terug  begin  verderprepost

1543.
XLVII. Vreugdelied op de Onderwerping van Hertog Willem van Gulik.

Van Italië1 reisde Karel V over Duitschland hierheen. Vol verlangen den Gelderschen Hertog voor zijn opstand te straffen, trok hij den twintigsten Augustus van Spiers naar Gulik op; de bemiddeling, die de Aartsbisschop van Keulen en de Hertog van Saksen in deze zaak hadden aangeboden, was door den Keizer van de hand gewezen. Echter konden zijn vijanden niet aan 's Keizers terugkomst gelooven, maar meenden, dat hij op zijn ongelukkigen tocht naar Algiers was omgekomen. Toen dus Karel den 23sten Augustus uit zijn naam Duren liet opeischen, antwoordde dit, dat men niet bevreesd was voor een vorst, dien de visschen reeds lang hadden opgegeten. Na eene bestorming van twee dagen moest de stad zich echter overgeven, waarop de meeste Guliksche steden zich onderwierpen. Karel liet hierop de onderwerping van het overige deel en van Kleef aan den Graaf van Hoogstraten over en trok zelf door naar Gelder. Op 30 Augustus verscheen hij voor Roermond, dat zich terstond overgaf. Verscheidene Geldersche steden kwamen hierop hare onderwerping aanbieden, alleen Venlo maakte zich tot een krachtig verzet gereed, toen Willem van Kleef, uit vrees van ook Gulik en Kleef te zullen verliezen, besloot zich te onderwerpen. Den 7den September begaf hij zich, vergezeld van zijn bemiddelaars, den Hertog van Brunswijk en den Coadjutor van Keulen, naar 't keizerlijk kamp, waar Karel hen zittend ontving. Alle drie knielden neer en de Hertog van Brunswijk riep 's Keizers

[p. 228]

genade in voor Willem, die hierop zelf zijn schuldbekentenis uitsprak. Nog dienzelfden dag kwam het verdrag van Venlo tot stand. Hierbij moest de overwonnen Hertog beloven in zijn staten den Katholieken godsdienst te handhaven en de ketterij uit te roeien; den Keizer te gehoorzamen en alle verdragen met diens vijanden te verbreken; en het hertogdom Gelderland en het graafschap Zutfen af te staan. Gulik en Kleef mocht hij behouden, maar Heinsberg en Sittard zouden aan den Keizer in pand komen, tot de bepalingen van het verdrag waren nagekomen. Het liedje op dit feit is blijkens de eerste strofe gedicht, om op een feestmaal ter eere van 's Keizers overwinning, gezongen te worden. Het herinnert aan den bangen tijd, toen Karels vijanden van zijn afwezigheid gebruik maakten om zijn landen te verwoesten en tevens het gerucht uitstrooiden, dat de Keizer was omgekomen. Maar wie zich vernedert, zal verhoogd worden, en wie zich verhoogt, vernederd, dit laatste is gebleken aan Willem van Gulik, die nu een gevangene is. (Doch van eene gevangenschap is feitelijk geen sprake geweest.) Op raad van de keurvorsten, wier voorspraak de Keizer eerst van de hand wees, heeft hij zich moeten overgeven. Maar de bedriegerijen van zijn bondgenoot, den hoofdschuldige, zijn nu ook gebleken en de Fransche Koning zal evenmin zijn straf ontkomen. Gelder, Kleef en Gulik verzoeken nu zelf door den Keizer met Brabant en Holland te worden vereenigd. Deze mededeeling is in strijd met de geschiedenis, want de Hertog had alleen Gelder behoeven af te staan, en dit was met Holland, Zeeland en Utrecht vereenigd onder het stadhouderschap van Réné van Châlons, Prins van Oranje. Op welke profetie in str. 6, vs. 1 gedoeld wordt, heb ik niet kunnen nagaan; een dergelijke vermelding vinden wij ook in de slotstrofe van no. XLIX.

In de slotstrofe wordt de Prince toegepast op Karel, voor wiens krachtige hand alles buigen moet, en die, zoo God wil, zelfs het gebied der Turken zal onderwerpen.

Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 292, no. CXC).

 

Bronnen: Henne VIII, blz. 120-130; Slichtenhorst.

