terug  begin  verderprepost
[p. 223]

1543.
XLVI. Vreugdelied op de aanstaande Komst des Keizers.

Ingevolge het verdrag door Frans I met Heiradin Barbarossa gesloten, kwam in Juli 1542 een Turksche vloot zich met de Fransche vereenigen. Ofschoon haar vereende krijgsdaden in hoofdzaak tot de inneming van Nizza beperkt bleven, kon de Keizer, die tevens te land door de Franschen werd aangevallen, in deze omstandigheden Spanje niet verlaten, hoe gaarne hij voor de onderwerping van Willem van Kleef naar de Nederlanden was opgetrokken. Eerst toen de Turksche vloot in April 1543 was weggevaren, scheepte de Keizer zich te Barcelona in. Den 13den Juni landde hij te Genua, waar hij onze Staten van zijn aanstaande komst verwittigde. Waarschijnlijk is na de ontvangst van dit bericht onderstaand vreugdeliedje gedicht.

Evenals de arend, wiens beeld hij in zijn wapen voert, uitvliegt om visch voor zijn jongen, zoo is de edele Keizer uitgetrokken in het belang der zijnen. Reeds den vierden April had hij hierheen willen komen, maar een aanval der Turken hield hem terug; door Gods hulp versloeg hij hen echter. Van een bepaalden slag vond ik echter geen melding. Daarna versterkte hij de grenssteden, vooral Perpignan; nam afscheid van zijn kinderen (Filips, Maria en Johanna) en scheepte zich den vierden Mei te Barcelona in. Volgens den dichter zou de Keizer een voorspoedige zeereis naar Genua gehad hebben; we weten echter, dat het tegendeel het geval was. Ieder moet nu toebereidselen maken voor de terugkomst van den vorst. In de slotstrofe dankt de dichter allen, die tijdens de afwezigheid van den vorst zijn landen beschermd hebben, met name de landvoogdes Maria, den Graaf de Roeulx1, Réné van Châlons, Prins van Oranje2, en Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buren, van wien wij weten, dat hij de Franschen op de grenzen van Picardië dapper bestreden heeft.

[p. 224]

Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 307, no. CC).

 

Bronnen: Henne VIII, blz. 116 vlgg.; Pontus Heuterus, Op. hist. 1643, lib. XI, cap. XX.

Een nyeu Liedeken.
1
Lof God en weest verblijt,
 
Al dye Bourgoensche zijt!
 
Elck schaft nu hupschen moet:3
 
Al ist oorloghe en strijt,
 
Voor ons noyt beter tijt,
 
Comt ons Keyser, het edel bloet,
 
Int lant gelijc hi doet.
 
Naer Davidts woort hi moet
 
Wel zijn ghebenedijt,
 
Die compt om ons profijt,
 
In den name des Heeren soet!8-11
 
 
2
Ons Keyser, dat edel greyn,1
 
Mach wel den aernt certeyn
 
Doen in zijn wapen staen!
 
Den edelen aernt reyn,
 
Die sietmen int ghemeyn5
 
Boven alle wolcken gaen,
 
Dan daelt hi neder saen7
 
Inder zee rasch onbelaen
 
Ende daer so haelt hi eyn9
 
Visch, om sijn joncxkens cleyn
 
Den honghere te verslaen.
 
 
3
Sgelijcx over reyset al:1
 
Lant, water, berch, ende dal,
 
Ons edel Keyser fijn;
[p. 225]
 
En sorghet voor groot en smal,
 
Hoe hi donnosel sal5
 
Beschermen voor ghepijn.6
 
Als wi in rusten zijn,
 
Hi en rust in gheen termijn,
 
Maer waect voor zijn ghetal,9
 
Al maect hi cleyn gheschal,10
 
Alsoot nu es aanschijn.11
 
 
4
Naer Vlaenderlant mignoot1
 
Was ons Keyser devoot2
 
In April den vierden dach
 
Op vaerde, maer den stoot,4
 
Die doen den Turck hem boot,
 
Belette[t] somen sach.
 
