- Op 1 October 1885 is het eerste nummer van De Nieuwe Gids verschenen bij W. Versluys te Amsterdam. De Redactie bestond nit Frederik van Eeden, F. van der Goes, Willem Kloos, Willem Paap en Albert Verwey. Als oprichter wordt vrij algemeen Willem Kloos genoemd en in later jaren staat het zelfs gedrukt op den omslag. In de Inleiding tot de tweede reeks der Nieuwe-Gids-Jaargangen (9e jrg. II, 1894) noemt hij zichzelf ‘de stichter’. Wanneer men de feiten groepeert, komt men tot een geheel andere conclusie. Zonder twijfel is Kloos één der oprichters geweest, maar evenals in Flanor speelde hij bij de voorbereidende werkzaamheden geen rol van beteekenis. Van Eeden mag bij het groote publiek al naam hebben gehad vóór De Nieuwe Gids verschenen was, bij had de jongeren stond Kloos hooger Éangeschreven. En geen wonder. Hij had in De Nederlandsche Spectator en het Weekblad de Amsterdammer artikelen gepubliceerd, waaruit niet alleen zijn gedegen kennis en nagelvast oordeel bleken, maar ook zijn uitstekende stijl. Deze korte essays bereikten een hoog niveau en het In Memoriam Jacques Perk van November 1881 was voor de jongeren een manifest voor de nieuwe komende kunst. Het werd nog in belangrijkheid overtroffen door zijn inleiding van September 1882 bij de uitgave van Perks Mathildecyclus, een beginselverklaring, een monumentaal stuk proza, dat zich heeft kunnen handhaven in den loop der tijden.
Wat was natuurlijker dan een algemeene bewondering van zijn leeftijdgenooten? Voeg daar nog bij, dat hij gedichten had geschreven van bijzondere schoonheid en men kan volkomen begrijpen, dat Kloos niet alleen bewonderd, maar zelfs vereerd werd.
Wie waren het dan wèl, die het voorbereidende werk hebben gedaan?
Men weet, dat F. van der Groes oprichter van Flanor is geweest, waarin het idee van een tijdschrift aanyankelijk op den voorgrond heeft gestaan; dat Willem Paap daar een voorstander van was en de leuze l'art pour l'art heeft aahgeheven; dat het H. G. Samson was die al in 1881 als naam der vereeniging ‘De Nieuwe Gids’ voorstelde; dat H.C. Muller in Mei 1882 nog een poging deed om het plan tot oprichting van een tijdschrift te verwezenlijken, welke poging wederom mislukte en dat in December '84 en Januari '85 de plannen van de jongeren, buiten Flanor om, vaster vorm hadden aangenomen.
Daar de mededeelingen van Kloos over de oprichting van De Nieuwe Gids weinig betrouwbaar zijn gebleken en niet alles uit de authentieke stukken - wel veel - kan gereconstrueerd worden, zij hier liever gewezen op hetgeen de exacter Verwey in zijn reeds genoemd artikel Voor veertig jaar heeft gepubliceerd. Verwey geeft daarin aan Paap den lof, die hem toekomt. De vrienden, door Flanor samengebracht, waren op bezoek gegaan bij den uitgever Hyman Binger1 met wien de oprichting van een tijdschrift ernstig besproken werd.
‘Ik zie ons daar nog zitten - de zoon Binger bleef staande - terwijl de oude rheumatische uitgever, den linkerarm omhooggestrekt op de leuning van zijn stoel, ons jongeren - Van Deyssel, Van Eeden, Van der Goes, Kloos, Paap en mijn persoon - zijn meeningen uiteenzette. Eén keer stond hij op en liep naar de boekenkast. Hij was de vermaarde en belangelooze uitgever van Van Lennep's Vondel, en zoo verbaasde het niet dat hij voorsloeg het tijdschrift “Den Gulden Winckel” te noemen en naar zijn uitgaaf greep om ons den titel te laten zien. Maar hij eischte tienduizend gulden als waarborgsom en wij moesten bekennen dat zooveel kasgeld niet tot onze beschikking stond.
Niet lang daarna kwam Paap met een beter voorstel. Paap stond, vanwege zijn vriendschap voor Multatuli, in betrekking met J. Versluys, en deze had hem gezegd, dat zijn broeder, de uitgever W. Versluys, misschien wel geneigd zou zijn aannemelijker voorwaarden aan te bieden. Zoo gebeurde het. Versluys wou oogenblikkelijk tot de uitgaaf besluiten en er tegen het najaar toe overgaan, mits mogelijke schade door ons gedekt zou worden. Honorarium ontvingen we niet; eerst later werd het in bescheiden mate uitgekeerd.
Paap was het ook, die den titel “De Nieuwe Gids” voorstelde. Zoodra hij het deed was het ons duidelijk, dat dit de naam moest zijn. “De Gids”, in 1865 het orgaan van een zelfvoldane burgerij geworden, was vanzelf de vijand van ieder nieuw dichterlijk en geestesleven. Evenals hij in 1836 zich had aangemeld met den ondertitel Nieuwe Vaderlandsche Letteroefeningen, zouden wij nu het praedicaat Nieuwe naasten nevens hèm.’
Dit is het verhaal, zooals Verwey het ons voorlegt, maar eerlijkheidshalve - de latere phantasiën van Kloos laat ik buiten beschouwing, al zal ik op een enkel punt als voorbeeld de onjuistheid bewijzen - moet hier iets volgen uit een brief van Kloos, 17 Februari 1887 geschreven aan mr M.C.L. Lotsy, ijverig medewerker van De Nieuwe Gids in dien tijd. Men moet echter goed in het oog houden, dat Paap toen reeds afgetreden was als redacteur van het
tijdschrift en met Frans Netscher een weekblad had willen oprichten, waarin Kloos en de anderen - en terecht - concurrentie zagen met hun eigen blad. Er was dus een zekere animositeit. Aanvankelijk dacht Kloos, drie jaar jonger dan Paap, echter anders over hem. Die meening kan men vinden in de brieven van Kloos aan Vosmaer, ja zelfs den indruk van vriendschap krijgen, al was die voor den Haagschen schrijver grooter, daar hij hem een hartsgeheim toevertrouwde, waar Paap en Verwey niets van wisten (brief van 24 Dec. 1883). In 1881 (15, 19 en 31 Dec.) beroept hij zich op Paap tegenover Vosmaer. Op 24 December van dat jaar schrijft hij: ‘Maar, à propos, U moet Paap en mij volstrekt niet identificeeren. Hij heeft verstand, scherpzinnigheid en geest, maar wij verschillen hemelsbreed in sentimenten en in de richting van ons gedachtenleven, al zijn wij het eens, dat er wel wat veelvuldiger verheffing in onze litteratuur mag komen. Wij wisselen dikwijls van gedachten over litteraire onderwerpen - dat is al.’
Aan Verwey schrijft Kloos 5 Aug. '82 uit Brussel: ‘Stuur het stukje voor de aardigheid eens naar Paap: die kijkt dikwijls fijner dan ik.’ (Maurits Uyldert, De Jeugd van een Dichter pag. 200) en 12 September van dat jaar - aldus dezelfde schrijver - heeft Verwey in een dagboek-aanteekening het volgende geschreven over Paap: ‘Hij heeft talent, misschien zelfs genie: ik wou dat ie er een doorslaand bewijs van gaf. Z'n kritiek aan m'n stukjens begrijp ik niet recht: parodieeren kan men alles, maar daarmee is niets bewezen.’ (blz. 74)
Als Kloos bezig is aan de Mathilde (25 Febr. 1882) schrijft hij aan Vosmaer dat hij geen woord verandert ‘zonder met Doorenbos en Paap te raadplegen.’ Over Persephone is Kloos het niet met Paap eens. (De Briefwisseling Vosmaer-Kloos, uitgegeven en ingeleid door dr G. Stuiveling, blz. 199).
Het volgende citaat uit den brief aan Lotsy is uit het Copieboek van De Nieuwe Gids (69 E 14). Hier slechts het deel over de oprichting van het tijdschrift. Kloos schrijft: ‘Eindelijk kwam in Dec. '84 het langgewenschte plan van oprichting van een tijdschrift weder ter sprake. De heeren van Eeden, v. Deyssel, v.d. Goes, Verwey en ondergeteekende kwamen bij den uitgever Binger alhier op een avond bijeen en bepraatten de zaak. Maar de heer Binger was zoo onvoordeelig in zijn condities, dat wij begrepen niet bij hem te moeten zijn (ook was er van Paap als redacteur toen nog geen kwestie, want ik was de eenige van die vijf, met wien hij meer frequent omging). v. Deyssel nu zonderde zich al spoedig af om gezondheidsredenen (zenuwoverspanning) en ging naar het buitenland1. Niets meer van zich latende hooren, viel hij af van het plan en wij rekenden zonder hem. Toen stelde ik voor om Paap te vragen als 5e redacteur en de andere heeren hadden daar niets op tegen. Paap nam aan, het plan lachte hem toe, en met den uitstekenden praktischen geest dien hij bezit, had hij spoedig de zaak met
uitgever en drukker geregeld. Hij was toen de eigenlijke man, die handelde, de man’.
En als men het oordeel van een ander tijdgenoot wil: Van Eeden schrijft 8 Juli 1885 aan Jan Veth (Kunstenaarsbrieven, F.v.E. Genootschap 1937): ‘Daar steekt de Nieuwe Gids (Ach! waarom niet “het Loodsje”?) van wal. Paap aan 't roer. Kloos peinzend op de plecht. Albert in de mast. 'En 't losgedonderd schot wenscht heil aan 't vaderland!’. ‘Hier kan men dan bijvoegen hetgeen Frans Erens heeft geschreven (Vervlogen jaren, 2e druk pag. 106), 'dat Paap de oprichting van de Nieuwe Gids op een zeker moment tot werkelijkheid heeft gemaakt’.
We weten nu, dat zelfs Kloos erkende, dat Paap de man was en als we de notulen van De Nieuwe Gids (69 E 16) lezen, zien we, dat de eerste officieele vergadering 3 Juli 1885 gehouden werd, waarin Paap tot penningnmeester, Kloos tot secretaris en Van Eeeden tot voorzitter werd benoemd. Maar vóór deze genotuleerde vergaderingen waren gehouden zijn bijeenkomsten uitgeschreven door Willem Paap. Daarover heeft Maurits Uyldert in zijn reeds genoemd belangwekkend boek bijzonderheden gemeld (blz. 148 e.v.). Op 12 Juni '85 stuurde Paap een briefkaart aan Verwey, waaruit blijkt, dat den volgenden dag een vergadering werd gehouden, waarop bepaald zou worden of het tijdschrift G.W. of N.G. heeten zou. Een week later was er weer een vergadering en nu was er sprake van den N.G. Dus kunnen we aannemen, dat op 13 Juni 1885 het tijdschrift officieel zijn naam kreeg.
Nog een bewijs van Paaps activiteit bij de oprichting van De Nieuwe Gids is onderstaande brief aan Frederik van Eeden (Brievenverzameling F.v. Eedenmuseum in de Univ. Bibl. te Amsterdam). Een dergelijken brief heeft Paap geschreven aan F.v.d. Goes, (zie dr G. Stuiveling, Versbouw en ritme in de tijd van '80), waarin deze zinsnede voorkomt, die in den brief aan Van Eeden ontbreekt. ‘Versluys maakt niet het minste bezwaar om zijn naam als uitgever bij het bericht in den Amsterdammer vermeld te zien’. De brief aan Van Eeden luidt:
Van E.-
Een vraag, die ik tot myn spyt gisteravond vergeten heb te doen, en waarop ik gaarne per ommegaande of althans heel spoedig bericht zou hebben: -
Ik ben vroeger reeds begonnen y grec voor de gewone ij te drukken en wensch het ook in myn stukken in De N.G. te doen. Kloos doet hetzelfde, wy vinden de y sierlyker dan de ij, vooral in de Elseviertype.
Wees zoo goed my op te geven of jy het ook wilt doen of je aan de ij wenscht te houden. Zelfs bestaat natuurlyk de mogelykheid, dat er bezwaar tegen is, dat Kloos & ik het doen en anderen niet.
De reden waarom ik een en ander ten spoedigste weten moet, is, dat ik het aan den drukker Clausen moet opgeven. Want als by dat niet weet, zou hy, als naar gewoonte, weinig y grecs koopen en dus in de eerste aflevering met vreemde y grecs moeten knoeien.
Door nu in den een of anderen zin een beslissing te nemen, ben je volstrekt niet gehouden, later niet anders te mogen doen.
De quaestie is vooral deze, dat, als we allen y grec mochten willen drukken, Clausen er een groote hoeveelheid van moet aanschaffen.
Er is haast by het antwoord, want Maandag of Dinsdag moet ik aan Clausen de Elsevier bestellen.
Na groete
je
Paap
De beslissing is gevallen op de ij, die ook in Paaps artikel over het Romeinsche Recht werd gebruikt.
De oprichting van het tijdschrift werd, blijkens de notulen van 28 September, gevierd met een souper bij Van der Goes op kosten van Paap, Van der Goes en Van Eeden. Genoodigden waren ‘de heeren Dr. Blink, Dr. v. Deventer, François Ehrens, Karel Alberdingk Thijm, W. Versluys, A. Aletrino, Dr. Jelgersma, M.B. Mendes da Costa, Tak’. Op het souper zelf ontbrak Tak en verscheen daarentegen dr Frowein.
