Ingevolge het verdrag door Frans I met Heiradin Barbarossa gesloten, kwam in Juli 1542 een Turksche vloot zich met de Fransche vereenigen. Ofschoon haar vereende krijgsdaden in hoofdzaak tot de inneming van Nizza beperkt bleven, kon de Keizer, die tevens te land door de Franschen werd aangevallen, in deze omstandigheden Spanje niet verlaten, hoe gaarne hij voor de onderwerping van Willem van Kleef naar de Nederlanden was opgetrokken. Eerst toen de Turksche vloot in April 1543 was weggevaren, scheepte de Keizer zich te Barcelona in. Den 13den Juni landde hij te Genua, waar hij onze Staten van zijn aanstaande komst verwittigde. Waarschijnlijk is na de ontvangst van dit bericht onderstaand vreugdeliedje gedicht.
Evenals de arend, wiens beeld hij in zijn wapen voert, uitvliegt om visch voor zijn jongen, zoo is de edele Keizer uitgetrokken in het belang der zijnen. Reeds den vierden April had hij hierheen willen komen, maar een aanval der Turken hield hem terug; door Gods hulp versloeg hij hen echter. Van een bepaalden slag vond ik echter geen melding. Daarna versterkte hij de grenssteden, vooral Perpignan; nam afscheid van zijn kinderen (Filips, Maria en Johanna) en scheepte zich den vierden Mei te Barcelona in. Volgens den dichter zou de Keizer een voorspoedige zeereis naar Genua gehad hebben; we weten echter, dat het tegendeel het geval was. Ieder moet nu toebereidselen maken voor de terugkomst van den vorst. In de slotstrofe dankt de dichter allen, die tijdens de afwezigheid van den vorst zijn landen beschermd hebben, met name de landvoogdes Maria, den Graaf de Roeulx1, Réné van Châlons, Prins van Oranje2, en Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buren, van wien wij weten, dat hij de Franschen op de grenzen van Picardië dapper bestreden heeft.
Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 307, no. CC).
Bronnen: Henne VIII, blz. 116 vlgg.; Pontus Heuterus, Op. hist. 1643, lib. XI, cap. XX.