Dit spotliedje heeft op hetzelfde feit betrekking als het voorafgaande: het tweede ontzet van Heinsberg. Het geheele lied door spreekt de dichter op schamperen toon tot de Gelderschen, die met hun gansche macht Heinsberg waren gaan belegeren, maar het op een loopen zetten, zoodra de Prins van Oranje tot proviandeering aanrukte. Hoe prat waren die Gelderschen geweest op ‘des Paeschavonts victory’, d. i. de nederlaag, die zij den Prins van Oranje na zijn eerste proviandeering, te Sittard hadden toegebracht1; doch nu hebben de keizerlijken die nederlaag gewroken en zelfs 't geschut heroverd, dat daarbij was verloren gegaan.
In de slotstrofe vermaant de dichter den Gelderschen Hertog ernstig niet langer vergeefsche moeite te doen, maar zich liever aan den Keizer, tegen wiens macht hij toch niet opgewassen is, te onderwerpen.
Het liedje komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 339, no. CCXIX).
Bron: zie het voorafgaande lied.