De garnizoenen van Henegouwen waren door het afstaan van hulp tegen Gulik zeer verzwakt, en Frans I maakte hiervan gebruik door half Juni in dit gewest een inval te doen. Eerst viel hij Avennes aan, maar veranderde toen van krijgsplan en nam Landrecy. Voor hij nu het beleg der eerste stad hervatte, wilde de Koning wijd en zijd schrik verspreiden en zond hiertoe den Dauphin met de helft van het leger weg om de naburige kasteelen te verwoesten. Op dezen tocht had men bemerkt, dat de stad Binches zoogoed als geen bezetting had en Frans gelastte zijn zoon onmiddellijk na zijn terugkeer haar te gaan aanvallen. Maar intusschen had de landvoogdes argwaan gekregen en er troepen heengezonden, die den verbaasden Franschen een flinke ontvangst bereidden: met verlies van eenige dooden en verscheidene gewonden moesten zij aftrekken. De Koning was onderwijl even ongelukkig geweest in zijne onderneming tegen Avennes en hij besloot op 't eind van Juli zijn leger te ontbinden. Eerst in 't begin van September trok hij weer naar Luxemburg op, en het gelukte hem dit op 't einde dier maand te onderwerpen. Nu zou hij eindelijk ondersteuning aan Willem van Kleef zenden, toen hij diens onderwerping vernam. Intusschen waren de omstandigheden veranderd: Karel V had steeds gelukkig gestreden en werd krachtig gesteund door Hendrik VIII van Engeland, terwijl
Frans I vergeefs naar nieuwe bondgenooten uitzag en op zelfverdediging bedacht moest zijn.
Kort na de onderwerping van Gelderland had de Keizer zijn leger naar Henegouwen gezonden. Terwijl een aanval van jicht hem zelf te Diest terughield, zond hij de Roeulx en Aerschot heen om Landrecy te gaan belegeren. Den 28sten October hoorde men, dat Frans I tot het ontzet dier plaats aanrukte, en terstond plaatste Karel V zich aan het hoofd van zijn leger en rukte tegen hem op.
Kort hierop moet dit liedje gedicht zijn, dat besluit met de vermelding van 's Keizers optrekken naar Henegouwen. Eerst wordt vermeld, hoe de Keizer, door zijn vijanden reeds dood verklaard, teruggekeerd is om hen alom te verslaan. Gelderland heeft hij onderworpen en gesteld onder den Prins van Oranje; evenals de andere gewesten steunt het nu den Keizer tegen de Franschen en Turken. Want de dichter is zoo van afschuw vervuld over het verbond van deze beide volken, dat hij ze steeds in één adem noemt, ofschoon in dezen tijd de Turken reeds lang en breed weer waren weggetrokken. De dichter spreekt den Franschen koning aan om hem zijn schandelijk gedrag te verwijten en zijn onvermijdelijken val voor oogen te houden. Wèl hebben de Franschen in Henegouwen ‘menich schoon dorp’ verbrand, maar voor Binches heeft de Dauphin het hoofd gestooten en zijn oppersten kapitein verloren. Wie dit was, heb ik niet kunnen nasporen.1
De dichter, een landsknecht, die blijkbaar als ooggetuige de Geldersche troepen door Lier heeft zien trekken (hij geeft nauwkeurig hun aantal en dat hunner paarden op), uit in de slotstrofe den wensch dat het met allen, die den Keizer het hoofd bieden, zoo moge afloopen en spreekt de bede uit, dat de Keizer en zijn leger mogen zegepralen.
Het lied komt voor in het Antwerpsche Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 341, no. CCXX).
Bron: Henne VIII, blz. 106 vlgg.