‘In principe [werd op die eerste officieele vergadering] uitgemaakt, dat de heeren Verwey en Kloos honorarium zullen ontvangen en wel twintig gulden per vel. Mochten echter, terwijl het tijdschrift in gang is, de zaken zoo slecht zijn, dat het geven van dit of van eenig honorarium, hoe gering ook, voor het voortbestaan van den N.G. schadelijk zou kunnen worden, dan kan op voorstel van een der vijf in overweging worden genomen, bovengenoemd honorarium te verminderen of geheel af te schaffen’. Uit de kasboeken is gebleken, dat Kloos en Verwey steeds honorarium hebben gekregen, zoodat Verwey zich vergist heeft in zijn geciteerd artikel en Uyldert in zijn boek over de jeugd van Verwey. Ook in de notulen van 8 October staat te lezen, dat Verwey, na eenige discussie, 50 gulden honorarium voor zijn bijdragen in de 1e aflevering kreeg.
We zullen de notulen later woordelijk citeeren, maar wijzen er nu op, dat Paap voor het papier en den omslag zorgde; een concept-contract maakte; de a.s. medewerkers bezocht; contact legde met de Haagsche groep Netscher-Prins en de wenschelijkheid van een prospectus onder het oog bracht.
De tweede persoon, die zeer actief is opgetreden, was Frank van der Goes. Hij schreef over het tijdschrift aan dr W. Doorenbos en ontving 2 Januari 1885 antwoord. De meening van den ouden leeraar over de plannen en over zijn eigen bijdrage, waar Van der Goes om gevraagd had, kan men vinden in de Bijlagen van Dr Willem Doorenbos door dr C.G.L. Apeldoorn (blz. 286 e.v.). Ook schreef Van der Goes het prospectus en een bericht voor de Amsterdammer, zooals ik meldde. Voegt men hier het werk van Frederik van Eeden en Albert Verwey bij, dan ziet men, dat Kloos ook hier geen rol heeft gespeeld van eenige beteekenis in den aanvang. Wel heeft hij een brief geschreven aan Marcellus Emants om hem als medewerker te winnen en ook correspondentie gevoerd met Van Eeden.
De Financiën. - Het is tot nog toe een open vraag geweest wie het geld heeft geleverd om de verschijning van De Nieuwe Gids mogelijk te maken. Vermakelijk is het verhaal, dat Kloos heeft gedaan in het Gedenkboek, dat bij het 25 jarig bestaan van De Nieuwe Gids is verschenen, over de wijze, waarop hij in het bezit is gekomen van f. 1000.- voor dat doel. Men kan het lezen in het artikel Hoe ‘De Nieuwe Gids’ tot stand kwam en wat hij heeft gedaan op blz. XVI en XVII. Hij schrijft: ‘Zoo moest ik de stoute schoenen wel aantrekken en ging, haast zonder-hoop-van-welslagen, naar een oudere1, letterkundige, gefortuneerde dame, die ik eenigermate kende, en vroeg haar, na haar alles uitgelegd te hebben, om haar sympathie en steun voor 't ontworpen orgaan. Zij hoorde mij kalmpjes aan, zonder dat ik in haar oogen iets vriendelijks kon lezen, en nadat ik had uitgesproken en dacht: “ik ben voor niets gekomen”, stond zij plotseling op, liep naar een hoek van de kamer en voor een schrijfbureau staande, deed zij iets in een couvert, en reikte mij dit over, met de volgende snel-gesproken woorden, die ik altijd onthield: “Hier, neem dat meê, en stel dat aan den penningmeester van je tijdschrift ter hand. Als ik vertrouwen had in jullie letterkundige toekomst, zou ik méér willen doen, maar nú kan ik niets anders geven als dit”. Ik vroeg haar toen om een kwitantie, opdat ik haar mijn schuld zou kunnen bekennen, maar, glimlachend, voegde zij mij toe: “Neen, dat doe ik niet: dat geld beschouw ik als geheel verloren: ik wou je alleen maar laten zien, dat ik het goed met je meen”. Ik bedankte haar natuurlijk vriendelijk en stond, anderhalve minuut later, wederom op straat. Begrijpelijkerwijze keek ik toen, zoodra ik een hoek om had geslagen, belangstellend in de envelop, en zag, tot mijn blijde verrassing inplaats van de verwachte 25 of 40 gulden, een onmiskenbaar-echt bankje van duizend pop. Mijn hart werd natuurlijk onmiddellijk tien pond lichter, want nu behoefde ik niet meer bij anderen te gaan, en kwam het tijdschrift stellig tot stand. Van Eeden wist bovendien, op overeenkomstige wijze, een dergelijke som los te krijgen, en het tijdschrift kon dus beginnen: de eerste aflevering verscheen’.2
In van onzen tijd (11e jrg. 1910-1911, blz. 14) verscheen naar aanleiding van deze phantasie een artikel van J. K[alf] onder den titel Een Document voor de Geschiedenis van ‘De Nieuwe Gids’, waarin hij protesteerde tegen ‘dit geforceerd studentikoos relaas’, dat ‘voor wie het voorrecht hadden de hier bedoelde “oudere” letterkundige gefortuneerde dame te kennen’ onaangenaam klinken moet. En nu reproduceert de schrijver een quitantie van den volgenden inhoud:
‘De ondergeteekenden verklaren van den heer [naam overplakt] voor de onderneming De Nieuwe Gids namens de redakteuren-eigenaars, Frederik van Eeden, F. van der Goes, Willem Kloos, Willem Paap en Albert Verwey ontvangen te hebben de som van duizend gulden, voor de terugbetaling van
welke schuld ieder der vijf genoemde redakteuren zich voor een vijfde aansprakelijk stelt’.
De quitantie is gedateerd 6 October '85 en geteekend door Frederik van Eeden en Willem Paap. Leest men nu de Notulen van de redactievergaderingen gepubliceerd in De Nieuwe Gids van 1925 blz. 441-450, dan zal men geen woord vinden over deze 1000 gulden. De documenten van het tijdschrift zijn zonder twijfel gepubliceerd door Jeanne Kloos - Reyneke van Stuwe, want telkens vindt men daar opmerkingen in haar handschrift. Nu is in de Notulen van 21 September 1885 de volgende passus met potlood doorgestreept.
‘Kloos deelt het bericht van Mevrouw Jolles mede, dat we ten allen tijde over de duizend gulden ten kantore van haar man kunnen beschikken’. En ten overvloede vindt men op een los dubbel blaadje, blijkbaar de aanteekeningen voor de notulen van 13, 16 en 21 September: ‘Bericht van Mevrouw Jolles, dat de 1000 te alien tijde ten kantore beschikbaar’.
Hiermee is het heele verhaal van Kloos naar het rijk der fabelen verwezen. Jeanne Kloos, die dit geweten heeft, wil ons toch overtuigen, dat Kloos de waarheid had gesproken. In haar boek De Waarheid (z.j. 1950) gaat zij J. Kalf te lijf (blz. 64 e.v.) en verdedigt haar man op een manier, die bewijst, dat zij van geschiedschrijving noch van de waarheid eenig begrip heeft1.
Wie hebben het overige geld geleend om de uitgave mogelijk te maken? Kloos schrijft, dat Van Eeden daar voor gezorgd heeft en dat was inderdaad het geval. Door zijn bemiddeling heeft de heer G. van Gennep 500 gld bijgedragen en de uitgever W. Versluys zorgde voor hetzelfde bedrag. Zoo was de toestand in September 1885. Uit de kasboeken heb ik deze cijfers overgenomen, zoodat met 2000 gulden begonnen werd (69 E 17-25).
Naar het door Paap opgemaakte contract met Versluys heb ik naarstig gezocht, maar in het archief van De Nieuwe Gids was niets te vinden, noch kon de firma Versluys, op navraag, een contract ter inzage geven. Wel vond ik een quitantie van Mr W.A. Paap, advocaat en procureur, Leidschekade
nr 86, luidende: ‘Ontvangen 20 gld, zijnde de helft van het bedrag verschuldigd door de N.G. voor het opmaken van een contract met den heer Versluys 4/7/88’.
De 2000 gulden waren echter al vrij spoedig op. In het eerste jaar bedroeg het aantal inteekenaren 274; aan honoraria werd 1191. 29 gld betaald en het verlies bedroeg 1472.60 gld. Er moest nieuw geld komen. In November 1886 - Frank van der Goes is dan als penningmeester in de plaats van Willem Paap werkzaam - was de kas zoo goed als ledig, schrijft J. Huizinga in zijn Leven en werk van Jan Veth (blz. 23). En dan citeert hij een brief van Van der Goes aan Veth: ‘De poëzie van onze poëten kan niet duisterder zijn dan het raadsel hoe zij aan duiten zullen komen. De geldlade is zoo ledig als hunne vijanden 't van hunne hoofden beweren. - Enfin het is op’. ‘Veth’ - zoo vervolgt Huizinga - ‘had zich laten ontvallen, - herinnerde Van der Goes hem -, dat hij, wanneer de Nieuwe Gids geld noodig had, “met nog een ander uitstekend en edelmoedig vriend” (het was Mevrouw Jolles-Singels, die ook bij de oprichting de helft der middelen had gegeven) bereid zou zijn, haar met een sommetje te helpen. Nu is inderdaad het oogenblik gekomen’.
Op 12 November 1886 had Van der Goes ook aan Van Eeden geschreven (F.v.E. museum). Aan het slot van dezen brief zegt hij: ‘Nog iets. Hoe staat het met jelui, enfin, met wat jelui geven voor W.K.? Sedert 1o Augustus, boek ik f 50.- p. maand in zijn credit, en belast voor dit heele bedrag de N.G. Als je wilt continueeren met de bijdrage, wees dan zoo goed mij vanaf dien datum te sturen wat jelui portie was. De N.G. heeft op dit oogenblik f. 84.90 in kas’. -
Van der Goes schreef 16 November aan Van Eeden, die hem op den vorigen brief humoristisch had geantwoord: ‘Ik bedoel maar dat ik de heeren, die a.s. Decemberdag zullen komen aankloppen om honoraria, salaris etc. niet met geestigheden kan betalen, hoe verdienstelijk ze overigens mogen zijn. Dat Veth en Witsen zich vermaken met den toestand van onze kas is ook zeer aardig, maar ik vind dat de eerstgenoemde verfkwast wel had mogen antwoorden op mijn dringend schrijven. Wat ik opmerkte over het geld voor W.K. hebben zoowel Martha, jij en Veth in jelui vroolijkheid over 't hoofd gezien. Dat spijt mij. Ik meende te zullen ontvangen drie maal vijf gulden voor vier maanden, dat is ongeveer zestig gulden. Persoonlijk schat ik natuurlijk een blaadje humoristica hooger dan deze luttele som gelds. Maar ik betwijfel of de crediteuren van onze onderneming deze zienswijze zijn toegedaan. Willen wij er de proef van nemen? Als Kloos en Verwey 1 December a.s. bij mij komen, zal ik je brief in tweëen deelen, en elk een zijdje geven als ware het een banknoot’.
Ook aan Kloos heeft Van der Goes op 16 November een brief geschreven, waarin hij graag in het begin van de week een vergadering wil hebben om de financieele aangelegenheden te bespreken. (69 E 2)
Er waren 30 Sept. 1885 nog voor 2000 gld ongeplaatste obligaties van de eerste serie. De geheele geldleening aangegaan door de Redacteuren-Eige-
naars, was 8000 gld groot. In September 1888 stonden de aandeelen op naam van de volgende personen:
Nos. 1, 2, 3 en 4 Mevrouw de Weduwe H.J. Jolles-Singels, ieder groot 250 gld
Nos 5/6 De heer van Gennep te Rotterdam 500 gld.
No 7 P.L. Tak te Amsterdam 250 gld
No 8 Willem Witsen 250 gld
No 9 Mevrouw M. de Gijselaer, geb. van Assendelft de Coningh 250 gld
No 10 dr Frederik van Eeden te Bussum 250 gld
No 11 F.M. Wibaut te Middelburg 250 gld
No 12 C.V. Gerritsen te Amsterdam 250 gld.
Dat de toestand, financieel, het volgend jaar niet verbeterd was, blijkt uit een klad van Tak, waarin staat: 'Wat te doen? f 2000 plaatsen. Boeken1 bezwaar voorwaarden.
‘Verwey en Kloos schuld royeeren (Verwey blijft debiteur voor de copij van 't contract).’ Uit deze laatste zinsnede blijkt, dat dit klad moet dateeren van na October 1889, wat ook uit het feit is af te leiden, dat Tak het geschreven heeft.
Uit de balans, die men had laten opmaken, omdat de chaos groot was, blijkt, zooals hierboven geschreven werd, dat het totaal aan uitbetaalde honoraria voor den eersten jaargang 1191.29 gld bedroeg. Kloos had een schuld van 154.47 en Van Deyssel van 42.50 gld.
