Uit de notulen, die tot 23 November 1891 zijn bijgehouden (69 E 16), kan men de verdere ontwikkeling van De Nieuwe Gids leeren kennen. Zooals reeds geschreven werd kreeg Paap officieel opdracht verschillende contacten te leggen. Op 15 December 1885 werd hem verzocht door een persoonlijk onderhoud met den heer Van den Broek, die leeraar was aan de Instelling voor Land, Taal en Volkenkunde te Delft, de verdere details te regelen voor zijn medewerking. Er waren twee broers Van den Broek, die soms samenwerkten, echter steeds onder den schuilnaam G. Buitendijk. De eerste echter schreef de artikelen.
Den volgenden dag deelde Paap mede, van Prins bericht te hebben ontvangen, dat J.K. Huysmans tegenwoordig slechts kleine schetsjes van 2 bladzijden schrijft. ‘Er wordt een schriftelijk mandaat van zes artikelen opgesteld, dat de heer Paap op zijn tocht zal medenemen’.
- Nieuwe conflicten dreigen door een ingekomen artikel van Frans Netscher, op 23 December 1885 verzonden, over Justus van Maurik, dat Kloos in een voltallige bijeenkomst van 24 December 1885 voorlas. ‘Een warme discussie volgt, waarbij de sprekenden herhaaldelijk noch zichzelven noch de anderen kunnen verstaan. Er wordt besloten, dat de heer Kloos tezamen met den heer Verwey het stuk zullen doorgaan en een concept van wijziging opmaken, en dat op de volgende vergadering voor te leggen’.
Vier dagen later werd weer over het stuk gesproken. Na een lange, warme discussie werd de beslissing tot den volgenden, dag uitgesteld. Op 29 December kwam men reeds om 11 uur bijeen. ‘De heer Kloos begint het stuk voor te lezen en de aanmerkingen door de anderen gemaakt, worden, indien de meerderheid er zich mede vereenigen kan, door den heer Verwey opgeschreven’.
‘Nadat de lezing ten einde is gebracht, doet de heer v.d. Goes een voorstel, dat met drie stemmen tegen wordt verworpen. Hierop doet de heer Paap het voorstel, dat het stuk zal worden aangenomen, onder beding, dat de schrijver zijn stuk zal veranderen volgens het concept van wijziging door de meerderheid der vergadering goedgekeurd plus het oorspronkelijke concept van wijziging door den heer Kloos op de voorgaande vergadering
ter tafel gebracht. De zorg voor het opstellen van den brief zal worden toevertrouwd aan den secretaris met medewerking van den heer Verwey. Met drie stemmen wordt het voorstel aangenomen: tegen de heeren van Eeden en van der Goes. Het voorstel van den heer v.d. Goes luidt: het stuk zal worden opgenomen, mits de bewijzen van de grieven tegen den heer v. Maurik aangevoerd; worden versterkt’. Hoe principieel Van der Goes was blijkt duidelijk uit den volgenden brief (69 E 1):
Amice,
Een enkel woord om je te zeggen dat ik onmogelijk van je invitatie voor vanavond gebruik kan maken.
Wees overtuigd dat de reden niet bestaat uit eenige persoonlijke rancune, althans niet tegen jou, want ik meen dat jij in de kwestie Netscher geheel volgens je literair geweten heb gehandeld.
Ik zou wel willen dat je andere idéees had, maar dat doet natuurlijk aan vriendschappelijke gezindheid niet toe of àf.
Maar met Prins en de anderen loopt het gesprek natuurlijk over het naturalisme, Netscher, de N.G., zijn stuk enz. - en ik kan nog niet vergeten wat de oorzaak is geweest dat ik weêr een illusie ben kwijtgeraakt: de verwachting, dat wij zouden breken met de gewoonte van alle redactiën - te oordeelen niét enkel naar het gehalte der stukken.
