terug  begin  verderprepost

1543.
XLVIII. Lied op den Keizer, die de Franschen in Henegouwen gaat bevechten.

De garnizoenen van Henegouwen waren door het afstaan van hulp tegen Gulik zeer verzwakt, en Frans I maakte hiervan gebruik door half Juni in dit gewest een inval te doen. Eerst viel hij Avennes aan, maar veranderde toen van krijgsplan en nam Landrecy. Voor hij nu het beleg der eerste stad hervatte, wilde de Koning wijd en zijd schrik verspreiden en zond hiertoe den Dauphin met de helft van het leger weg om de naburige kasteelen te verwoesten. Op dezen tocht had men bemerkt, dat de stad Binches zoogoed als geen bezetting had en Frans gelastte zijn zoon onmiddellijk na zijn terugkeer haar te gaan aanvallen. Maar intusschen had de landvoogdes argwaan gekregen en er troepen heengezonden, die den verbaasden Franschen een flinke ontvangst bereidden: met verlies van eenige dooden en verscheidene gewonden moesten zij aftrekken. De Koning was onderwijl even ongelukkig geweest in zijne onderneming tegen Avennes en hij besloot op 't eind van Juli zijn leger te ontbinden. Eerst in 't begin van September trok hij weer naar Luxemburg op, en het gelukte hem dit op 't einde dier maand te onderwerpen. Nu zou hij eindelijk ondersteuning aan Willem van Kleef zenden, toen hij diens onderwerping vernam. Intusschen waren de omstandigheden veranderd: Karel V had steeds gelukkig gestreden en werd krachtig gesteund door Hendrik VIII van Engeland, terwijl

[p. 232]

Frans I vergeefs naar nieuwe bondgenooten uitzag en op zelfverdediging bedacht moest zijn.

Kort na de onderwerping van Gelderland had de Keizer zijn leger naar Henegouwen gezonden. Terwijl een aanval van jicht hem zelf te Diest terughield, zond hij de Roeulx en Aerschot heen om Landrecy te gaan belegeren. Den 28sten October hoorde men, dat Frans I tot het ontzet dier plaats aanrukte, en terstond plaatste Karel V zich aan het hoofd van zijn leger en rukte tegen hem op.

Kort hierop moet dit liedje gedicht zijn, dat besluit met de vermelding van 's Keizers optrekken naar Henegouwen. Eerst wordt vermeld, hoe de Keizer, door zijn vijanden reeds dood verklaard, teruggekeerd is om hen alom te verslaan. Gelderland heeft hij onderworpen en gesteld onder den Prins van Oranje; evenals de andere gewesten steunt het nu den Keizer tegen de Franschen en Turken. Want de dichter is zoo van afschuw vervuld over het verbond van deze beide volken, dat hij ze steeds in één adem noemt, ofschoon in dezen tijd de Turken reeds lang en breed weer waren weggetrokken. De dichter spreekt den Franschen koning aan om hem zijn schandelijk gedrag te verwijten en zijn onvermijdelijken val voor oogen te houden. Wèl hebben de Franschen in Henegouwen ‘menich schoon dorp’ verbrand, maar voor Binches heeft de Dauphin het hoofd gestooten en zijn oppersten kapitein verloren. Wie dit was, heb ik niet kunnen nasporen.1

De dichter, een landsknecht, die blijkbaar als ooggetuige de Geldersche troepen door Lier heeft zien trekken (hij geeft nauwkeurig hun aantal en dat hunner paarden op), uit in de slotstrofe den wensch dat het met allen, die den Keizer het hoofd bieden, zoo moge afloopen en spreekt de bede uit, dat de Keizer en zijn leger mogen zegepralen.

Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 341, no. CCXX).

 

Bron: Henne VIII, blz. 106 vlgg.

[p. 233]
Een nyeu Liedeken.
1
Wonder sietmen nu ghebueren
 
Van onsen Keyser playsant:2
 
Men siet hem al omme verschueren
 
Sijn vyanden in zijn lant!
 
Hi is comen, verstaet wel dat;
 
Sijn vyanden, die en wisten niet bat,6 en 7
 
Den cabbeliau had hem verbeten,
 
Maer hi en heeft ons niet vergeten.
 