Voor 1886/'87 bedroeg het uitbetaalde honorarium 1024.47 gld, het nadeelig saldo 2546.62½ gld; voor 1887/'88 waren deze cijfers resp. 1243.05 en 3207.08½; voor 1888/'89 1278.55 en 3552.68 en voor 1889/'90 over de maanden October, December, Februari en April 842.40 en 3273.61 gld. (De schuld van Kloos stond op de balans voor dat jaar op 209.93 en van Verwey op 995.46 gld).
Het verliescijfer loopt door van jaar tot jaar, zoodat het cijfer van den laatsten jaargang het totale verliescijfer is. Om echter een makkelijker overzicht te krijgen van den toenemenden bloei van het tijdschrift volgen hier de verliescijfers per jaar: 1e jrg. 1472.60 gld.; 2e jrg. 1074.02½ gld.; 3e jrg. 660.46 gld.; 4e jrg. 345.60½ gld.; 5e jrg. over October, December, Februari en April 279.07 gld.
Gaan wij nu het aantal abonné's na, dan zien wij, dat het van 274 in het eerste jaar steeg tot 350 in het tweede, tot 440 in het derde, tot 511 in het vierde, tot 533 in het vijfde, 476 in het zesde en 585 in het 7e jaar. Geleend werd er desondanks ieder jaar. We vinden voor 1885 16 obligaties van 250 gld.; in 1886 10, in 1887 7, in 1888 5 en in 1889 2, dus in 5 jaar totaal 40 obligaties à 250 gld of 10.000.- gld. Bij de latere koopers van obligaties vinden we de namen van M.J. Tiele, mr N.A. Calisch, C.F. van der Horst, A. Kapteyn, Jacob Batavier, B. Gomperts, Dubourcq, Schlencker, Hugo Muller, A.S. van Wezel, Loopuyt en Granaat.
Het is ook interessant om te zien hoeveel honorarium Willem Kloos per jaar heeft ontvangen, waarbij men in het oog moet houden, dat daarvan 600 gld. voor het waarnemen van het secretariaat is. Men kan dan tevens zien hoe weinig het honorarium bedroeg voor zijn bijdragen of - als men - wil - hoe weinig hij bijdroeg in vergelijking tot Albert Verwey.
Kloos ontving in 1885 totaal 705 gld; in 1886 868,82; in 1887 678.40 en in 1888 773.80. Voor Verwey bedroegen de ontvangsten: 1885 174.08½, 1886 336.03½; 1887 137.25; 1888 559.68½.
Cijfers kunnen aardig illustreeren wat thans beroemd geworden bijdragen in dien tijd aan honorarium voor de auteurs hebben opgebracht. Het artikel van Albert Verwey over Het Sonnet en de Sonnetten van Shakespeare leverde hem 37.50 gld. op en zijn Persephone (9 bladzijden druk) 11.25 gld. Van Kloos stonden in die eerste aflevering vier sonnetten, waarmee zijn latere bundel opende en die nu klassiek zijn. Ze gingen voor 1 gld per stuk.
In de tweede aflevering bracht Herfst in het Woud van Frans Netscher (4 pagina's) 10 gld op; drie sonnetten van Verwey, waarbij het nu zoo bekende ‘O man van Smarten met de doornenkroon!’ 3.75 gld en Demeter (7 pagina's) 8.75 gld. De Literaire kroniek van Kloos bracht 11.25 gld. in het laatje. Maar De kleine Johannes van Frederik van Eeden werd niet gehonoreerd; hij kreeg pas veel later geld, Van der Goes echter in '88/'89. Dit is voor een latere periode van belang te weten.
Tot slot alleen nog, dat Herman Gorter voor het eerste deel van Mei (39 blz.) in 1889 50 gld. heeft ontvangen. Ook de meeste andere medewerkers kregen honorarium.
- De voorbereiding voor het eerste nummer werd vroeg begonnen. Doorenbos belooft 30 Juni v.d. Goes om ‘juffr. Swarth (aan te zetten), zoodra (hij) haar (spreekt)’ en zegt zelf, in een brief van 22 Augustus dat hij schrijven zal ‘over de laatste liefdesgeschiedenis van Henri IV met de Prinses Condé, naar aanleiding van een verschenen boek’, welk artikel op 9 September verzonden werd. Toch ging het verre van vlot. Van Eeden heeft er 12 Augustus uit Noordwijk aan Zee een uitvoerigen brief over geschreven aan Albert Verwey. Hoewel de naam van het tijdschrift reeds 13 Juni 1885 was vastgesteld als De Nieuwe Gids, gebruikt Van Eeden in dezen brief eenige malen de initialen G.W. (Den Gulden Winckel). Deze brieven bevinden zich in het Van E-museum:
Albertje! ik vond gisteren per slot van rekening - dat het niet bijster prachtig stond met de G.W. Eén stuk gereed en voor de rest beloften. Zeer geschikt om een prospectus - maar minder om een tijdschrift mee te vullen. Daarenboven drijven alle beloften op de eerste aflevering, zinkt die dan gaan ze alle mee naar den kelder. En voor die eerste aflevering hebben wij niets - als nog geen 3 vel van mij en een stuk van Paap dat naar de berichten
van Kloos niet deugt. Van Deventer in de lucht, Doorenbos onzeker de eerste waarschijnlijk voor 't publiek ongenietbaar, de tweede alleen uit reverentie onvoorwaardelijk opgenomen. Wij kwamen tot de conclusie dat de eerste aflevering volstrekt niet zoo schitterend zou worden. En die zal door duizenden gelezen worden en die moet alle weifelaars winnen. Daar heb ik waarlijk een zwaar hoofd in. Kloos redde zich al met de verontschuldiging dat de Banier nog erger was toen zij uitkwam. Ik herinner mij heel goed den tijd dat er hard geroepen werd, niet goed, maar heel goed, daar gaat niets van af. En nu zouden wij ons al geruststellen met het treurig gehalte der andere tijdschriften. Waarachtig dat doe ik niet. Ik heb het langst en het eerst van allen de zaak bedenkelijk en moeielijk gevonden, waar Kloos en jij al volle zekerheid van welslagen zeiden te hebben. Jij hebt brieven geschreven waarin je zeide te stikken in de bergen kopie waaruit alleen de veiligheidsklep van een tijdschrift je kon redden. ‘Wij moeten’ zeiden wij toen, want we kunnen ons moois niet vertoonen.
En nu! - voor de eerste aflevering is zelfs niet eens genoeg om er iets bizonders van te maken.
Zie ik heb geen lust er berouw van te krijgen dat ik op dien middag na je overtuigende welsprekendheid beloofd heb je te helpen. Maar daarvoor moet het blijken dat je niet te veel gezegd hebt.
Nu ik geloof dat het gaan zal en ik wil dat het gaan zal. Je begrijpt dat, want het geven van Johannes heeft mij veel gekost [zooals je weet, doorgeschrapt] en dat wil ik niet voor niet gedaan hebben. Maar ik reken er ook op, dat jij zult handelen overeenkomstig je geestdrift van dit voorjaar. Toen had ik er zeker vrede mee dat je je bundel zou uitgeven en geloofde ik met Kloos en van der Goes wel iets van het voordeel dat je bekendheid ons zou brengen. Maar dat alleen omdat ik er op rekende toch iets als persephone voor ons te krijgen. Nu dat echter niet het geval zal worden, verandert alles. Het zwaartepunt van je eerste werk zal nu geheel buiten de N.G. vallen.
Het bundeltje zal betrekkelijk onopgemerkt voorbij gaan en in de eerste aflevering die oneindig veel meer lezers zal vinden en die veel belangrijker is voor onzen naam zal niets bizonders van je te vinden zijn. Dat wordt een geheel verkeerde aanwending van krachten De verdeeling van den indruk die je maakt is ten nadeele van jou en van ons. Kwam er na je bundel een klimax in de eerste aflevering dat was het wat. Nu geeft je bundel weinig en de aflevering niets. Eerst bij het zien van de N.G. zal iedereen vragen: ‘Wie is Verwey?’ en het terugwijzen naar een onlangs verschenen bundeltje geeft weinig. Maar het tegelijk optreden met een flink stuk van hetgeen je kracht is, hou ik voor hoogst noodig. Voor de poëzie hebben wij een stuk of 10 sonnetten. Je begrijpt dat zooiets een gekken indruk zal maken, waar het bekend is dat onze nieuwe richting voornamelijk onze poëzie betreft en waar wij terstond beginnen met grootheden af te maken - en dat door Paap en Van der Goes.
Werkelijk Albertje, ik sta er op dat je Persephone in de eerste aflevering zet. Het kan zeer goed - er is niets afgedrukt en al was dat zoo dan kan Rös-
sing best wachten. Als hij bezwaren heeft moet hij maar weten te schikken. Je bundel moet een maand later verschijnen - dan kan Persephone er in blijven. Als de G.W. goed ontvangen wordt zal je boekje des te meer verkocht worden - en het zou een onvergefelijke domheid zijn als je een onderneming als de G.W. waarvoor je zooveel liefde zeide te hebben liet schade lijden terwille van het grooter debiet van een bundeltje dat je nu zeker toch niet veel op zal brengen.
Ik zal je niet verwijten dat je graag het bundeltje hebt willen uitgeven, uit ongeduld eigenlijk of om niet alleen als onbekende op den titel der G.W. te staan, maar ik verwacht stellig, van je, nu het blijkt dat deze vacantie zoo onvruchtbaar is geweest dat Persephone onmogelijk kan vergoed worden dat je nu ook zult woord houden en even als ik het gezamenlijk belang boven dat van jou of Rössing zult laten gaan.
Volgens mijn overtuiging zal het je bovendien eerder goed dan kwaad doen, zooals de zaak nu staat. Want dat stuk over Shakespeare, dat je ‘desnoods’ gereed zoudt kunnen maken kan onmogelijk zulk een indruk maken als persephone. Dat blijft tot nog toe, niet je beste, maar je belangrijkste werk - en je hebt het zelf gezegd dat wij ons nu verplicht hadden het voornaamste wat wij maakten voor het gemeenschappelijk doel te geven. Ik zal mij daaraan houden en verwacht van jou hetzelfde. Bezwaren van Rössing beduiden niets. Geld zul je toch vooreerst niet van hem zien. Ik ben al anderhalf jaar bezig mijn onnoozele guldens uit zijn handen te krijgen.
Wij hebben Persephone noodig, dringend noodig. Als je bleef weigeren zou de eerste aflevering eenvoudig een failure worden, en daarmede de zaak voor 't vervolg meer dan bedenkelijk.
Ik hoop niet dat mijn brief je erg onaangenaam zal zijn. Ik heb er over loopen soezen en dit is de eenige uitweg die ik zie. Als ik ergens hart voor heb, houd ik vooral niet van een slecht begin.
Dag beste Albertje - schrijf mij zoo gauw je kunt
je Frederik
Van Eeden, inmiddels naar Mijnsheerenland vertrokken, schrijft d.d. 29 Augustus aan Verwey, dat hij hoopt geen oproeping voor den N.G. te krijgen in de eerste dagen, omdat hij niet in staat zou zijn er aan te voldoen. Hij vervolgt dan: ‘Is het prospectus nog tijdig gekomen en hoe is het veranderd? Ik heb van Kloos nog niets gehoord. Er zijn al verscheiden abonné's onder mijn kennissen, twee dames die het samen nemen, een Leidsch student, die er veel mee op had en anderen. De verdeeling van Johannes vind ik heel goed. De Jezusfiguur zal geheel wegvallen. Ik zal Johannes, na de worsteling met Pluizer, alleen met den Dood laten blijven, - zij zullen tesamen door de duinen wandelen naar zee - en de Dood zal met hem spreken, en Johannes zal vragen met hem mede te gaan. Doch bij de zee zullen de menschen hem terug brengen - hoe precies weet ik niet, - doch het optreden van een geheel nieuw persoon op de laatste bladzijden is niet goed - ik geloof ook onnoodig’.
Kloos had twee handschriften van De kleine Johannes gelezen en er in een brief van 17 Juli 1885 aan Van Eeden over geschreven. Het eerste h.s. noemt Kloos A en het tweede B. ‘Ik zou’ - schrijft hij o.m. - ‘het heusch jammer vinden als je B. als de definitieve tekst beschouwde. Enkele aardige trekjes heb je bijgevoegd, maar hoevele ook niet uitgewischt! En de stijl van A. is misschien wat slordiger, maar stellig veel frisscher en naïever’.
Het tweede hs. is vernietigd, naar ik hoorde.
Verwey heeft op deze brieven van Van Eeden dit antwoord gezonden:
Beste Free,
Wij, Amsterdammers kunnen je niet met rust laten in je natuurstaat bij Rotterdam, maar we kunnen het niet helpen. Het redacteurskussen is een kussen met spelden, de punt naar boven, we kunnen niet rustig erop blijven zitten. Goes of Kloos heeft je het stuk van Straatemeyer gestuurd, dat heb je zeker ontvangen. En je hebt stellig niet heel lang hoeven na te denken om zeker te zijn dat het niets is voor de N.G. De stupiditeit, waarmee Paap zulke ergerlijk-ongemanierde boutaderie verdedigt, is me onbegrijpelijk. Het stuk is grof, hij noemt het geestig, het is onleesbaar, hij noemt het goed gestyleerd, het is schetteren over opinies die niet worden bewezen, onder den naam van Politiek Overzicht, hij noemt het ‘dingen, die eens gezegd moesten worden’, en ‘ik ben het volmaakt met “Henri” eens’.