Christus, diet al vermach,
 
Hielp hem in dat bejach,8
 
Dat den Turck voor hem vloot,
 
Sijn vyanden bleven doot;
 
Lof God, hi wan den slach!
 
 
5
Als ons Keyser playsant1
 
Die Turcken wt sijn lant
 
Dus hadde ghedaen vlien,
 
Hi heeft in elcken cant
 
Die frontieren vailliant5
 
In Spanien van als voorsien.6
 
Aen zijn kinderen doen te tien7
 
En alle edele tot dien8
 
Nam hi huesschen oorlof, want9
 
Hi quam Perpiniant10
 
Verstercken van crijschlien.
[p. 226]
6
Als hijt in Spaenghien claer1 en 2
 
Ghestelt hadde alle gaer,
 
Den vierden in Meye lest leet3
 
Quam hi om ons welvaer
 
Te Basseloenien, daer5
 
Al sijn schepen laghen bereet,6
 
Daer ons Keyser in screet,
 
Met al zijn edele discreet.
 
Dus so quam hi eenpaer9
 
Met een groote armee naer
 
Dese Nederlanden breet.11
 
 
7
Lof God, want hy hem scanck
 
Goede weeder en voortghanck.
 
Hi is ghearriveert
 
Te Jenes vry en vranck,4
 
Daer elck ter vruecht ontspranc,5
 
En seer heeft ghetriumpheert.
 
Elck nu verjubileert
 
En ghereeschap pretendeert8
 
Naer des Keysers ontfanck,9
 
Want hi naer ons verlanck10
 
Comt ons bi onghecesseert.11
 
 
8
Vrou Marie ingenieus
 
En den Grave van Reus,2
 
Van Aranien den Princier,3
 
Den Grave van Buren, vleus,4
 
En alle edele coragieus
 
Wi bedancken in dit quartier;6
 
Want zijs Keysers landen hier
[p. 227]
 
Beschermt hebben voor dangier
 
Dese tijt periculues.
 
Ons Keyser fortunieus
 
Sals haer nu bedancken schier.11
1Zie blz. 200.
2Zie blz. 190, 208, 217.
3elk vat nu frisschen moed.
8-11zie Psalm 118, vs. 26: Gezegend zij hij, die daar komt in den naam des Heeren!
1greyn, voortreffelijk mensch.
5int ghemeyn, openlijk, ten aanschouwen van het algemeen.
7saen, spoedig.
9eyn, een.
1sgelijcx, desgelijks.
5donnosel, den onschuldige.
6ghepijn, pijn, moeite.
9voor zijn ghetal, voor de zijnen.
10gheschal, ophef.
11es aenschijn, blijkt.
1mignoot (fra. mignot), dierbaar.
2devoot, vroom.
4op vaerde, op weg.
8bejach. streven.
1playsant, geliefd.
5vailliant, sterk.
6van als, van alles.
7doen te tien, toen ten tijde.
8tot dien, bovendien.
9hi nam huesschen oorlof (aen), hij nam vriendelijk afscheid (van).
10Perpiniant, Perpignan.
1 en 2claer ghestelt, in orde gemaakt.
3lest leet, laatstleden.
5Basseloenien, Barcelona.
6bereet, gereed.
9eenpaer, met gelijkmatige snelheid.
11breet, machtige.
4Jenes, Genua.
5ter vruecht ontspranc, opsprong van vreugde.
8maakt toebereidselen.
9voor de ontvangst des Keizers.
10naer ons verlanck, naar onzen wensch.
11komt zonder dralen tot ons.
2den Grave van Reus, De Roeulx.
3den Prins van Oranje.
4Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buren; vleus (Kiliaen vleugs), fluks.
6quartier, streek.
11zal hen nu daarvoor spoedig bedanker.
prepostterug  begin  verder