|
|
|
| |
| | | |
J. van Oudshoorn
MET een schuilnaam kan het dikwijls vreemd gaan. Sommige zijn spoedig bekend - ik hoef geen voorbeelden te noemen - maar andere blijven jarenlang een geheim. Tot de pseudoniemen in ons land, die langen tijd onopgeloste raadsels waren, behoorden, om me tot de laatste periode te bepalen, Nescio en J. van Oudshoorn. Thans is genoegzaam bekend geworden, wie zich achter die namen verschuilen en toen ik dan ook zeer toevallig kennis maakte met den heer J.K. Feylbrief, kwam al spoedig het gesprek op den auteur J. van Oudshoorn.
Is er grooter tegenstelling denkbaar dan de maatschappelijke positie van den heer Feylbrief, die directeur van de Kanselarij te Berlijn was en tegenwoordig in den Haag woont en den schrijver J. van Oudshoorn? Is het te verwonderen, dat Feylbrief en van Oudshoorn streng gescheiden personen bleven jaren lang?
De omstandigheden zijn inmiddels veranderd en toen ten eerste het pseudoniem toch bekend was geworden en ten tweede een wachtgeldregeling voor den heer Feylbrief ingesteld werd, had hij geen bezwaar mij een interview toe te staan.
In zijn woning in de van der Heimstraat in den Haag werd ik hartelijk door zijn Duitsche vrouw en hem ontvangen. De heer | | | | Feylbrief verdween daarna met zijn vrouw uit de kamer en zoo zat ik alleen te praten met een der merkwaardigste schrijvers van onzen tijd: J. van Oudshoorn.
‘Onder voor mij normale omstandigheden zou ik geen onderhoud met u toestaan,’ zoo begon hij, ‘want het is weinig vereenigbaar met de door mij steeds betrachte litteraire terughouding. Dit laatste gebeurde minder uit bescheidenheid, dan wel uit de overtuiging, dat de inhoud, de behandelde stof mijner boeken zóó weinig conventioneel zijn, dat zij zelfs litterair-ontwikkelden aanstoot kunnen geven. Het inzicht, dat het sexueele, juist als het diepst-onbewuste, in eersten aanleg het geestelijke meê is, zal ook in die kringen nog wel paradoxaal lijken. Daarom ook heb ik mijn litteraire verschijning van mijn maatschappelijke steeds streng gescheiden gehouden en als gevolg daarvan al het mogelijke gedaan om mijn pseudoniem geheim te houden. (Die gescheidenheid is niets bijzonders: ook b.v. Molière was een twee-eenheid en innerlijk is van Oudshoorn dat ook.
‘Daar ik niet in Holland woonde en weinig produceerde - dikwijls liggen er verscheidene jaren tusschen de verschijning mijner boeken - viel mij het geheimhouden van mijn eigen naam aanvankelijk niet moeilijk, maar ik droeg daar nog toe bij door aanvragen om portretten en dergelijke dingen steeds van de hand te wijzen. Ik ging in dit opzicht zelfs zóó ver, dat ik met anderen over mijn werk liefst niet sprak.
‘Intusschen is sinds eenige jaren mijn pseudoniem, geheel buiten mijn wil om, toch bekend geworden. Ik bemerkte dit voor het eerst uit een catalogus van de firma Nijhoff en toen ik mij daarover als een indiscretie beklaagde, kreeg ik te hooren, dat in verschillende openbare leeszalen in Holland en ook in een boek over pseudoniemen mijn eigen naam reeds lang vermeld werd. Mijn pseudoniem kan dus voor dit onderhoud geen hinderpaal meer zijn en waar ik alweer reeds jaren niets heb uitgegeven, kan | | | | er evenmin bezwaar tegen bestaan even een terugblik op mijn litterairen arbeid te slaan.’
‘U is in den Haag op de H.B.S. geweest, is het niet?’
‘De H.B.S. was toen op Bleyenburg en we kregen les in Nederlandsch van Dr Varenhorst. Die heeft een beslissenden invloed op mijn letterkundige vorming gehad. Wat gaf die man eigenaardig les. Ik herinner me, dat hij ons dikwijls voorlas in de klas en eens las hij een blijspel voor. De heele klas daverde van het lachen, zoo erg, dat de directeur Groenman binnenkwam om te vragen wat er aan de hand was.
‘Op school heb ik wel opstellen geschreven, maar plan om schrijver te worden had ik toen niet. Toch heb ik wel telkens geprobeerd om een roman te schrijven, maar ik kwam steeds op een dood punt. En daar kon ik niet overheen komen. Ik ben na mijn eindexamen H.B.S. aan de Indische instelling te Delft gaan studeeren. Dat was in den tijd, dat de examens voor Indisch ambtenaar zwaar vergelijkend waren: een paar plaatsen voor een massa candidaten. Ik heb het dan ook niet tot Indië gebracht, kwam aan Buitenlandsche Zaken en vandaar te Berlijn, waar ik 28 jaar werkzaam ben geweest aan het gezantschap. Daarover spreken we straks nog wel.