Paaps eigen stuk zul je waarschijnlijk wel in Mijnsh. l. te genieten krijgen. Het zal je niet meevallen, denk ik. Ik heb het gelezen en vond het 1e slecht gestyleerd, 2e plat, met pretentie van geestigheid, 3e aantoonen van taal- en stijlfouten in eenige stukjes van Bilderdijk, zonder bewijs, dat die fouten kenmerkend zijn voor den heelen poeët, 4e voortdurend schelden op B wegens zijn nog niet aangetoonde eigenschappen en roepen ‘Houdt den dief’ vóór het bewezen is dat de man stal.
Geen opinies, geen motieven, in het heele stuk geen enkel - wat de menschen ‘gezichtspunt’ noemen. Het heeft iets van een cahier vol gecorrigeerde schoolthema's, waarin de ‘moedwillige tantes’ zonder eenige noodzakelijkheid over ‘omgevallen inktpotten’ en ‘godsvruchtige ooms’ gestruikeld zijn, 'n chaos van een ijdel godje, die niet weet hoe hij scheppen moet. Dàt is het stuk van Paap. Het zal niet makkelijk zijn hem aan zijn verstand te brengen dat het slecht is: hij is al woedend geworden toen we het stuk van Str. afkeurden. Ik wil je eigen oordeel niet vooruitloopen en geef dus maar geen voorbeelden uit P.'s stuk, die hier fragmentarisch zouden zijn.
Ik dacht erover, dat het goed zou zijn vóór onze slot-vergadering een paar zaken in orde te brengen. B.v. 1e we moeten nog het geld ontvangen - 2e er moet nog een contract worden opgemaakt, dat mag er toch wel wezen als de 1e afl. komt - 3e we moesten voor die vergadering Versluys uitnoodigen.
Het is zóó mal, dat we nog geen van allen, behalve Paap, met dien meneer hebben kennis gemaakt.
Goes vertelde me gister dat hij een Polit. stuk geschreven had en dat hij 't aan jou had gestuurd. Ik hoop, dat het goed is: beter dan dat van Str. zal 't wel in allen gevalle zijn. Mijn stuk krijg je ook denkelijk nog op je onbewoonde eilandengroep: het is twee vel groot geworden, eerst tot mijn schrik, maar nu ik merk dat de voorraad copie niet groot is, tot mijn voldoening.
Schrijf je nog wat? Ben je met verzen maken nu heelemaal uitgescheid? Veth stuurde me verleden week nog een half sonnet dat schikte - anders schijnt de Muze geweken te zijn voor de zomermaanden. Ik heb gister nog een viertal sonnetten gemaakt; anders doe ik niet veel. Soms wat studies die in den hoek gaan, als ze af zijn - helaas!
Nu, je hebt over Str.' artikel misschien al geantwoord, dat moet ik van Kloos hooren - gauw krijg je copie - de vergadering zal wel niet noodig wezen, voor Doorenbos zijn Hendrik IV heeft overgestuurd, na een week misschien. Maar dan schei je ook maar uit met Robinson Crusoën en komt naar de slachtplaats.
Dag free, groet Martha en schrijf nog eens aan
je vriend
Albert
De brieven van Kloos - Van der Goes en die van Frederik van Eeden hadden elkaar gekruist, zooals blijkt uit het volgende schrijven der eerstge-noemden aan Van Eeden:
Amice,
Hierbij zend ik je het stuk van Stratemeyer. Wees zoo goed het te lezen en je zoo spoedig mogelijk een opinie er over te vormen. We zouden gaarne, als het mogelijk is, Maandag, na de koffie, bij Goes er over vergaderen. Dáár hoef je natuurlijk niet voor over te komen, als je maar schriftelijk je oordeel en de motieven ervoor mededeelen wilt. Paap is nog niet geheel klaar met zijn stuk en Verwey ook niet. Ik zal je beide stukken waarschijnlijk toezenden vóór de vergadering, waarop ze zullen behandeld worden, dan kan je ze eerst à tête reposée nagaan. Maar lees ze dan zoo spoedig mogelijk en schrijf dan, wanneer je een vergadering wenscht en overkomt. V. Deventer heeft zijn stuk teruggezonden na in achtname van vele der door jou gemaakte aanmerkingen. De Inleiding heeft hij echter niet veranderd. Zijn redenen daarvoor heeft hij mij geschreven. Maar ik heb zijn brief niet bij de hand, omdat ik deze op de kamer van Goes [schrijf] 't Prospectus is nog altijd bij Clausing, die het vertikt om haast te maken. We kunnen wel in eenige van je bezwaren komen, en v.d. Goes zal zien, of hij 't veranderen kan.
truly yours
(in haast)
Willem Kloos
Amice,
Ik ben bereid het prospectus te wijzigen in den door jou aangeduiden geest. De indruk dien wij maken van afgewezen te zijn, kan verzacht worden; maar toch dunkt mij, moet de redeneering, die de rede v. bestaan v.d. N.G. opgeeft, in takt blijven. -
Het stuk van Stratepummel is nonsens, tout bonnement. Een slecht gestyleerde boutade, zonder eenige betoogkracht. Praatjes, die volstrekt geen kennis van zaken bevatten. Zóó kan ik het zelf nog beter, en ben dan ook in pure wanhoop aan het werk geslagen. De hemel moge mij genadig wezen. - Albert denkt er ook zoo over. - Afin, plezierig lezen! - Paap is er meê ingenomen, hoe is 't mogelijk! Als die Heeren maar schreeuwen kunnen .... Nu, adieu. Ik heb de op een na de kleinste toon in mijn rechter voet gebroken. - Gipsverband. Lastig. Thuiszitten. -
Steeds tt. F.v.d.G. Am., 28 Aug. '85-
De figuur van Paap hield de redactie steeds bezig. Frank van der Goes heeft weer op 3 en 4 September, dus een maand voor de verschijning van De Nieuwe Gids, brieven over hem en zijn bijdrage geschreven aan Frederik van Eeden, welke hier volgen:
Amice,
Zooeven ontving ik je brief en de copy van mijn overzicht. De weinige minzame opmerkingen die je wel zoo goed bent geweest, zeker tot stichting van de zetters, op de achterzijde te maken, heb ik zeer ter harte genomen, en van eenige inderdaad een dankbaar gebruik gemaakt. - Vooral de aanhef dient verzacht te worden. Paap beweert zelfs dat de auteur er drie jaar voor in de kast kon komen. - Wat Paap betreft, wij hebben gisteren bij mij een vergadering gehad. Albertje en ik hebben hem duchtig de waarheid gezegd over het stuk van Straalkamp. Hij hield zich goed, verdedigde op kalmen toon woord voor woord het manuscript, dat ik voorlas, totdat het duidelijk begon te worden, dat de meerderheid zeer sterk tegen de opname was, en de discussie gesloten werd. Wij bleven nog kalm doorpraten en oogenschijnlijk bedaard ging hij later weg.
Ik heb Kloos mijn stuk voorgelezen, en hij is voor de plaatsing. Willem A. [Paap], die ik het ook voorgelezen had, op den zelfden avond toen ik jou de copy zond, was er tegen. Henri [H.J. Stratemeyer] had het beter gedaan; mijn fraais was een kranten artikel, was gepijzel (werkwoord pijzelen). - Enfin.
Ik beef voor de uitbarsting als het stuk over Bilderdijk aan de orde komt. - Nog een klein staaltje van de sterk uiteenloopende gevoelens van Paap en ons. Onze brave Tréfouillard [Frans Erens] heeft in de Jeune France een paar bladzijden geschreven over Holl. literatuur. - Het is uitstekend en benijdenswaardig fransch. Geestig - en puntig. Maar de inhoud overtreft niet de banaliteit der meeste vreemde schrijvers die over Nederland schrijven. - Nu wilde ik een klein variumpje maken over dit opstel er er eenigszins de draak in
steken met de ontboezemingen van vriend François; natuurlijk gesuikerd met lof wegens de manier. - Dit plannetje deel ik mee aan Paap, die op staande voet verklaart dat hij het artikel heerlijk schoon vindt, en de hatelijkheden op Holland flink gezegd; zelfs, dat hij er phrasen uit denkt aan te halen in zijn stuk over B. en D. C.-! Juist hetzelfde wat hem in Stromeyer toelacht: onbewezen, alledaagsche beschuldigingen. Dit noemt men flink! dapper! en zegt van de dingen die honderdmaal beweerd zijn, dat het nu eindelijk tijd wordt ze eens onomwonden uit te spreken. - Apropos, dit is zoowat wat jij in je brief aan Kloos geschreven heb; nu, Paap heeft dit kostelijke epistel gelezen. Grootpoliticus, bierhuisploerten-philosophie. Uitnemend! Voortreffelijk! - Het is niet kwaad dat hij even gekeken heeft achter de schermen, die men mondeling beleefdheidshalve genoodzaakt is, voor zijn ware opinie te schuiven. - Met dezen metaphoor wensch ik te eindigen. - Het ga je goed. Op Robinson Crusoe heb je onder meer het gezelschap van je meisje vóor, die ik je verzoek mijn beleefde groeten over te brengen. - Geloof me,
je
F.v.d. Goes
Am, 3 Sept. '85
P.S. Het prospectus is aanmerkelijk gewijzigd.
Amice,
Zie hier, aangeteekend, het stuk van Paap. Ik heb het gelezen. Zooals het daar ligt is, m.i. niet geschikt om geplaatst te worden.
Ten eerste is het hoogst ongenietbare lektuur. Alleen voor een enkele belangstellende is het leesbaar. Als redacteur moet men zich er door heen slaan, maar wij kunnen geen derde van onze eerste aflevering (want het wordt 3 vel) met dergelijke taaie kost vullen.
Ten tweede. Wanneer wij reputatiën als die v.B. en D.C. aanvallen, moet het bedaarder, véel geestiger, en bovendien op betere gronden gebeuren. - Er volgt uit al deze bladzijden niets - aangenomen dat alles waar is wat de auteur zegt - niets, dan dat Vosmaer en Huet in de waardeering v. eenig proza en eenige verzen zich vergist hebben. Dat er geen goede gedeelten zijn, ondanks de fouten, in de behandelde brokken, blijkt niet, omdat vriend P. hier volstrekt niet principieel is geweest. A plus forte raison, is onbewezen gebleven dat de duizende verzen en boekdeelen proza die de Heeren nóg hebben nagelaten, ook slecht zijn. - Wanneer Paap deze ontzettend langdradige verhandeling op een vergiettest zet, en er het water uit laat loopen en vervolgens de lange draden goed uitwringt, tot het een massa is geworden van ±één vel druks, en het opstel dan betitelt: Taalfouten, of iets v. die kracht, acht ik het geschikt om in de tweede of derde aflevering geplaatst te worden. Het stuk van Zedemeyer was veel zwakker; Paap heeft zeer goede opmerkingen, als hij die er uitpikt, uitwascht en goed gaar laat stoven, met eenig citroensap en véel zout vóórzet, ook een enkel geurig uitje niet vergeet,
zou het schoteltje genietbaar worden. - Het is inderdaad jammer van de moeite. -
Ingekomen is een stuk: Een Handelscrisis; vol deftige kolommen cijfers, maar onleesbaar geschreven, wat de caligraphie betreft. Ik zou er voor zijn het fraais maar te laten zetten, om het te kunnen beoordeelen. - Je hoort spoedig meer. -
Geloof me steeds tt.
F.v.d.Goes
P.S. Geliefde copy v. Paap aan Kloos te sturen.
Alvorens deze brieven nog nader toe te lichten - tusschen vierkante haken zijn door mij eenige namen toegevoegd - volgen hier een paar citaten uit de notulen.
Uit de vergadering van 3 Juli 1885 blijkt, zooals reeds hierboven is meegedeeld, dat Kloos tot secretaris en Paap tot penningmeester werden benoemd. De president werd gekozen voor den tijd van zes maanden. ‘Het presidentschap zal door de vijf redacteuren vervuld worden naar alfabetische volgorde der namen. De heer van Eeden wordt als president geinstalleerd’.
‘Het geleende geld zal beschouwd worden als geleend te zijn door de Redactie, onder aangaan eener persoonlijke schuld, door ieder der redacteuren voor één vijfde te dragen.
'De penningmeester wordt verzocht een concept-contract op te stellen betreffende de quaestie van eigendomsrecht in geval een redacteur mocht komen te overlijden of uit de redactie treedt.
'Over de opname der aangeboden stukken zal met drie tegen twee stemmen beslist worden.
'De heer van der Goes belast zich met het opstellen en inzenden van een bericht aan den Amsterdammer, dat het tijdschrift de N.G. geconstitueerd is.
'Tenslotte mededeeling van den heer v.d. Goes: hij heeft bericht ontvangen van den heer Doorenbos, die voor de eerste aflevering een stuk over Hendrik IV gereed denkt te maken’.
In de vergadering van 11 Augustus deelde Paap mede, dat de heer Stratemeyer vóór 15 Aug. a.s. een proeve van politiek overzicht zal zenden.
