Het heeft lang voor een vrijwel uitgemaakte zaak gegolden dat de interpunctie in de Mnl. hss. slordig, onstelselmatig, waardeloos was. De uitgevers voorzagen hun teksten van eigen, moderne interpunctie.
Een gunstige uitzondering heeft J.F. Willems gemaakt, die reeds in 1845 uitgaf met de interpunctie van het hs. het misteriespel De eerste bliscap van Maria.1)
In 1903 verscheen in Taal en Letteren XIII bl. 277 een artiekel van Dr. W. de Vreese, getieteld: Een Bibliotheca Neerlandica Manuscripta. In zijn desiderata hiervoor noemt de schrijver o.a. een, volledige beschrijving van de interpunctie in de Mnl. hss.2)
In 1910 verscheen in Leuvensche Bijdragen IX bl. 213-243 een artiekel van Dr. D.A. Stracke, getieteld: Iets over de punctuatie in Middelnederlandsche dichtwerken, dat de interpunctie van het Kopenhaagse hs. van het Leven van Sinte Lutgart behandelt.
Waar er zo weinig voorarbeid is, heb ik uit de grote hoeveelheid van materiaal niet meer dan enkele grepen kunnen doen. Wat ik bij mijn onderzoek van meer dan honderd proza- en poëzie-handschriften heb kunnen konstateren vermeld ik hier. Van één interpunctiestelsel is er in het Middelnederlands natuurlik geen sprake, evenmin als er een vast spelsisteem was. Ook in één hs.
is de interpunctie niet overal hetzelfde; dit kan gekomen zijn doordat er verschillende schrijvers aan gewerkt hebben. En verder, evenals er slordige spellers zijn, zijn er slordige punctuatoren.
Bij de Latijnse hss. waren drie soorten van interpunctie te onderscheiden: 1o wat men zou kunnen noemen de gewone volksinterpunctie, die alleen verduideliking beoogt en enkel opvallende pauzes aangeeft, 2o de wetenschappelike, op klassieke teorieën berustende interpunctie, die van het syntaktiese beginsel uitgaat, 3o de liturgiese interpunctie. De tweede soort was grotendeels door de derde verdrongen, zodat we in geestelike geschriften meestal de liturgiese interpunctie vinden, op twee wijzen, met of zonder flexa, en in wereldlike geschriften meestal de volksinterpunctie.
De liturgiese interpunctie met flexa heb ik in Mnl. hss. nooit aangetroffen, zelfs niet in vertalingen van Latijnse teksten die de flexa hadden, b.v. de Mnl. vertalingen van de Imitatio, en ook niet in Mnl. hss. die geschreven zijn door Kartuizers, terwijl de Kartuizers deze interpunctie toch druk toepasten in de Latijnse hss. die ervoor in aanmerking kwamen.
De liturgiese interpunctie zonder flexa, dus met de tekens punt, metron, puntkomma als periodus, en vraagteken hebben het poëziehs. van het leven van Sinte Lutgart,1) dat afkomstig is uit Benedictijnerkring, geschreven in het eind van de 13e eeuw, en de Epistelen ende Evangelien,2) geschreven in 1348. Echter is alleen in het laatstgenoemde het sisteem zuiver doorgevoerd.
In andere hss. wordt de puntkomma wel gebruikt alleen aan het eind van een heel hoofdstuk.
Een teken in de vorm van het metron komt men nog wel eens meer tegen, waar het niet de speciale metronmodulatie kan aanduiden, maar niet anders zijn kan dan een enigsins andere vorm van de dubbelpunt.
De meeste Mnl. hss. hebben de gewone volksinterpunctie, ge-
woonlik tweeledig, minder vaak eenledig. Door verschillende middelen kan deze interpunctie uitgedrukt worden: hoofdletter, rooddoorstreepte kleine letter, punt, dubbelpunt, streepje. Dit betreft alleen de vorm, is dus een kwestie van paleografie. Het eind 15e-eeuwse en het 16e-eeuwse schrifttype gebruikt gewoonlik het streepje, waar het oudere schrift een punt schrijft. Maar betrekkelik jonge hss. die het ouderwetse schrifttype1) nog hebben, hebben dan ook de punt. Het is dus niet zozeer een kwestie van tijd, als wel van schriftsoort. Ik vind dan ook geen aanleiding om de hss. naar tijdvakken te verdelen, temeer daar de verschillende metodes van een-, twee- (en drieledige) interpunctie van eind 13e tot in de 16e eeuw gevonden worden.
Niet alle punten in de hss. zijn leestekens; ook als grafies onderscheidingsteken, ter verduideliking voor het oog, wordt de punt (soms dubbelpunt, of een ander teken) gebruikt, ook in hss. die geen interpunctie hebben. Deze gewoonte heeft, vooral bij overschrijven, aanleiding gegeven tot het ontstaan van ongemotiveerde punten.