‘Zuiver letterkundig valt er over mijn werk weinig meer te zeggen. In tijdschriften en couranten is er zeer uitvoerig over geschreven en de belangstelling was dan ook veel grooter dan waarop ik rekende. Op waardeering door een publiek kon ik niet rekenen. Ik heb me geen oogenblik ontveinsd, dat het thema van Willem Mertens' Levensspiegel bijvoorbeeld den gewonen conventioneel aangelegden mensch - om van godsdienstigen maar niet te spreken - een gruwel in het oog moest zijn. Ik was me daar volkomen van bewust; ik voorzag allerlei mogelijkheden, trachtte o.a. het geval te doordenken, dat de schrijver van zùlk een boek in dienstverband zou geraken onder zùlk een streng- | | | | conventioneele, geloovige natuur en verwachtte er niet veel heil van. Bovendien had ik - 36 jaar oud - nog nimmer iets geschreven of uitgegeven en zoo heb ik lang geaarzeld het manuscript uit handen te geven en ben niet tot publicatie ervan overgegaan, dan nadat men mij van bevoegde zijde verzekerd had, dat het hier ging om wat men gewoon is “Kunst” te noemen. Hetgeen door de latere critieken grootendeels bevestigd werd.’
‘Heeft u lang aan Willem Mertens gewerkt?’
‘In Berlijn is het boek geschreven aan één stuk door. Ik heb er anderhalf jaar aan gewerkt.’
‘Heeft u het lang onder u gehouden?’
‘Een half jaar. Toen zond ik het aan Frans Coenen, want dien bedoelde ik zooeven. Maar een uitgever was aanvankelijk niet te vinden. Trouwens, met al mijn boeken heb ik last gehad om ze uitgegeven te krijgen en de bedragen, die ik er voor ontvangen heb, zijn wonderlijk laag, behalve voor den bundel Verhalen in de Wereldbibliotheek, waarvan nog een derde druk verschenen is. Van Willem Mertens heb ik zelf een Duitsche vertaling gemaakt, maar ook daarvoor heb ik geen uitgever kunnen vinden.
‘Met de meeste liefde heb ik van al mijn boeken aan Willem Mertens, dat eerst Vae solis zou heeten, en aan Pinksteren gewerkt; die alleen zijn l'art pour l'art, de andere niet.’
‘Hoe werkt u gewoonlijk?’
‘Ik schrijf niet vlug. Anderhalf jaar over Willem Mertens, dat zei ik al. Ik verzorg mijn werk buitengewoon. Ik schrijf het eerst, corrigeer dan, schrijf het nog eens over en ten slotte gaat het op de machine. Willem Mertens heb ik met potlood in kleine notitieboekjes geschreven. Ik begon er mee te Berlijn op een achtermiddag. Van dat boek bezit ik het inktmanuscript nog, van de andere niet.’
‘Leefde dat boek allang in u?’
‘Ik vermoed het.’
‘Maakt u geen schema voor u begint te schrijven?’
| | | |
‘Nooit, nooit! Als ik voel, dat ik kàn schrijven, begin ik en schrijf door. In vijf jaar heb ik nu niets geschreven, maar tusschen het verschijnen van twee boeken ligt dikwijls vijf jaar. Ik maak me er niets bezorgd over: het is een etappe. Ik forceer het nooit en zou nu wel ander litterair werk willen doen in deze gedwongen rustperiode.’
‘Bevatten uw boeken veel autobiographisch?’
‘Natuurlijk is er iets van mezelf in; dat is in ieder boek van iederen schrijver zoo. Men zou het incorrect kunnen noemen over intieme gewaarwordingen en gevoelens zich te uiten op de wijze als ik bijv. in Willem Mertens' Levensspiegel gedaan heb. Zulke gewaarwordingen en gevoelens zijn toch als het ware een particulier spreken ... met zichzelf. Maar daarom juist kan men en mag men zich in dit geval erover heenzetten, zoodra men dat tegenover zichzelf meent te kunnen verantwoorden, al wordt tevens ditzelf er tot op zekere hoogte door gecompromitteerd en zou men dus tot op diezelfde hoogte incorrect handelen. In een gewoon particulier gesprek, dus met een ander, zou, wanneer men zich door een publicatie over dat particuliere heen zet, die ander - hoe weinig er overigens hem aan gelegen moge zijn - blootgesteld kunnen worden en dat willen we liever niet.
