Den eersten November was Karel V voor Landrecy verschenen1, doch de berichten over de bewegingen der Franschen deden hem den volgenden dag zijne stelling weer verlaten om tegen Frans op te trekken. Den 3den November had tusschen beide legers eene lichte schermutseling plaats en den 4den eene langdurige worsteling, doch het was blijkbaar, dat de Fransche Koning een ernstigen strijd wilde vermijden, ofschoon hij wel het gerucht deed verspreiden, dat hij dien zocht. Toen de Keizer den 4den November vergeefs had afgewacht, of de Franschen den strijd wilden hervatten, besloot hij het beleg van Landrecy wegens het vergevorderde jaargetijde op te breken; dienzelfden avond trok Frans met stille trom in de richting van Guise weg. Toen Karel den volgenden morgen van dezen aftocht hoorde, zond hij den Franschen een afdeeling ruiterij achterna, die hen inhaalde en na een vrij levendig gevecht versloeg. Veel ammunitie werd bij deze
gelegenheid buitgemaakt. De vrees, dat men het opbreken van 't beleg als eene nederlaag zou beschouwen en de wensch, dat heel Europa weten zou, hoe Frans I zich aan een beslissenden slag onttrokken had, dreven den Keizer ertoe zijne zuster, de landvoogdes, te verzoeken, zijn brieven, die op deze zaak betrekking hadden, openbaar te maken en er kopieën van in het buitenland te verspreiden.
De dichter van het liedje is blijkbaar van de historische toedracht der gebeurtenissen niet goed op de hoogte. Hij doet het voorkomen, alsof de Franschen bezig waren Landrecy te belegeren, doch bij de nadering des Keizers met geweld op hem zouden zijn aangestormd, waarop de Keizer zich in slagorde stelde en hen versloeg. De dichter kan niet nalaten hier met blijkbaar welgevallen ironisch op te merken, dat de Franschen bij deze gelegenheid toch bespeurd hebben, dat de Keizer niet, zooals zij uitgestrooid hadden, was omgekomen. Evenals in het voorafgaande lied worden in één adem met de Franschen steeds de Turken genoemd. Verder wordt vermeld, hoe de Dauphin zilver en goud in den steek heeft moeten laten (n.l. toen de ruiterij de Franschen vervolgde) en hoe flink de Keizer gesteund werd door Maarten van Rossum, die na het verdrag van Venlo in zijn dienst was overgegaan, en door den Graaf van Buren (Maximiliaan van Egmond). Nog eens vaart de dichter heftig uit tegen den Franschen Koning, die door zijn verbond met de Turken ons zooveel leed berokkend heeft, en looft dan God, die de voorspelling der profeten heeft tot vervulling gebracht, dat de Keizer over Turken en Franschen zou triumfeeren.
Waarschijnlijk was de dichter een Antwerpenaar of Gentenaar: dit zou de mededeeling in de eerste strofe, dat de Keizer Gent bezocht heeft en nu ook zijn aanhangers in Antwerpen zal komen bemoedigen, verklaarbaar maken. Den 24sten November was de Keizer weer in Brussel teruggekeerd, waarschijnlijk is dus 't liedje kort hierna gedicht.
Het komt voor in het Antwerpsch Liederboek van 1544 (Hor. Belg. XI, blz. 324, no. CCX).
Bron: Henne VIII, blz. 147 vlgg.