Grafiese tekens, geen interpunctietekens, zijn:
1o. De punten voor en na sijfers, ook wel alleen ervoor of alleen erachter. Dit gebruik dateerde al uit de tijd van het capitale schrift, waar het voor de duidelikheid nodig was. Ofschoon het in het minuskelschrift met woordscheiding minder reden van bestaan had, werd de oude gewoonte toch zelfs in Mnl. hss. nog vrij geregeld volgehouden, b.v.:
Maar nu komt het wel eens voor dat een schrijver een punt zet en daarachter het getal voluit schrijft in letters, b.v.:
Deze punt is stellig niet als leesteken bedoeld; dit hs. heeft trouwens bijna geen leestekens.
Verdacht is dus al regel 3318 in Velthem's Spiegel Historiael,2) waar de punten bij het sijfer ontbreken, hoewel dit hs. hierin anders nauwkeurig is:
Jegen Cm op elke side2)
Van de Water en De Vreese emenderen 100 000 in 1; dat de punten ontbreken vermeldt de Vreese niet.
Foutieve punten zijn ook gekomen in het als regel zorgvuldig geïnterpungeerde Kopenhaagse hs. van het leven van Sinte Lutgart, fol. 89a; deze punten zijn er blijkbaar later tussengezet (er is n.l. geen grotere afstand tussen de woorden hier dan tussen andere woorden) door iemand die verkeerd gelezen heeft, die n.l. het woordje ‘in’ heeft aangezien voor het Romeinse sijfer drie, wat bij Goties schrift licht gebeuren kan.
Die · jn · dis selues dages stoet
Het is duidelik dat, wanneer een dergelike plaats weer zou worden overgeschreven, er nog erger verwarringen ontstaan kunnen.
2o. Verschillende hss. plaatsen, meer of min regelmatig, een woord dat slechts uit éen letter bestaat tussen punten3) (of slechts éen punt, hetzij ervoor of erachter) b.v.:
(n.l. resp. naar Adam en Eva).
3o. Punt bij afkortingen. Vele hss. zijn hierin heel onregelmatig. Zo lezen we
·F· of F· voor Ferguut
der ·g· (= de heer Gawein) in de Ferguut
her h· (= her Henric) in de Limborch
·R· voor ridder
die · cō · voor die coninc, en ook
ten · cō · rike (Spiegel Hist. van Van Velthem)
Ook wel stond de punt er al, maar slipte toch het hele woord de schrijver uit de pen, en krijgen we dus:
mijn here · gawein (Ferguut)
die · coninc (Velthem Sp. Hist. fol. 19d).
In hetzelfde hs. fol. 12c staat:
die · conīc philips
Hier is boven de o een dikte, blijkbaar de afkortingstreep, maar die te dicht op de o gekomen was, waarom de scriver eindelik toch maar het woord voluit schreef.1)
Verwijs reeds (Bloeml. II 154) en De Vreese ook vullen in regel 1303 van boek II van de Sp. Hist., waar de tekst bedorven is, het woord coninc in. Het hs. heeft op fol. 20 c:
ende sprac den · irstwerf toe
De punt, waarachter cō. had moeten volgen, staat er dus al, maar het woord is vergeten.
Eigennamen die vaak voorkomen, worden gewoonlik afgekort (zie boven). Gebeurt dit soms eens niet, dan kan men een geval krijgen als dit:
D' was lanc' · en̄ walewein ·
Des scrivers voorbeeld zal wal · of iets dergeliks gehad hebben, en in de sleur plaatst hij hier ook na het volledige woord de afkortingspunt. Zulke gevallen zullen er wel toe bijgedragen hebben om de leuze van ‘onstelselmatige interpunctie in de hss.’ te helpen bevestigen. Als leesteken opgevat heeft de punt hier geen zin. Het is het grafiese onderscheidingsteken, maar hier
bij ongeluk geplaatst.1) En het gevaar bestaat dat een verdere afschrijver de punt weer klakkeloos overneemt.
Misschien is ook als grafies onderscheidingsteken, na de afkorting, en niet als leesteken bedoeld 1 van de 10 door Leendertz in de Inleiding op Floris ende Blancefloer bl. XI genoemde gevallen van interpunctie, n.l. r. 1242.
Die anxt van h' · hi es so groet
(= de vrees voor de dood is zo groot). Zes regels verder na de afkorting blancefl' · ook punt. Voor de opvatting als leesteken pleit dit, dat de afkortingspunt in het algemeen meer gebruikt wordt na namen en na bepaalde woorden als coninc en ridder, tegen die opvatting dat dit hs. slechts in zeer biezondere gevallen een pauzeteken schrijft; echter kan men zich hier denken dat het eenlettergrepige woord haer (n.l. de dood) met biezondere klemtoon uitgesproken wordt, en na sterke nadruk ontstaat een langer pauze.