De heer Jelgersma had een halve toezegging gedaan over Engelsche philosophen, maar hij wilde ‘wel eens zien, wat wij zijn’.
Paap bracht papiersoorten mee en zou over den omslag nog eens met Clausen, den drukker, onderhandelen.
‘Verder deelt de heer Paap mede, dat de uitgave een prospectus verlangt, om voorloopig rondgezonden en later in het eerste nummer gelegd te worden. De heer v.d. Goes belast zich met het opstellen van een concept’.
‘Er wordt besloten, dat steeds de president in functie zich met de contrôle op den penningmeester zal belasten’.
Op 17 Augustus las Van der Goes zijn concept-prospectus voor, dat met eenige wijzigingen werd goedgekeurd. Dan volgt de bijeenkomst van 12 September.
‘Bilderdijk en da Costa van Paap komt, na een langdurige discussie, niet
in stemming. De heer Paap trekt zijn stuk terug en zegt het te zullen wijzigen’.
Frans Erens las voor en verklaarde eenigszins in de vergadering van 16 September het stuk van Maurice Barrès.
‘De heer Verwey leest zijn studie over het sonnet voor. Zij wordt aangenomen, op voorwaarde van bekorting en aparte titels voor de onderdeelen’.
Op 21 September (Paap was afwezig) werd een naturalistische schets van hem gelezen en geweigerd. Op die vergadering werd de bewuste mededeeling van Kloos over het geld van mevrouw Jolles gedaan, zooals gemeld.
Een week later bracht Paap de lezing van het concept-contract ten einde; ‘over het artikel, waarin omschreven staat, wat er gedaan zal worden, in geval een (of meer) redacteuren zich zou terugtrekken of mocht komen te overlijden, is veel discussie. Paap zegt, dat hij het contract, geheel volgens het Burgerlijk Wetboek, zal wijzigen’.
Ook dit contract is niet in het archief van De Nieuwe Gids aanwezig. Het is van belang dit te weten, omdat het eigendomsrecht later, na het uittreden van Verwey en toetreden van Tak, ter sprake komt en ook toen was het, volgens Kloos, nergens te vinden, hoewel Kloos beweerde, dat Paap er voor betaald is. Vermoedelijk was Kloos in de war met het betaalde contract met Versluys.
De Nieuwe Gids was 1 October verschenen. Naar aanleiding van de bespreking van het eerste nummer in het Nieuws van den Dag deelde Van Eeden, volgens de notulen van 8 October, mede, dat hij een antwoord had geschreven van zeven strophen op die critiek. Dan vervolgen ze: ‘De heer v.d. Goes heeft een briefkaart naar het Vaderland gezonden met de mededeeling, dat Persefone wel degelijk geweigerd is, eens door den Spectator, eens door “Nederland”.’
De bespreking in Het Vaderland was op 8 October verschenen en op Zaterdag 10 October werd in dat blad de volgende mededeeling geplaatst:
‘Naar aanleiding van de opmerking in ons artikel over “De Nieuwe Gids”, 'dat ieder tijdschrift gelukkig zou zijn een gedicht als Verwey's “Persephone” te plaatsen’, schrijft ons de redactie:
‘Als een klein staaltje van de onbekendheid met den stand der zaken in onze letterkundige wereld, waarin zij verkeeren, die geschreven hebben, dat “De Nieuwe Gids” overbodig is, diene de mededeeling, dat het door u genoemd gedicht indertijd eerst door den “Spectator” en daarna door “Nederland” (door dit laatste zelfs zonder opgave van gronden) geweigerd werd’.
‘Deze mededeeling bevreemdt ons. Intusschen is de noodzakelijkheid van een nieuw tijdschrift hiermede nog niet bewezen. Immers, het bedoelde gedicht zal in een afzonderlijken bundel verschijnen, en het nieuwe tijdschrift krijgt eenvoudig de primeur van eenige fragmenten. De eindbeslissing over de vraag, of dat nieuwe tijdschrift noodig is, behouden wij ons voor, totdat zal zijn gebleken, of het nieuwe banen opent. Dat er wel eens stukken zijn, zelfs voortreffelijke, die elders worden afgewezen, bewijst nog niet, dat de behoefte aan een nieuw tijdschrift bestaat’.
Naar aanleiding van dit bericht moet op het volgende gewezen worden.
Verwey heeft in zijn meer geciteerd artikel Vóór Veertig Jaar o.a. geschreven, dat de toenmalige jongeren niet klagen konden dat de gelegenheid tot spreken hun onthouden werd. ‘Maar er waren uitzonderingen en moeielijkheden. “De Gids” weigerde Iris, Schimmel wees Persephone af met een gedrukt briefje waarop hij een paar vriendelijke woorden schreef, de artikelen aan “De Amsterdammer” gezonden kwamen in den laatsten tijd wel eens met zeer dikke en boosaardige aanteekeningen van dr Pijzel terug’. (Dit is de verklaring van het werkwoord ‘pijzelen’).
Nu is het merkwaardig, dat Verwey zelf dus over de weigering van den Spectator zwijgt en in hetzelfde artikel Vosmaer ‘welwillend’ noemt. Bovendien schreef hij 28 December 1883 dit aan den Hagenaar: ‘Kloos zond mij uw brief van 14 l.l. en met genoegen las ik uwe gegronde aanmerking op mijne verzen als fragment’. Tenslotte moge hier een briefkaart volgen van Carel Vosmaer aan Willem Kloos, afgestempeld 's-Gravenhage 10 Oct. '85, dus zeer waarschijnlijk geschreven nà het tevoren geciteerde artikeltje van Het Vaderland (69 E 1):
Amice,
Aan wien ik de 1e afl. van den N. Gids heb te danken, aan u of een ander, wees zoo goed en neem dien dank aan of breng hem over. Ik las Johannes, de bijdragen van Verwey en u met veel genoegen; ik zal er in Vlugm. over spreken. Dat Persefone door den Spect. geweigerd is, is onjuist; ik zal dat releveeren.
Steeds tt.
C. Vosmaer
In een briefkaart van 17 October 1885 aan Kloos (zie Stuiveling De Briefwisseling Vosmaer-Kloos, pag. 227) schrijft Vosmaer: ‘De kwestie van al of niet weigeren heb ik maar laten rusten’. Uyldert citeert wel de woorden van Schimmel: ‘Aan den dichterlijken aanleg wordt hulde gebracht, al wordt plaatsing geweigerd’, maar een positief weigerend antwoord van Vosmaer ontbreekt. In ieder geval lijkt de mededeeling van Van der Goes aan Het Vaderland minder juist, om het gematigd uit te drukken.
Het dichterlijk antwoord van Frederik van Eeden werd door het Nieuws van den Dag geweigerd en daarom zond F. van der Goes het dd. 25 October 1885 met een brief aan De Amsterdammer:
Mijnheer de Redacteur!
Ik heb de eer u mede te deelen, dat nevensgaand gedicht ons is aangeboden, als repliek op de afkeurende kritiek over de Eerste Aflevering van De Nieuwe Gids in het Nieuws van den Dag. Wij wilden aan het verlangen van onzen correspondent voldoen, door de Redactie van het Nieuws te verzoeken, het antwoord op te nemen. Daar deze Heeren, vreemd genoeg, bezwaar maakten onze bede in te willigen, wenden wij ons thans tot u met hetzelfde verzoek.
Hoogachtend,
Uw dw. dr.
F. van der Goes
Speelt maar op vroolijke speellui! - Wij kunnen tegen een stootje!
N.v.d.D., 6 Oct.
Aan het Nieuws van den Dag naar aanleiding van hare bespreking van de Nieuwe Gids.
Een medewerker van de ‘N.G.’.
Het is noodig terug te komen op de veranderde houding van de redacteuren ten opzichte van Willem Paap. Paap was - het bleek reeds in Flanor - een vurig volgeling van Multatuli en van ‘het gezond verstand’ (Bombono's, blz. 129). Daardoor stond hij anders tegenover de aestheten Kloos, Van Eeden en Verwey. Van der Goes had in het weekblad De Amsterdammer van 6 Juli 1884 Paaps Bombono's uitvoerig besproken en kwam daarbij tot deze conclusie: ‘Het geheele werkje is een slaafsche en platte navolging van eenige onbegrepen “ideën” van dit onvergelijkelijk vernuft’. Voeg daarbij, dat Paap zijn vriend Stratemeyer, een journalist, als politiek medewerker aan De Nieuwe Gids wilde verbinden, dan kan men makkelijk begrijpen, dat de artiesten weinig voor het werk van dien journalist voelden. Ook Paap werd niet als een artiest beschouwd; Veth noemt hem een ‘burgerheer’, waarmee men vroeg of laat onaangenaamheden moet krijgen en die uiting dateert reeds van 27 Dec. 1884! (75 C 51 k).
Wie was Stratemeyer? Evenals Willem Paap werd hij in het Noorden van ons land geboren (11 October 1856 te Bolsward, Paap 21 October 1856 te Winschoten). Ook hij was oorspronkelijk onderwijzer, ook hij kwam te Amsterdam, waar hij redacteur was van De Nieuwe Amsterdamsche Courant, en leerde daar Paap en Jan C. de Vos kennen. In 1883 werd hij geintroduceerd op Flanor. Lid is hij niet geworden. Toch is het vreemd, dat de Nieuwe Gidsers zijn naam niet meer kenden, zooals uit de brieven is gebleken. Ook Van Eeden niet, die in een brief aan Jan Veth van 24 April 1886 over ‘Stratepan’ schrijft. (F.v.E. Genootschap, Juni 1948). Of was dit alles hoon? De bijdrage van Stratemeyer werd vóór 15 Augustus 1885 ingezonden en in den brief van 3 en 4 Sept. van F. van der Goes aan Van Eeden is sprake van ‘het stuk van Straalkamp’, dat door Paap verdedigd werd. Dit kan uitsluitend op het artikel van Stratemeyer slaan, die later Stromeyer, dan Zedemeyer wordt genoemd. Van der Goes zelf deelde 29 Augustus '85 aan Kloos mede, dat hij ‘de laatste hand (had) gelegd aan een politiek overzicht, n.l. binnenlandsch, ter grootte van ongeveer zes bladzijden druks. - Als het aangenomen wordt, ben ik er zeer op gesteld dat het auteurschap geheim blijft. - Mij dunkt dat het wel kán; de strekking is geavanceerd, en beveelt een afscheiding in de liberale partij aan, met eenige motieven betoogd. - Als de Heeren het goedvinden, zal ik ook eenige pagina's Buitenland maken. -’ En in een naschrift schrijft Van der Goes: ‘De onderteekening luidt: Mr F.P.V.K.’ (69 E 1) Het stuk werd in de 1e afl. anoniem geplaatst.
Ter verduidelijking moet ook gewezen worden op de inzendingen van Paap. Over de geweigerde naturalistische kleine novelle, die volgens Erens (Vervlogen Jaren, blz. 141) ‘het ledigen van een flesch cognac in één nacht door een wanhopigen schilder’ tot onderwerp had, is verder niets bekend. Zijn twee andere inzendingen betroffen het uitgebreide artikel De Studie van het Romeinsche Recht, dat in de 2e en 3e aflevering werd geplaatst en de geweigerde studie over Bilderdijk en Da Costa.
Van der Goes had Paap, bericht hij 15 September '85 aan Kloos, (69 E I) ‘een lang en gemoedelijk en oprecht epistel gestuurd. Het is er nu op of er
onder - Wees zoo goed vanavond eens te gaan kijken naar het effect’. Men ziet duidelijk hoe de crisis naar het hoogtepunt stijgt, maar toch was er nog geen breuk.
De Haagsche Groep. - Los van de Amsterdamsche groep, maar eerder, hadden zich te 's-Gravenhage eenige letterkundigen vereenigd. Van Quatuor, Spar en Hulst en De Banier, de tijdschriften, waarin zij publiceerden, is reeds melding gemaakt. De eenige figuren van belang waren J. van Santen Kolff en Marcellus Emants, vooral de laatste, die als dichter en prozaïst ver boven de anderen uitstak. Zijn Lilith lokte in het voorjaar van 1879 polemiek uit, waaraan Willem Kloos had deelgenomen; zijn Godenschemering trok evenzeer de aandacht. Over dit laatste gedicht had hij bij Vosmaer raad ingewonnen. ‘Mijn plan’, schrijft Emants d.d. 18 April 1880, ‘is een Godenschemering met Balders mythe, waarbij echter Loki vooral op den voorgrond komt. Ik dobber tusschen vijfvoetige jamben en Nevelingen maat. Houdt u een van beiden voor onpassend, wanneer ik bovenstaand onderwerp behandel?’ (Vosmaer-archief)
Aan Kloos gaf hij, op verzoek tot medewerking het volgende antwoord (69 E I);
Geachte Heer,
Zeer aangenaam was het mij weder eens iets van u te hooren; het spijt mij echter u geen bevredigend antwoord te kunnen geven op uw vraag.Misschien zal mijn antwoord u door zijn oprechtheid een onaangenamen indruk geven, maar iemand met beloften tevreden stellen, waarop toch geen daad volgt, dit is mij niet goed mogelijk. De Banier heeft mij er van overtuigd, dat ik als tijdschrift-medewerker niets waard ben - Ik moet op mijn pen kauwend mijn tijd vermorsen en heb steeds het land aan dit soort van werk gehad. Mogelijk blijft het dat ik eens iets wil schrijven, dat niet afzonderlijk uitgegeven worden kan. Dan wil ik echter gaarne aan de Nieuwe Gids denken, maar in ernst raad ik u aan het niet te betreuren, dat mijn schrijverij uwe kolommen hoogstzelden, wellicht nooit, vullen zal. Overigens wensch ik u veel succes toe, maar .... Dit maar moge onuitgewerkt blijven en ik wil nu nog even op het andere deel komen van uw brief. Ik begrijp iets niet nl. uw aanmerking op mijn verzen. Toch zou ik gaarne die aanmerking wel begrijpen.
