Van Italië1 reisde Karel V over Duitschland hierheen. Vol verlangen den Gelderschen Hertog voor zijn opstand te straffen, trok hij den twintigsten Augustus van Spiers naar Gulik op; de bemiddeling, die de Aartsbisschop van Keulen en de Hertog van Saksen in deze zaak hadden aangeboden, was door den Keizer van de hand gewezen. Echter konden zijn vijanden niet aan 's Keizers terugkomst gelooven, maar meenden, dat hij op zijn ongelukkigen tocht naar Algiers was omgekomen. Toen dus Karel den 23sten Augustus uit zijn naam Duren liet opeischen, antwoordde dit, dat men niet bevreesd was voor een vorst, dien de visschen reeds lang hadden opgegeten. Na eene bestorming van twee dagen moest de stad zich echter overgeven, waarop de meeste Guliksche steden zich onderwierpen. Karel liet hierop de onderwerping van het overige deel en van Kleef aan den Graaf van Hoogstraten over en trok zelf door naar Gelder. Op 30 Augustus verscheen hij voor Roermond, dat zich terstond overgaf. Verscheidene Geldersche steden kwamen hierop hare onderwerping aanbieden, alleen Venlo maakte zich tot een krachtig verzet gereed, toen Willem van Kleef, uit vrees van ook Gulik en Kleef te zullen verliezen, besloot zich te onderwerpen. Den 7den September begaf hij zich, vergezeld van zijn bemiddelaars, den Hertog van Brunswijk en den Coadjutor van Keulen, naar 't keizerlijk kamp, waar Karel hen zittend ontving. Alle drie knielden neer en de Hertog van Brunswijk riep 's Keizers
genade in voor Willem, die hierop zelf zijn schuldbekentenis uitsprak. Nog dienzelfden dag kwam het verdrag van Venlo tot stand. Hierbij moest de overwonnen Hertog beloven in zijn staten den Katholieken godsdienst te handhaven en de ketterij uit te roeien; den Keizer te gehoorzamen en alle verdragen met diens vijanden te verbreken; en het hertogdom Gelderland en het graafschap Zutfen af te staan. Gulik en Kleef mocht hij behouden, maar Heinsberg en Sittard zouden aan den Keizer in pand komen, tot de bepalingen van het verdrag waren nagekomen. Het liedje op dit feit is blijkens de eerste strofe gedicht, om op een feestmaal ter eere van 's Keizers overwinning, gezongen te worden. Het herinnert aan den bangen tijd, toen Karels vijanden van zijn afwezigheid gebruik maakten om zijn landen te verwoesten en tevens het gerucht uitstrooiden, dat de Keizer was omgekomen. Maar wie zich vernedert, zal verhoogd worden, en wie zich verhoogt, vernederd, dit laatste is gebleken aan Willem van Gulik, die nu een gevangene is. (Doch van eene gevangenschap is feitelijk geen sprake geweest.) Op raad van de keurvorsten, wier voorspraak de Keizer eerst van de hand wees, heeft hij zich moeten overgeven. Maar de bedriegerijen van zijn bondgenoot, den hoofdschuldige, zijn nu ook gebleken en de Fransche Koning zal evenmin zijn straf ontkomen. Gelder, Kleef en Gulik verzoeken nu zelf door den Keizer met Brabant en Holland te worden vereenigd. Deze mededeeling is in strijd met de geschiedenis, want de Hertog had alleen Gelder behoeven af te staan, en dit was met Holland, Zeeland en Utrecht vereenigd onder het stadhouderschap van Réné van Châlons, Prins van Oranje. Op welke profetie in str. 6, vs. 1 gedoeld wordt, heb ik niet kunnen nagaan; een dergelijke vermelding vinden wij ook in de slotstrofe van no. XLIX.
In de slotstrofe wordt de Prince toegepast op Karel, voor wiens krachtige hand alles buigen moet, en die, zoo God wil, zelfs het gebied der Turken zal onderwerpen.
Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 292, no. CXC).
Bronnen: Henne VIII, blz. 120-130; Slichtenhorst.