 
2
Binnen Diest heeft hi gheleghen
 
Met so menighen vromen man,2
 
Na dat hi Gelderlant in heeft gecreghen,3
 
Dat lant van Gulic ende Cleve als dan,
 
Die hem nu al onderdanich zijn,
 
En niet meer en willen wederspanich zijn,2-6
 
Mer helpen hem straven, als donbekende,7
 
De Torc Fransoysen met haerder benden.
 
 
3
Den Prince van Araengien, als opperveltheere1
 
Der Keyserliker majesteyt,
 
Verwaert Gelderlant met prijs ende eere3
 
Al om zijn vromicheyt;
 
Is een beschermer van dat Geldersce lant.
 
Onder die Bourgoensce is hi seer wel bekant,
 
Dat weten al zijn vyanden,
 
Want si zijn nu onder des Keysers handen.8
 
 
4
Vier en twintich venlijn Gheldersce knechten
 
Sijn corts door Liere gepasseert2
[p. 234]
 
En willen den Keyser gaen helpen vechten;
 
Xij. hondert peerden onghecesseert,4
 
Die gaen nu onsen Keyser bijstaen,
 
Om den Franchoys doen ruymen die baen6
 
Met al zijn medeplegers
 
En verstoren die Franche en Torcxe legers.8
 
 
5
O Coninck, u mach wel gr[o]uwen
 
Vander grooter overdaet:2
 
Dat ghi met den Torck hebt gebrouwen,3 en 4
 
Het sal u noch worden quaet!
 
Want u gantsce gheheele macht
 
Sal ten eynde wesen heel tonderbracht,6
 
Want den Enghelsman, cloeck van leden,7 en 8
 
En sal u ooc niet laten met vreden.
 
 
6
Al hebdy den Torck te baten,1
 
God heeft boven al die macht!
 
Ghi sult hem noch moeten verlaten
 
En ontsien des Keysers cracht,4
 
Want hi comt met groten ghewelt;5
 
Den hertooch van Cleve heeft hem biden keysere gestelt.
 
Met al zijn ondersaten
 
Comt hi den Keyser oock te baten.
 
 
7
Van Diest is ons Keyser ghetoghen
 
In dat Henegoussche lant,
 
Daer die Fransoysen ongheloghen
 
Menich schoon dorp hebben verbrant.
 
Maer die van Bins hebben den Fransman weerstaen;5
 
Si hebben den dolfijn doen rumen de baen
[p. 235]
 
Met alle zijn ondersaten,
 
Sijn opperste capiteyn moest hi daer laten.
 
 
8
Dus moeten si allen varen,1
 
Die teghen den Keyser opstaen,
 
En die hen selven paren3
 
Om ons te doen ruymen die baen!
 
Laet ons nu God bidden, groot ende cleyn,
 
Voor al de Bourgoensce kinderen reyn,6
 
Voor onsen Keyser ghepresen,
 
Dat hi victorieux mach wesen!

1Martin du Bellay vermeldt het sneuvelen van drie jonge edelen: d'Allègre, Chastillon en Gaspard de Colligny, doch zonder bijvoeging van deze waardigheid.
2playsant, geliefd.
6 en 7zijn vijanden wisten niet beter, of de kabeljauw had hem doodgebeten (zinspeling op het gerucht, dat Karel V zou verdronken zijn).
2vromen, dapperen.
3in heeft gecreghen, in zijn bezit heeft gekregen.
2-6zie no. XLVII.
7straven, straffen; donbekende, de verharden, de verblinden, hier gebezigd van de Turken en Franschen, in het volgende vers.
1Araengien, Oranje.
3verwaert, behoedt, verdedigt.
8onder des Keysers handen, aan den Keizer onderworpen.
2corts, kort geleden.
4onghecesseert, onmiddellijk.
6om den Franschman het veld te doen ruimen.
8verstoren, vernielen.
2overdaet, euveldaad.
3 en 4wat gij met de Turken hebt ondernomen, zal u nog opbreken.
6zal ten slotte geheel onderworpen worden.
7 en 8Hendrik VIII wilde zich op Frans I wreken, omdat deze de Schotten bij hun inval in Engeland gesteund had.
1al hebt gij den Turk op uw hand.
4ontsien, vreezen.
5ghewelt, macht.
5Bins, Binches.
1zoo moge het met allen gaan, afloopen.
3en die zich vereenigen.
6voor alle onderdanen van den Bourgondischen vorst.
prepostterug  begin  verder