Verwacht of verlangt u, dat ik mijn verzen ‘kouwen’ zal als Couperus? Zoo ja, leg mij dan voortaan ter zijde. Ik bewonder in menig opzicht dat talent, en begrijp tegelijkertijd dat niet-literatoren hem ongenietbaar vinden.
Verzen moeten m.i. geen antiquarische raadseltjes worden met wat allitereerend klankgenot. Woorden zijn middel en moeten zoo duidelijk en eenvoudig mogelijk worden samengevoegd.
Ik werk verschrikkelijk lang aan mijn versbouw, maar mijn verbeteringen zijn altijd naar eenvoud en helderheid gericht. Bouw ik ze niet uit marmer op dan zal 't wel zijn omdat ik ze niet uit marmer bouwen kan.
Misschien bedoelt u echter wat anders en in dat geval, wat bedoelt u?
Dat ik u Godenschemering toezond, geschiedde omdat ik Q.N. wilde danken voor zijn moedig in het strijdperk treden tegen Alberding Thym. Zoo iets is zeldzaam in Nederland.
Dit belet evenwel niet, dat ik uw oordeel - zij 't ook gedeeltelijk - gaarne vernemen zou. Niemand is meer overtuigd van de blindheid eens schrijvers voor eigen werk dan ik, en niemand zou liever dan ik die blindheid in helderziendheid veranderen.
Ik tracht zoo goed mogelijk te werken, en kan ik wat verbeteren naar den raad van anderen, dan is mij dat altijd zeer aangenaam.
Eén ding echter staat bij mij vast. Dat ons publiek weinig belangstelling toont voor zijn eigen letteren is niet uitsluitend te wijten aan zijn voorkeur voor al wat vreemd is. Mannen als Potgieter (als dichter), Perks, Couperus, dragen - ondanks al hetgeen literatoren te recht in hen bewonderen - een groot deel van de schuld. Kunnen wij het daarover eens worden?
Ik hoop het, en dan beveel ik mij zeer bij u aan voor bemerkingen (aanen op), die mij tot het inzicht mijner fouten kunnen brengen.
Van uw standje met de Spectator lieden weet ik niets. Was dat zoo boos? Geloof mij steeds met veel sympathie voor uw streven en werken bezield
Marcellus Emants
De andere Haagsche groep werd gevormd door de naturalisten met als buitenstaander de verfijnde en precieuse Louis Couperus. Het waren voornamelijk Frans Netscher en Arij Prins. Gouperus is in 1863, Netscher in 1864 en Prins in 1860 geboren. Louis Couperus, die zich buiten de letterkundige kringen hield, kan in dit verband uitgeschakeld worden.
Prins publiceerde het eerst in Eigen Haard (1882) een novelle Eene Verlovingspartij onder het pseudoniem A. Cooplandt, in Augustus 1884 een in Juli 1882 geschreven novelle Grootvader Bleys in Nederland en 8 Maart 1884 in den Spectator een naturalistische schets Een Buitenkansje.
Hij had vroeg contact gezocht met Lodewijk van Deyssel, die in De Amsterdammer reeds van 1882 af geschreven had over de Fransche naturalisten, waarop een vrij levendige correspondentie met Prins is gevolgd. Met Frans Netscher, die jong naam had gemaakt en in kranten gepubliceerd, ging Prins het meest om. Netscher plaatste in 1884 in Nederland onder het pseudoniem H. van den Berg een bijdrage Studiën uit de Tweede Kamer, waar Lodewijk van Deyssel 12 October 1884 in De Amsterdammer bewonderend over heeft geschreven.
De brieven van Lodewijk van Deyssel aan Arij Prins, mij welwillend ter beschikking gesteld door ir A.C. Prins, evenals die van Frans Netscher en Albert Verwey, beginnen in Maart 1884. Uit den eersten blijkt, dat Prins reeds voor dien tijd contact met hem had gezocht. Op 26 Maart bedankt hij Prins voor de ‘heuschelijk toegezonden overdruk’ van Een Buitenkansje. ‘Ik had reeds met de meeste waardeering kennis genomen van deze novelle als artikel in den Spectator. Maar uw beleefdheid verschaft mij nu de welkome
gelegenheid u te vragen, wat ik reeds lang van plan was, hoe het is afgeloopen met uw Grootvader Bleys, die ik in der tijd aan Dr ten Brink zond en waar ik niets meer over hoorde. Word die nog gedrukt?’
De volgende brief is een antwoord op het plan van Prins om critische artikelen te gaan schrijven over de naturalisten, welk plan hij heeft uitgevoerd. In De Amsterdammer van 1 Februari 1885 verscheen het eerste artikel over De jonge naturalisten, ook onder den schuilnaam A. Cooplandt. Prins schreef er verder o.a. over Germinal op 12 en 15 April, over Lemonnier (3 Mei), Paul Bourget (17 Mei), Jules de Goncourt (21 Juni), Maupassant (28 Juni), Balzac (8 en 15 Nov.), Robert Caze (28 Febr. '86) en zijn schetsen Kinderen I (26 Juli) en II (16 Aug. '85), die in den bundel Uit het leven werden herdrukt. Ook in het Nieuws van den Dag heeft hij in die jaren over Fransche letteren geschreven.
De brieven van Lodewijk van Deyssel zijn nooit in extenso gepubliceerd, waarom ik er hier een aantal laat volgen, daar ze merkwaardig zijn om het oordeel, dat hij geeft over de jonge litteraire beweging te Amsterdam en de waardeering, die er uit spreekt over den jongen Netscher, die toen omstreeks 20 jaar was.
Geachte Heer,
Uw plan om kritieken over jongere naturalisten te schrijven, verdient m.i. slechts toejuiching. Om die in het Weekblad De Amsterdammer geplaatst te krijgen, zal het goed zijn dat gij u richt tot Dr R.A. Kollewijn, redakteur der letterkundige rubriek van het Weekblad, Van Oldenbarneveldt-kade no 7.
Indien gij wilt, zal ik hem ook voor u schrijven. Hij is zeer ontwikkeld, zeer liberaal, plaatste nu laatstelijk nog een stuk van mijn vriend ‘Homunculus’ tegen den zoo gevierden Beets, en opstellen van uw hand, ongetwijfeld met zorg geschreven, zal hij zeer waarschijnlijk opnemen, mids ze elkander niet te snel opvolgen, want er is overvloed van goede kopie op 't oogenblik. - Onwaarschijnlijk is echter, dat de Gids-redaktie uw novelle aanvaardt. Deftig en onbeduidend, gelijk de Revue des deux mondes, weigert zij meestal hetgeen tegen de aloude literaire konventie indruischt. Ik weet dit b.v. van Jacques Perks Gedichten, die later zoo een opgang hebben gemaakt. Nederland staat echter immers voor u open? -
In allen geval is het te beproeven, en zal ik aangenaam verrast zijn uw naam in den Inhoudsopgaaf van den Gids eens aan te treffen.
Zijt gij ook voornemens over al de naturalisten, die bij Kistemaeckers te Brussel uitgeven, te schrijven?
Geloof mij gaarne
Uw dw. dr.
L. van Deyssel
Geachte Heer,
Ik heb nog een brief en een briefkaart ter beantwoording voor mij liggen, die mij van u toegekomen zijn. De bundel ‘Realistische Schetsen’ ontfing ik in goede orde te-rug. Ik dank u voor de zorgzame behandeling. Het zal mij zeer aangenaam aandoen de eerste uwer kritieken in den Amsterdammer te zien verschijnen. Ongetwijfeld kwam u reeds ter oore, dat Desprez, dien gij ook behandelen wilt, verleden week tot een maand celstraf veroordeeld werd wegens zijn jongsten roman. Schreef ik u al, dat mij omtrent dit proces-Kistemaecker, waarover gij inlichtingen vraagt mij niets naders bekend is ?
Ik neem de vrijheid u bij deze gelegenheid te verzoeken mij, of door toezending van een exemplaar, of door opgave der koeranten-nummers, in staat te stellen met uw kritieken over schilderkunst in het 's Gravenhaagsche blad geplaatst, kennis te maken.
De Kunstbode, geachte heer, is, wat de stijl, het gevoel, de soort theorieën en de kennis, die zijn redakteuren er op na houden, aangaat, tot nu toe niet van de hoogste volmaaktheid gebleken. Alleen het gedeelte aan de muziek gewijd, waar ik geen verstand van heb, is, hoor ik, niet kwaad, evenmin een paar korte schilderkritiekjes. Het eerste nummer was zoo weinig beteekenend, dat ik er een stukjen tegen in den Amsterdammer heb geplaatst. Wat mij er in 't begin vooral tegen stemde, waren artikelen als over de ceramiek-expositie in ons Panorama-gebouw, op een zekeren toon gesteld en blijkbaar grootendeels uit 't Duitsch vertaald. De principiëele hoofdartikelen waren vaak ellendig geschreven.
Doch, gaandeweg, wordt het beter. Het laatste nummer, van eergisteren, is, praktiesch, goed. Uwe door den Gids geweigerde novelle, zoû, dunkt mij, in 't Nederl. Museum van Gent wel opgenomen worden. De laatste novelle in Nederland van den Heer F. Netscher is weder meer dan goed. Ik ben hier bekend met verscheidene jonge schilders, die tevens aan literatuur doen en die alien om 't zeerst met het talent van dezen Heer ingenomen zijn.
Van Nederland gesproken, wanneer het niet blijken zal, dat evenmin als ‘de Gids onze Gids’, Nederland ons Nederland zijn zal, zal mij dit even zeer bevreemden als genoegen doen (nu de nieuwe Redaktie aan 't woord is gekomen namelijk).
Mij aanbevelende voor nader schrijven, verblijf ik
uw dw dr
L. van Deyssel
Mijn Nieuwjaarsgroet gaat hierbij.
Rip en Roermeyer1 van Rotterdam? Beide schilders van een opperst impressionisme en leerlingen, ten minste naar den schijn, van Manet. Wat vind gij van Manet-zelf? Ik ben erg met hem ingenomen en ook met bovengenoemde heeren. Toen ik, het eerste jaar van zijn bestaan, schilder-kritieken in het dagblad De Amsterdammer schreef, had ik meermalen gelegenheid dit te doen uitkomen. Ik heb trouwens het genoegen gehad Manet nog zoo'n beetje te kennen. Hij was éen-en al artisticiteit in alles.
Ik zie nu uw artikelen in het Weekblad De Amsterdammer te gemoet. In Eigen Haard vond ik nog niets van uwe hand. Gij vraagt mij naar mijn verslag van de ‘Joye de vivre’. Zenden kan ik het u niet, want ik bezit 't zelf niet meer. Het is met zooveel andere joernalistische opstelletjes naar de prullenmand verhuisd, sinds lang. Maar ik kan u wel in vertrouwen zeggen, dat het alles behalve iets bizonders was.
Over François Erens, die de Tâches d'encre behandelde, kan ik u beter inlichten, want hij is van mijn intieme kennissen.
Hij is dan zoo: dertig jaar oud, klein en verbazend mager, is door zijn dunne blonde haar bijna geheel heengegroeid, heeft een scherpe neus en kaken en draagt een lornjet. Hij is Limburger van geboorte, heeft eerst in Leiden gestudeerd, toen drie jaar in Parijs gewoond, waar hij met de uiterste raffineurs van politiek, letterkunde en kunst heeft omgegaan en nu woont hij hier te Amsterdam, om quasi voor zijn doktoraal examen te studeeren, maar zijn artistiek gemoed en liefde voor literatuur speelt hem onophoudelijk parten en houdt hem van de drooge rechts-studie af. Hij heeft veel opmerkingsgave en wel goede sentimenten, maar mist nog alle gemak van schrijven en uitdrukken, hoofdzakelijk door gebrek aan oefening.
Gij vraagt ook naar de natur. beweging te Amsterd. Die bestaat eenvoudig niet. Romanschrijvers zijn er niet en noch de jonge dichters noch de kritici, die ik ken, hebben b.v. eenigszins volledig van het fransch naturalisme in den roman kennis genomen.
Twee jaar geleden heb ik een eenigszins natur. tooneelstukje bij van Lier, het Grand Théâtre hier ter stede, opgevoerd gekregen, dat gevallen is als een baksteen. Sinds dien tijd heb ook ik niets dergelijks meer uitgegeven.