‘Ik zei u al, dat in het begin het oordeel over het algemeen gunstig was - later liepen de critieken geweldig uiteen - maar ook toen reeds ontbraken de eerste teekenen van spontaan verzet niet. “Wij haten en verafschuwen dit boek,” riep een criticus uit over Willem Mertens. En 15 jaar later, na de verschijning van Pinksteren, heette het weer: “Voor wie het geloof in de heiligheid van den mensch niet verloren heeft, is dit boek een voortdurende marteling.” Terloops zou men kunnen opmerken, dat voor wie b.v. den tijd van den “grooten oorlog” heeft doorgemaakt, dit geloof, wanneer hij het daarbij niet verloor, toch nog slechts met een zeer grove breuk in zijn bezit kan zijn.
| | | |
‘Het wezenlijke echter in de critieken, voor zoover ze mij in den vreemde onder de oogen kwamen, bleef voor mij, dat ze den persoon van den schrijver er buiten hielden. Bij den wassenden afkeer voor mijn werk, moest de verleiding tot het tegendeel groot zijn, maar mijn pseudoniem en de door mij in acht genomen strenge terughouding, boden er voorloopig geen gelegenheid toe. Al liet b.v. reeds een criticus als Greshoff zich door deze antipathie zóózeer beheerschen, dat hij in zijn litteratuurgeschiedenis allereerst dezen afkeer tot uitdrukking bracht om dan mijn schrijversnaam en enkele titels van mijn boeken te vermelden, omdat - ja, omdat die toch ook niet verzwegen konden worden. Maar men voelt het: door een dergelijke eenzijdigheid bevangen, grijpt men reeds over het œuvre zelf heen.
‘Toch kan mij zulk “Wetterleuchten” niet verontrusten. Bij mijn geringe productie had ik de voldoening nooit iets te hebben geschreven, wat niet gedrukt, of een bijdrage aan een tijdschrift te zenden, die ten slotte niet aangenomen werd.
‘Aan den anderen kant is het niet te verwonderen, dat, naar mate mijn pseudoniem verder bekend werd, de persoon van den schrijver soms meer dan zijn werk belangstelling vond. En zoo werd dan naar aanleiding van een bespreking van mijn werk in de Indische pers de opmerking gemaakt, “dat men misschien niet vermoed had, dat van Oudshoorn het pseudoniem is van iemand, die werkzaam is aan onze Legatie te Berlijn.” Ik zou willen vragen: waarom misschien niet? Hoe voorzichtig de criticus zich ook uitdrukt, hij wil toch even zeggen, dat hier iets niet in den haak is, iets ongerijmds. Deze schrijver en “onze Legatie”! Maar in dit opzicht kan men daarginds thans gerust zijn. Sinds 1 januari 1933 ben ik bij het Gezantschap ontslagen, acht jaar vroeger dan mijn tijd was, zonder een woord van waardeering, met een opzeggingstermijn van enkele maanden en met de verplichting binnen dien korten tijd Berlijn metterwoon te verlaten.
| | | |
‘Over de rest van mijn 28-jarig dienstverband bij het Gezantschap zou ik u nog lang kunnen vertellen. Enkel aangename herinneringen. Meer dan 20 jaar had ik het voorrecht onder nu wijlen Baron Gevers te dienen. Ik durf zeggen, dat hij mij al dien tijd zijn volle vertrouwen en meer geschonken heeft. Zijn eminente verdienste lijkt mij, dat Nederland hem voor een groot deel te danken heeft voor de verschrikkingen van een oorlog bewaard te zijn gebleven. Ik zelf kan slechts met den diepsten eerbied en grootste dankbaarheid aan hem denken.
‘En dan mijn betrekkingen met de Hollandsche kolonie te Berlijn gedurende al die jaren! Ik liet er vele vrienden achter, die ik hier nog steeds mis. Bij mijn vertrek heeft de Vereeniging Nederland en Oranje mij tot haar eerelid benoemd, een onderscheiding, waar ik trotsch op ben.’
J.K. Feylbrief, pseudoniem J. van Oudshoorn, werd 20 December 1876 in den Haag geboren. Hij bezocht de H.B.S. aldaar en studeerde aan de Indische instelling te Delft. Van 1900 tot 1905 was hij werkzaam op de secretarie van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken, werd in 1905 Kanselier van het Nederlandsch Gezantschap te Berlijn. In 1911 werd hij directeur van de Kanselarij, wat hij tot 1 Januari 1933 gebleven is, toen hij op wachtgeld gesteld werd. In 1926 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.
Willem Mertens' Levensspiegel, W.L. en J. Brusse te Rotterdam (1914) 2e druk (1920); Louteringen, idem (1916), Zondag, idem (1919); Verhalen, Mij. voor Goede en Goedkoope lectuur te Amsterdam (1923), 2e en 3e druk; Tobias en de dood, van Holkema en Warendorf te Amsterdam (1925); Pinksteren, idem (1929); In memoriam, C.A.J. van Dishoeck te Bussum (1930).
October 1933.
|
|
|