,
 
In spijt des Ghelders rapaille.
 
 
6
Wat segdy, ghy Cleefsche knechten,
 
Hoe waerdy also bedacht,2
 
Dat ghi niet en dorste vechten,
 
Doen ghy ons hadt verwacht?
 
Het scheen, ghy hadt so grooten moet:
 
Ghi en wildet ons ontwijcken niet eenen voet,
 
Al waren wi noch thien hoopen;
 
Waer om ghinct ghy dan loopen?
 
 
7
Des Paeschavonts victory
 
Hadt u seer sot gemaect,
 
Met een verwaende glory3
 
Waerdi seer qualick geraect!4
 
Certeyn, ghy haddet al anders ghemeent,
 
Ghi hadt den Hertoch tgheschut ontleent,6
 
Ghi en wildet niet betalen,
 
Die Prince moestet weder halen.
 
 
8
Hertoch van Cleef met uwen steden,
 
En doet gheen verloren pijn,2
 
En laet Heynsberch met vreden,
 
Ten mach niet anders zijn!4
 
Ende legt den Keyser thooft inde schoot:
 
Ghi weet zijn macht is u te groot,
 
Wat condy dan bedrijven?
 
Die minste moet ghi bliven.
1Zie de toelichting van no. XLIV.
4steen, steden, zie ook 8, 1.
6opghebracht, te voorschijn gebracht.
1Hansken van Gelder, hier blijkbaar als bijnaam voor den Gelderschman gebruikt.
4met uitentreuren daarom te bedelen.
5gij zijt voor uw leven geborgen.
8bederven, in het ongeluk komen.
5wij achten uw pochen geen zier.
6-8gij moogt u voorbereiden op geen ander antwoord dan de koekoek geeft, n.l. zotteklap.
1Araignen, Oranje.
2saen, spoedig,
3calaigne, overlast.
2fier, dapper.
5gewelt, macht.
1l.: brocht.
2bedacht, gezind.
3verwaende, ingebeelde.
4qualick geraect sijn, er slecht aan toe zijn, de slechte gevolgen (van iets) ondervinden.
6ontleent, geleend (van).
2verloren pijn, vergeefsche moeite.
4mach, kan.
prepostterug  begin  verder