De dichters der laatste generatie alhier, zijn volbloed zonen van Swinburne en Shelley, evenals de heeren der Jeune France. Ik ben in den laatsten tijd ook veel met die merkwaardige Engelsche literatuur van deze eeuw, behalve Byron, Tennyson, Bunyam, enz. (die niet) bezig. Dichters in het genre van Swinburne, Shelley, Paul Bourget, Tola Dorian2 en die heele massa van het Jonge Frankrijk, afstammelingen van Baudelaire en Leconte de l'Isle, zulke dichters, waarvan iets te verwachten valt, ten onzent, zijn: Kloos en Verwey (de twee voornaamsten, beiden dood-jong en dood-arm) en dan ook de too-
neelschrijver van Eeden, maar die in zijn verzen heel anders en vrij wat sterker is dan in zijn tooneelstukken.
Maar, - wij kunnen ze bewonderen en de hand drukken, - hun school, hun kunst kan niet de onze zijn. - Willen wij den dag van morgen en de heele volgende eeuw voor ons hebben, dan zijn Balzac, die Titaan en Titiaan tevens indien gij wilt, en Zola, dat monument, met wat er uit en door hen is ontstaan, onze mannen, zij alleen.
Het schijnt intusschen, dat evenals de nieuwe schilderkunst, de nieuwe letterkundige kunst uit den Haag tot ons moet komen.
Kent gij Couperus' gedichten? Deze daalt merkbaar. Hebt gij misschien in het laatste Weekblad De Amsterdammer het tweede gedeelte van het ‘Overzicht der fraaie letteren’ gelezen? Ik vond gelegenheid daarin over Nederland en o.a. over u te spreken.
Ik merk, dat ik, veel te lang voor uw geduld misschien, aan 't praten ben gebleven. Gij moet dit hieraan wijten, dat ik het zoo pleizierig vind over naturalisme, enz. te spreken. En gij behoort nu eenmaal tot de uitgelezen zeldzamen in Nederland met wien men zich dat kan onderstaan.
Wees zoo goed en zend mij, als 't niet te veel moeite voor u is, overdrukken van hetgeen gij schrijft. Ik blijf gaarne volledig op de hoogte.
Met beleefde groet,
Uw dr
L. van Deyssel.
Geachte Heer,
Gij zult in het Weekblad De Amsterdammer het stuk van uw vriend Koster opgenomen gezien hebben.Wanneer hij nu om de twee à drie weken vooreerst dergelijke bijdragen zenden wil, zal dat goed zijn.
In Uw laatsten brief, vraagt gij of ik Germinal zal recenseeren in het Week-blad. Ik zal dit niet doen; de gelegenheid staat voor u b.v. ten volle open. Het zoû zelfs zeer wenschelijk zijn, indien gij zoo spoedig mogelijk een stuk over Germinal wildet schrijven; anders doet misschien de Heer Taco H. de Beer of zoo iemant, het. Den brief, dien gij van Louis Desprez hebt ontvangen, zoû ik zeer gaarne eens lezen.
Intusschen verblijf ik, uw dw dr.
L. van Deyssel.
Met Frans Netscher begon de correspondentie in 1884. Prins schreef 11 Oct. aan Netscher:
Ik weet echter niet in welk tijdschrift uw werk heeft gestaan, zoodat het mij hoogst aangenaam zal zijn dit van u te vernemen. -
Mocht u mij deze novellen ter lezing willen zenden, dan zult u mij daarmede zeer verplichten.
Toevallig verneem ik, dat u indertijd per abuis een brief of briefkaart voor mij bestemd, van Dr Jan ten Brink over mijn novelle ‘Een Buitenkansje’ hebt ontvangen, en dat u moeite hebt gedaan mijn adres te weten te komen, om mij dit schrijven te doen toekomen. -
Gaarne zal ik van u vernemen, wat hiervan aan is. -
Excuseer svp de moeite, welke ik u veroorzaak. -
Met de meeste Hoogachting, verblijf ik
UEd. dw dn.
Arij Prins
adres
Kanaalweg 9
Scheveningen
Op 13 October gaf Netscher antwoord en reeds de volgende maand was de aanhef der brieven amicaal. Ze hadden elkaar gevonden in Haagsche café's, voornamelijk in Lincke, een café, dat in het begin van de Veenestraat lag en waar schilders en schrijvers 's Zaterdagavonds bijeenkwamen. Prins woonde aanvankelijk in Scheveningen en Voorburg en later te Schiedam.
Tot de bezoekers van dat café behoorde ook de reeds genoemde J. van Santen Kolff (1848-1896), een familielid van Frans Netscher. Kolff was niet alleen een groot bewonderaar van Zola, met wien hij correspondeerde, maar tevens een voorvechter voor de nieuwe schilderkunst en een groot bewonderaar van Richard Wagner. Hij bracht Netscher tot het lezen van Zola en kende Prins door de schilders. Als men dan nog weet, dat Van Deyssel, evenals Prins, niet alleen belangstelling had voor schilderkunst, maar er ook over schreef, zooals verscheidene schilders bekend waren met litteratuur (Isaac Israëls, Jan Veth, Jac. van Looy, Willem Witsen om er eenige te noemen), dan is de wisselwerking duidelijker en de invloed van de schilderkunst in het beschrijvend proza bij Van Deyssel, Prins, Van Looy en Netscher volkomen verklaarbaar1.
Ook de brieven van Netscher aan Arij Prins zijn nooit volledig gepubli-
ceerd. Zij geven een kijk op hun belangstelling voor de buitenlandsche, voornamelijk naturalistische, letterkunde en later op hun verhouding tot De Nieuwe Gids. De brieven van Prins, evenals de vorige, in het Gemeente-archief te 's-Gravenhage aanwezig, zijn vaak zakelijk en minder uitvoerig dan, die van Netscher. Als het vreemd lijkt, dat Netscher zooveel over zijn eigen werk schrijft, dan vindt dit een verklaring in het feit, dat Prins er telkens om vraagt. Ook stuurt Prins zijn eigen werk, vóór het gepubliceerd wordt, aan Netscher ter lezing. Hier volgen eenige brieven van Netscher uit het archief van ir A.C. Prins:
Weledele Heer,
In antwoord op uw geëerd schrijven diene het volgende.
Mijne novellen, waarover de heer van Santen Kolff gesproken heeft, zijn verschenen in de September- en October afleveringen van Nederland; de eerste draagt den titel ‘Studiën in onze Tweede-Kamer’ en is uitgekomen onder den pseudoniem van H. van den Berg; de tweede heet: ‘Schetsen naar het naakt Model’ - I De laatste eer aan een overledene -
Over de briefkaart, waarmede eene vergissing heeft plaats gehad, zoû ik u gaarne persoonlijk wenschen te spreken, waardoor mij dan tevens de aangename gelegenheid zoû worden geschonken met u kennis te mogen maken. Zoo ik u niet ongelegen ben, zoû ik mij dan gaarne Vrijdag- of Saturdagmiddag ten uwent vervoegen -
De weinige moeite, die u mij veroorzaakt heeft, zal stellig opwegen tegen het voorrecht van met u in betrekking te zijn gekomen, waartoe ik reeds geruimen tijd tevergeefs eene gelegenheid gezocht had -
Hoogachtend Uw Dw:
Frans Netscher
P.S. Tevens zal ik u dan een afdruk van beide Novellen ter lezing medebrengen. -
Amice,
Met genoegen heb ik kennis genomen met ‘l' Irréparable’ van Paul Bourget. De eerste en tweede studie er uit heb ik gelezen, nu rest mij nog alleen ‘Profils perdus’. Ik deel ten volle uwe bewondering voor's schrijvers talent; het spijt mij niet eerder met gemelde kunststukken kennis te hebben gemaakt. Toch is mij bij de lezing een merkbaar onderscheid tusschen zijn talent en dat van Zola in het oog gesproken, namelijk, dat beiden ter verklaring van de psychologie hunner personen van een tegenover gesteld standpunt uitgaan. Zola is over het algemeen - eenige uitzonderingen ter zijde gelaten - een opbouwend-psycholoog, Bourget daarentegen een afbrekend psycholoog. De eerste neemt, bij de ontleding zijner personen, de elementen uit hun karakter, plaatst die sterk op den voorgrond, gaat daarna tot de omstandigheden,
waarin zij verplaatst worden, terug, gaat den wederkeerigen invloed dezer twee factoren na, en bouwt zoodoende zijne personen op. De tweede toont ons zijne personen, zooals zij zich aan de wereld voordoen, met hunne deugden en gebreken als een voltooid geheel; daarna gaat hij er eerst toe over ze van naderbij te beschouwen, ze langzamerhand te ontleden, het samenstel van al hunne eigenschappen tot eenige grondtrekken van het karakter terug te brengen en de oorzaken bloot te leggen, waarvan de gevolgen zich als hunne handelingen openbaren. Zola begint zijn psychologische beschouwingen bij den basis, Bourget bij den top; de eene klimt op van het voetstuk tot het hooger gelegene, de andere daalt af van het toppunt tot de grondslagen.
Deze opmerking, met betrekking tot hun ‘methode’ van werken, heeft mij eene aandachtige lezing in de pen gegeven. Stelt men Noémie, Taraval of Claire naast Eugène Rougon, Denise of Gervaise dan wordt de waarschijnlijke juistheid nog merkbaarder.
Zijn stijl vind ik eenvoudig, helder, krachtig en vloeyend. Het bijna geheel vermijden van natuurbeschrijvingen als anderzins, daar het voornamelijk zijn doel was de geheele aandacht voor de personen te vragen, past uitmuntend in de lijst zijner studies. Zijne beelden en vergelijkingen kwamen mij nu en dan een weinig alledaagsch en kleurloos voor. Zijn talent bezit eene mannelijke, volwassen kracht.
Ik meen, dat ge mij eenmaal gezegd hebt, het plan gevormd te hebben een critiek over Bourget te schrijven; ik hoop, dat gij uitvoering aan uw voornemen zult geven: de schrijver verdient meerdere bekendheid in Nederland.
Indien gij het boek spoedig terug verlangt, zal ik het in den kortst mogelijken tijd toezenden. Ondertusschen houd ik mij ten zeerste voor de toezending van meerdere lectuur bij u aanbevolen.
U dankzeggend voor uwe vriendelijke attentie, blijf ik na een fermen handdruk als steeds uw
Frans Netscher
P.S. Weet gij, dat in eenige opeenvolgende nummers van het Zondagsblad, behoorende bij het Handelsblad, vertalingen gestaan hebben van Schetsen van Paul Bourget over het maatschappelijke leven te London? N.
Amice,
Hiernevens zend ik u ten Brink's beoordeeling van La joie de vivre'.
Bedankt voor de toezending der ‘Bruiloftspartij’. De Novelle is jong werk, en staat zeker bij uwe laatste schetsen ten achter, maar de teekening is frisch opgezet en gezond ten uitvoer gebracht; hier en daar komen gedeelten voor, die geschreven zijn als hadt ge de pen van Hildebrand geërfd.
Het spijt mij, dat mijn voorgevoel ten opzichte der opname uwer novelle in ‘de Gids’ niet verwezenlijkt is geworden. Mij werd mijn werk terug ge-
zonden alleen met het bericht dat het niet geplaatst kon worden, u werd ten minste een meer omstandig schrijven gestuurd, dat echter in diepzinnige duisterheid voor mijn weigering niet behoeft onder te doen. Neen, ik ken de eischen van ‘de Gids’ niet! Of zouden die mogelijk te vinden zijn in de Novellen der heeren van Nievelt en Hoyer? Ik heb nu de overtuiging gekregen, dat ‘de Gids’ onze gids niet worden zal.
Hebt ge van ten Brink nog niets vernomen? Wil ik er eens bericht voor u naar inwinnen?
Mijne beide schetsen over het Ballet heb ik gereed gekregen; zoodra ze overgeschreven zijn, zal ik ze u ter lezing zenden.
Zoo in het a.s. Zondagsblad van de Amsterdammer een critiek van u verschijnt, zoû ik ze gaarne eens ter lezing ontvangen.
Tot ziens. Geheel de uwe
Frans Netscher
Indien gij van uw dameskaart voor het Diligentiabal geen gebruik maakt, zoudt gij er mij zeer meê kunnen verplichten.
Ook het antwoord van J.N. van Hall, toen ter tijd redacteur van De Gids, waarin hij aan Prins mededeelde, dat de novelle (welke, is niet Bekend) niet geplaatst kon worden, is in het archief aanwezig en het is aardig te vernemen op welke gronden de schets geweigerd werd:
WelEdelgeb. Heer,
Ik heb mij gehaast Uw stuk te lezen. Het spijt mij echter U te moeten mededeelen dat, hoewel uit Uwe novelle blijkt, dat Gij niet zonder vrucht bij de Fransche Conteurs dezer dagen ter schole zijt gegaan, zij in haar geheel niet voldoet aan de eischen welke de Gids meent te moeten stellen.