Hoe meer ik er over denk, hoe meer het mij afkeurenswaard schijnt dit opstel te laten gelden als onze eerste opzettelijke aanval tegen de bestaande literatuur. Het gebrek aan bewijs zal ons in de oogen v. alle ernstige menschen kwaad doen. - Enfin, ik wil de discussie niet heropenen. Ik heb voor de toekomst v.d. N.G. een aangename illusie verloren, en kan in deze stemming er niet op rekenen, een plezierige gast te zijn. Laat s.v.p., om misverstanden te voorkomen, dit kladje aan Verwey en Kloos lezen, en geloof me, als steeds
t
F. v.d. Goes
Am, 30 Dec. '85
Daarmee was de zaak nog niet ten einde. Den 4en Januari 1886 schreef Netscher uit Den Haag (69 E 2, evenals de volgende):
Geachte Heer,
Ik zeg u dank voor de genomen moeite. Daar er haast is bij deze zaak, heb ik haar onmiddelijk afgedaan, en stuur u daarom het manuskript zoo spoedig mogelijk terug. Ik heb de gegrondheid van het meerendeel uwer opmerkingen moeten erkennen, behoudens die betrekkelijkheid bld: 5 en 18. Uwe aanteekening over het sukces van ‘Men zegt’ heb ik verduidelijkt door in een noot alleen op den Haag te wijzen. In onze stad heeft dit stuk de weinige malen, dat het gespeeld is geworden, stampvolle zalen gehad.
Ook omtrent uwe opmerking over het dilettantisme in de kunst verschil ik met de redaktie van meening. Ik ben bepaald van oordeel, dat het dillettantisme ontzaggelijk in onze kunst veld heeft gewonnen, vooral onder de vrouwen. Iedereen schrijft tegenwoordig, of meent ten minste het te kunnen doen. Onder dillettanten versta ik personen, die ‘aan kunst doen’, zonder artiest te wezen; en hoe weinig artisten vindt men tegenwoordig onder onze schrijvers enz? Maar dit is slechts een punt van ondergeschikt belang, waarin men een persoon zijn persoonlijke meening, zonder gevaar voor de strekking van het stuk, kan laten behouden.
U nogmaals dankzeggend, teeken ik mij hoogachtend
Frans Netscher
In de vergadering van 6 Januari 1886 berichtte Kloos, ‘dat het stuk van F. Netscher teruggekomen is. De wijzigingen zijn op een paar na geschied. De heer v.d. Goes vindt, dat nu niet aan de voorwaarden is voldaan. Hierop volgt een discussie. De heer v. Eeden doet eindelijk het voorstel, dat het stuk van Netscher naar de zetterij zal gebracht worden, en dat hem tegelijk met de proef per brief zal herinnerd worden, dat het veranderen der bewijzen voor het gebrek aan psychologische kennis van v. Maurik een der door de redactie gestelde voorwaarden van aanname is’.
Netscher heeft getracht het bezwaar op te heffen, want hij zegt in een brief van 19 Januari 1886: ‘Ik zoek in V.M's bundels naar treffende voorbeelden van zijn gebrek aan psychologische kennis’. Makkelijk is hem dit blijkbaar niet gevallen, want op 23 Januari bericht hij aan Kloos, dat hij dien ochtend ‘de drukproeven aan den drukker’ teruggezonden had. ‘Van vele uwer wenken of kantteekeningen heb ik partij weten te trekken. Om echter de voorbeelden van V.M.'s psychologische onwetendheid in het oog loopend te versterken, zou ik verplicht zijn geweest zijne bundels op nieuw te doorloopen, waartoe mij natuurlijk de tijd ontbrak. Daar zij mij evenwel, zelfs na aandachtige lezing, vrij afdoende voorkwamen, heb ik er mij, tot mijn spijt, toe moeten bepalen aan het door mij geciteerde één sprekend bewijs toe te voegen. Ik hoop hiermeê het bezwaar uwer redactie te hebben ondervangen’.
- In de bijeenkomst van 10 Februari 1886 werd, bij amendement van Paap, aan den secretaris volmacht gegeven over ‘alle quaesties, die er na de laatste vergadering opdoemen, naar eigen goeddunken te beslissen. Vooral met het oog hierop wordt hem deze volmacht gegeven, dat hij, wanneer de omvang der aflevering het eischt, de plaatsing van kleine gedichten en varia naar eigen inzien tot een volgend nummer kan uitstellen’. Hiermee werd aan Kloos een macht in handen gegeven, waarvan hij later al te graag gebruik heeft gemaakt.