[p. 229]
Een nyeu Liedeken.
1
Hoort menschen, hier gheseten
 
Int Borgoensche crijt,2
 
Die vromelijc drincken en eeten3
 
En bedrijven jolijt,4
 
Om dat ons Keyser nu wordt benijt,5
 
Ende so vromelic strijt,
 
Dies zijn wy verblijt;
 
Wi dancken al tsamen God ghebenedijt.
 
 
2
Menich herteken was int benauwen1
 
Int Bourgoensche pleyn,2
 
Om dat Gelder en Cleefsche landouwen
 
En die Gulkenaers cleyn4
 
Spraken van onsen Keyser vileyn5
 
Ende seyden certeyn,
 
Al tsamen ghemeyn,7
 
Dat hem die cabbeliauwen hadden eyn.8
 
 
3
Een herte vernedert van gheeste,
 
In Gods toeverlaet,2
 
Niewers hem en maect de meeste1,3
 
Wert verheven jaet;4
 
Maer, die hem verheft, hoort menschelijc saet,
 
Wert vernedert quaet;6
 
Het blijct aent misdaet:
 
Vraget Willem van Guilic, die gevangen gaet.
 
 
4
Die coervoorsters spraken te rade1
 
Aen ons Keyserlijck graen,2
 
Of hy Willem niet in genade
[p. 230]
 
Soude willen ontfaen.
 
Ons Keyser en wilde aen sulc vermaen5 en 6
 
Gheen hant aen slaen;
 
Hi wilde weten saen,7
 
Waer om dat hy den Arent was afgegaen.8
 
 
5
Die coervoorsters, elck ander in stade,1
 
Gingen Willem bevroen2
 
Ende spraken: ‘Eert is te spade,
 
Hoort hier, Clevenaer coen,
 
Trec in Keysers handen op dit saisoen,5
 
In der velden groen,
 
Als gevangen baroen,7
 
En op diet u rieden, wilt u onschult doen!8
 
 
6
Nu en sal prophecie niet liegen,
 
Hoort al hier naer!
 
Alle loosheyt en bedrieghen
 
Wert nu openbaer!
 
Tis so misselic, wiet berocket heeft,5 en 6
 
En dus heeft gesneeft;
 
Vry, lelie, nu beeft!
 
Wi dancken God dat onsen Keyser noch leeft.
 
 
7
Gelder, Cleef en Guylic, die landen,
 
Recht vry ongespaert2
 
Begeren onder ons Keysers handen
 
Te sijne bewaert.
 
Wilde hyse ontfangen als Keyser vermaert,
 
Si zijn vol vaert6
 
Nae den vroemen libaert;7
 
Hi wilse met Brabant, Hollant, hebben gepaert.
[p. 231]
8
O princelijc prince verheven,
 
Karolus coragieus,
 
Van ws gelijcken en was noit ghescreven,
 
Noch soe victorieus!
 
Het buycht al voor ons Keyser valiant!
 
Doer Gods crachtige hant
 
Den Torcxen tirant,
 
Wilt God, ons Keiser sal besitten sijn lant!

1Zie het voorafgaande lied.
2crijt, gebied.
3vromelijc, flink.
4jolijt, vreugde.
5benijt, bestreden.
1int benauwen, in benauwdheid.
2pleyn, gebied.
4en die minne Gulkenaers.
5vileyn, op een gemeene wijze.
7ghemeyn, gemeenschappelijk.
8hadden eyn, in hun macht hadden.
2in vertrouwen op God.
1l.: Die nieuwers enz.
3(dat) zich in geen enkel opzicht aanstelt als de voornaamste.
4jaet, voorzeker.
6quaet, op droevige wijze.
1coervoorsters, keurvorsten; spraken te rade aen, beraadslaagden met.
2graen, uitstekend persoon.
5 en 6onze Keizer wilde van zulk een verzoek niets weten.
7saen, terstond.
8den Arent, den Duitschen Keizer.
1elck ander in stade, eensgezind.
2bevroen, raden.
5op dit saisoen, op dit oogenblik.
7baroen, leenman, rijksgroote.
8wilt uwe verontschuldigingen maken,vertrouwende op hen, die 't u aanrieden.
5 en 6het is onverschillig, wie dit op touw gezet heeft en dus misdaan.
2ongespaert, onverwijld.
6vaert, verlangen.
7libaert, leeuw als symbool van Holland en Brabant, die beide een leeuw in 't wapen voeren.
Lezingen van den tekst. 1, 4: bedreven. 2, 8: .... hadden in.
prepostterug  begin  verder