Met achting
Uw dw dn
J.N. van Hall
De verdere brieven van Netscher, die een groote activiteit aan den dag legt en contacten zoekt met buitenlandsche schrijvers, volgen hier:
Amice,
Hierbij stuur ik u een brief van den heer Félix Fénéon, rédacteur aan la Revue indepand. Ik had dien heer eenige inlichtingen over Boborykine en zijne werken gevraagd en ontving het nevengaande, voorkomende antwoord. Ik was voornemens een artikel over Boborykine te schrijven, maar heb er, nadat ik kennis had gekregen van uw plan, van afgezien. Ik zend u den brief en de
copy, daar ze u nu mogelijk van nut kunnen zijn. Zendt ge ze mij spoedig terug?
Tegelijk met dezen brief zend ik u Tolstois Trois Morts. Ik ga van dezen schrijver eenige meerdere werken opzoeken, en meen den goeden weg hiertoe gevonden te hebben, nml. in de Revue des d.M.' Schaf ze u dus nog niet aan (gisteren-avend repte gij er met een woord over); indien mijn vondst gelukkig is, kunt ge ze van mij ter lezing krijgen.
Binnen kort verschijnt in den Gil Blas, als feuilleton, een nieuwen roman van Guy de Maupassant, getiteld Bel-Ami.
Bel-Ami est l'histoire d'un garçcon souple et sans scrupules, un de ces hommes aimables et forts, doués de toutes les qualités de grâce et de séduction nécessaires aux ambitieux.
Ce roman, très mouvementé, contient des silhouettes de Parisiennes vraies et charmantes, étudiées dans la vie même.
Ik ben van plan een artikel, ‘Le Naturalisme en Hollande’, voor de Revue Indép: te leveren en zal mij ook met Boborykine in betrekking stellen.
Mijn ‘Oproer in het ballet’ is bijna overgeschreven; het vordert echter te langzaam, daar ik tegenwoordig kolossaal veel onder handen heb, eigenlijk te veel. Ik werk nu ook aan Coralie, de geschiedenis eener chanteuse uit een Café-chantant, voor mijn bundel Schetsen n.h.n. model'.
Heeft de Amsterdammer uwe bijdrage, de Jonge Naturalisten, reeds geplaatst? Waarschijnlijk zal ik mij op La jeune Belgique, het tijdschrift der belgische Naturalisten, gaan abonneeren.
Na vriendschappelijke groeten als steeds
Frans Netscher.
Amice,
Ik moet u nogmaals mijne verontschuldigingen maken Saturdag-avend niet op het gegeven rendez-vous te zijn verschenen. Ik was Saturdag den geheelen dag reeds ongesteld geweest, maar hoopte 's avonds nog uit te kunnen gaan. 's Middags ten 5 uur kreeg ik echter zoo'n hevige koorts, dat ik, alvorens u geschreven te hebben, mij naar bed moest begeven. Ik zag geen kans nog een boodschap aan den Kindl [een Haagsch café] te doen bezorgen. Eerst heden-ochtend mocht ik opstaan en zal genoodzaakt wezen nog eenige dagen te huis te blijven.
Heden-middag zond ik u twee nummers van Het Volksbelang met het opstel, dat gij van naam kent; ik denk, dat het nog stof voor twee of drie feuilletons zal leveren, waarvan ik u de exemplaren ook zal toesturen.
Uw eerste opstel over de Jonge Naturalisten is zeker gisteren geplaatst? Kunt ge mij uw laatste Novelle niet eens ter kennisneming sturen?..
Van ‘de Gids’ vernam ik nog niets. Mijn artikel 'Wat wil het Nat:? hoopte ik van de week nog af te krijgen, maar wegens mijne ongesteldheid zal het nu wel eenige dagen later worden; het is tamelijk uitgebreid. Wanneer ik
a.s. Saturdag uit kan en u ontmoet, zal ik het u ter lezing medebrengen; ik kan het echter nu niet missen, omdat ik het begin telkens voor het vervolg te raadplegen heb. Mijn ‘Oproer v.h. Ballet’ is nog niet geheel overgeschreven, daar ik het tegenwoordig erg druk heb.
de Josselin de Jong's ‘Pennelikkers’ (u zeker wel van de laatste aquarellen - tentoonstelling bekend) wordt in Eigen Haard opgenomen; hij heeft er met mij over gesproken er een kleine novelle over een Pennelikker bij te schrijven; hij zal er met Tjeenk Willink over correspondeeren.
Ook ga ik twee viertallen kleine schetsen schrijven (ieder ongeveer één bladzijde groot) onder de titels van: Bij den Betaalmeester en Bij den Ontvanger, waarin ik eenige typen uit het publiek der verschillende standen ga behandelen. Hierover spreek ik u nader.
Is Ed: Rod's brief van eenig belang? Waar heeft hij het over? Ik zal mij de eerste aflevering van de Revue contemporaine, bij verschijning aanschaffen. Hoe bevalt u La Jeune Belgique? Ik vind er zeer veel knaps in - Autour d'un clocher heb ik bijna uit: ik blijf er bij, dit werk is het voortbrengsel van een wanstaltig, onrijp Naturalisme, dat slechts weinige goede eigenschappen bezit.
Hoe gaat het mij uwe ongesteldheid?
Na vriendschappelijke groeten tot nader
Frans Netscher
Amice,
Antwoordt niet. Ik heb ook tot vaste gewoonte aangenomen nooit op dergelijke schrijverijen eenige aandacht te slaan. Het is een roomsch geschrijf, dat zijne fransche confraters in bescherming neemt, maar het geldt hier: als de vos de passie preekt, boer pas op je ganzen. Stuur het eens aan van Deyssel op. -
Eindelijk ontving ik antwoord van de Gids; natuurlijk eene weigering. Er was een brief bij, die ik niet zal beantwoorden. Mijn studie over het Naturalisme is door Nederland aangenomen.; Smit Kleine wil eenige veranderingen doen aanbrengen, waarvan ik er slechts één in toepassing zal brengen.
Saturdag-avend spreek ik je er mogelijk nog wel nader over. Tot ziens
F.N.
Amice,
Het spijt mij, dat Dostoïevsky's werk niet in uw bezit is. Ik zal nu mij zelve maar eenigen tijd van het voorgestelde genot moeten spenen. Naderhand zal ik de lectuur aan van Meurs verzoeken.
Hebt ge in de laatste aflevering van de R.I. de ‘notes bibliographiques’ over de twee vertaalde werken van genoemden Rus gelezen?
Uw voornemen om een fransch artikel te schrijven, vind ik uitmuntend; wij moeten in het buitenland ook eens iets van ons doen hooren, anders geraken wij eenigszins in het vergeetboek. Maar veroorloof mij één bedenking. Gelooft ge, dat ‘L'argent dans la littérature holl:’ een belangrijk genoeg onderwerp is, om er een fransche studie aan te wijden? Zouden uwe beschouwingen over Holland voor Frankrijk even gewichtig wezen als die over Frankrijk voor Holland? Ware er geen hollandsch letterkundig onderwerp te vinden, dat in het buitenland eenig licht over onze litteratuur werpt? Dan werket gij meê om Holland een weinig meer, tot betrekking van zijn letterkundig voortbrengingsvermogen, in de vreemde bekend te maken. Wat denkt gij hiervan?
De vermelding der fransche vertaling van ‘Een Buitenkansje’ zal ik achterwege laten.
Gisteren avend ontving ik een vrij langen brief van v. Deyssel, waarin hij mij meldde niet het voornemen te koesteren ooit de Germ: te behandelen. Ik zal beproeven hem nog van dit plan te doen afwijken. Met betrekking tot de Germinal schreef hij mij: ‘Een werk als Germinal geeft de koorts. Men kan daarna: òf niet begrijpen òf beminnen’. Ik stem niet met deze uitspraak in; ik vind het los daarheên geworpen gezegde.
Van Deyssel hondt zich ook voor de lectuur van Kolf's brieven aanbevolen; indien gij ze gelezen hebt, zendt ze mij dan op.
Eindelijk ben ik met moeite meester geworden van ‘Th. Ribot, l'Hérédité psychologique’; er komt bijna alles in voor wat ik noodig heb, en vooral voor mijne Germinal-beoordeeling.
Tot nader.
Vriendschappelijk
Frans Netscher
Amice,
Hiernevens sluit ik een brief van den heer Félix Fénéon in; lees hem eens en stuur hem mij dan terug. Ik dacht, dat de Revue Indépendante een tamelijk groot debiet in Holland had; het tegendeel spijt mij. Ik ga heden middag den heer Zilcken spreken en zal dan met mijn artikel beginnen; ik laat het u lezen eer ik het verstuur.
Ook van den Spectator heb ik mijn Gorinchemsche schets terug ontvangen; de redactie vond mijn werk een schilderij zonder lijst en had er natuurlijk gaarne een ‘intrigetje’ in gezien; het wordt dus een beginselenstrijd met dit blad; om de zelfde reden weigerde het ook mijn Kiezerstype. Toch zal ik blijven volhouden en het binnen kort iets anders van mijn hand sturen.
Onmiddelijk heb ik mijn copy, met een begeleidenden brief, aan den heer van Deyssel opgezonden, hem verzoekende mijn werk eens te lezen en het dan aan den Amsterdammer op te zenden. Dit was de eenige weg, die mij nog open stond. Weigert de Amsterdammer mijn schets ook, dan gaat ze naar den Nieuwe Rotterdammer. En dan basta, dan komt ze in mijn bundel.
Ik heb weêr eenige nieuwe schetsen onder handen en het tweede gedeelte van Wat wil het Naturalisme? is bijna gereed.
Hebt ge mijn Oproer in het ballet uit? Ik heb over de compositie van dit stukje nog eens rijpelijk nagedacht en overwogen of het niet beter ware het om te werken - zooals wij onlangs reeds bespraken. Ik geloof echter het in den tegenwoordigen vorm te zullen handhaven; bij gelegenheid spreek ik er u wel eens over. Van ten Brink vernam en ontving ik nog niets. Hoe schiet ge met uw critiek over l'Elève Gendrevin op? En heeft Desprez nog iets van zich doen hooren?
Na vriendschappelijke groeten
Frans Netscher
Amice,
Zoudt ge mijne familie en mij het genoegen willen doen Saturdag a.s. den avend bij ons te komen doorbrengen? Ge zult dan eenige vriendinnen mijner zuster ontmoeten (o.a. de dames Scheepens) en eenige mijner vrienden, waarschijnlijk Couperus en de Josselin de Jong. De samenkomst zal een zeer huiselijk karakter dragen.
Van den heer van Deyssel heb ik een zeer welwillend en uitgebreid schrijven ontvangen. Hij keurt mijn werk even goed als het voorgaande en maakt nog eenige zeer gegronde opmerkingen over eenige door mij gebruikte woorden. Ik ben aan mijn Le Naturalisme en Hollande begonnen; de moeilijkheid er van valt mij nogal meê. Ik hoop je het a.s. Saturdag te kunnen laten lezen.
Tot nader
Frans Netscher
Van Deyssel zegt mij te vreezen, dat mijn stuk niet door De Amsterdammer zal worden opgenomen, want .... Justus v. Maurik is redacteur voor de afdeeling feuilletons. Ja, dan vrees ik het ook!
Ik schreefheden ochtend aan den heer Félix Fénéon en bracht hem uw voorstel over voor uw Une chance in zijne revue te doen verschijnen; ik denk wel, dat hij uw aanbod zal aanvaarden. Ook berichtte ik hem over den brief van Flaubert, waarvan gij mij gesproken hadt, en vroeg hem of de R.I. Hem zou willen publiceeren -
Amice,
Dank voor de spoedige toezending van Flaubert's brief. Dadelijk na ontvangst heb ik een copy aan den heer Fénéon opgezonden, en, naar ik vermoed, tijdig genoeg om nog in het nummer van Maart te worden opgenomen. Ik zend u hierbij Kolff's afschrift terug. Heden middag ontving ik een
langen brief van Kolff, waarin hij mij de copijen van een tiental brieven van Zola stuurt, o.a. ook diens voorrede tot de nieuwe uitgave van Une page d'amour. Bij gelegenheid laat ik u alles lezen. Mogelijk staat er het een of ander in, dat u nog niet bekend was.
Tevens sluit ik hierbij in een uitknipsel uit de Gil-Blas over Desprez' gevangenis-straf. Lees toch vooral zijn Liberté d'écrire!; zeer knap, helder en logisch. Zoo iets is afdoende.
Mijn Nat: en Hollande ligt gereed; morgen of overmorgen zend ik het ter korrektie aan een Franschman, daarna ontvangt gij het ter lezing!
Uit des heeren Fénéon's brief zult ge zien, dat de woorden ‘en ce moment’ ons hoop geven een volgende maal beter te slagen met uw zelfde werk. We kunnen nog eenigen tijd wachten en het hem dan op nieuw aanbieden, ten minste zoo ge geen gastvrijheid bij een ander fransch blad zijt gaan zoeken.
Ik ben nu besloten om, zoo mijn bundel novellen in het najaar is verschenen, onmiddelijk aan een roman te beginnen. Ik bezit alle vereischte gegevens, alleen ben ik het nog niet met mij zelve eens over den spychologischen proef, dien ik met mijn hoofdpersonen zal nemen, en daarop komt alles aan voor mij. Het meest op den voorgrond treden eene vrouw met een week, plooibaar karakter, zonder wilskracht of initiatief en zonder eenige weêerstandsvermogen tegen de omstandigheden harer omgeving, die haar geheel op