Vreemd is ook de punt in regel 1363. Deze regel heeft bovendien vijf heffingen. Is de punt hier een aanwijzing dat in het voorbeeldhs. hier iets anders gestaan heeft, een afgekort woord? (De verkorting alleen van de n is geen reden voor een grafies teken)
Hier hoort de tweede helft van 1363 niet bij de volgende regel, zoals in 1276:
4o. Twee dezelfde woorden achter elkaar worden in een
enkel hs. wel eens door punt gescheiden; in 't biezonder bij dat; misschien is dit ontstaan doordat tussen dat dat dikwels pauze valt, maar ook kan het als waarschuwing bedoeld zijn, en om aan te geven dat de herhaling van het woord geen vergissing is:

hume dunkt dat · dat dir hume nummer quaid dun ensal ·1) Doe verstonden si waerlic dat alle quade overvloedighe ende ydel gedachten die een mensche in sijn salmodie of sinen gebede ontfanct · dat · dat comt van ingheven des vijants want enz.2)
5o. De verschillende hss. van Natuurkunde des heelals3) hebben aan het slot een hele verzameling onverklaarbare Latijnse woorden (ik citeer het Utrechtse hs., de tekst van het Leidse lijkt er veel op):
Austra · gule · fremit · edulo · crux · · blatrat · ardua · glimfio · Effert · dira ·
enz. in het geheel 19 regels. Dit kan overgenomen zijn (indirekt?) uit een oud hs. dat geen tussenruimte tussen de woorden heeft, maar ze scheidt door punten. Maar ook is het mogelik dat men ook in het schrift iets biezonders wilde doen met deze ‘geleerde’ woorden, een soort van wonderspreuk. Dit lijkt altans wel het geval te zijn bij het Latijnse woord ebenus, waar de punt ook wel een grafies teken zal zijn:
Dit hs. heeft n.l. zeer weinig leestekenpunten, maar waar ze staan, heeft het overal goede reden.
Zo verklaar ik ook de punt na het Latijnse woord res; volgens het gewone stelsel in Mnl. poëziehss. past hierachter geen leesteken.
En misschien is ook zo op te vatten de punt achter ecclesiastico, maar dit kan ook ontstaan zijn uit een afkorting gevolgd door punt, zoals de voorbeelden hierboven; maar een leesteken is het waarschijnlijk niet.
Konsekwentie moet men hierin niet zoeken; een paar regels verder staat zonder punt: Dat boec ecclesiasticus
6o. Prozahss. die anders geen punten hebben aan het eind van een zinsdeel, hebben dit soms wel waar het zinsdeeleind toevallig samentreft met het eind van de regel en er nog plaats over is, dus eigenlik meer ter opvulling van de open ruimte. Bij hss. met smalle kolommen kan dit veel voorkomen, b.v. in de Kroniek van Holland en Utrecht van Joh. van der Beke3) en in Een devote epistel vander passien ons heren4) van Joh. van Scoenhoven. In het laatste hs. inplaats van een punt ter aanvulling van de regel ook vaak dubbelpunt of drie punten in een driehoek. Wanneer een dergelik hs. door een slordig kopiïst overgeschreven wordt, kan er zodoende een zeer willekeurige interpunctie ontstaan.
In poëziehss. is het gewoonte aan het eind van de versregel geen leesteken te zetten. Daar meestal vers en zin samenvallen, was dit niet nodig. Maar in sommige gevallen kunnen hier grafiese tekens aan het eind van de regel voorkomen. N.l.
7o. Wanneer de regel wat lang is, zodat hij indringt in de volgende kolom, tekenen sommige schrijvers hem af met een punt. In hss. die in 3 kolommen geschreven zijn zoals Velthem's Sp. Hist., doet dit geval zich nogal eens voor. Het kan aanleiding zijn voor een latere afschrijver om in sleur de punt ook te plaatsen wanneer in zijn schrift de regel niet ingedrongen is in de kolom ernaast. Zo kan dus een voor ons onbegrijpelik leesteken ontstaan zijn, dat eigenlik geen leesteken is.
8o. Of het laatste woord van de te lange regel wordt erboven of eronder geschreven, soms met een haaltje en al of niet ook een punt.

Velthem's Spiegel Hist. fol. 27b.
Evenzo, in de 3e kolom, twee maal vlak onder elkaar op fol. 1 f. Ook op fol. 28b is een woord erboven geschreven, maar hier ontbreekt de punt. (Dit hs. is in het algemeen met punten inkonsekwent).

Heymelicheit der heimelicheit, hs. Den Haag 76 E 5, fol. 75d.
Dit hs. heeft geen leestekens, behalve een punt aan het slot en eenmaal aan het eind van een alinea op fol. 69b.
Ook wel wordt een te lang vers over twee regels verdeeld. Gewoonlik is dan de tweede regel nog lang niet vol en nu vullen sommige hss. de open ruimte aan door het laatste woord nog eens te herhalen, soms voorafgegaan door een punt. De Haagse rijmbijbel 76 E 16, die op drie kolommen geschreven is, heeft dit meermalen, b.v. fol. 111 b:

Verschillende manieren zijn hier toegepast, o.a. in de elfde regel, waar weinig ruimte meer over was, het vertikale streepje. Let op het afbrekingsstreepje achter regel 2, 4, 6, 9 en 12. De middeleeuwer duidt dus niet alleen de afbreking van een woord aan (zooals wij), maar ook van een versregel.
Voor de dubbelpunt worden ook wel, zonder onderscheid, in hetzelfde hs. andere tekens gebruikt, b.v. enkele punt, punt met boogje erboven, twee punten met boogje, b.v. op fol. 117 b:

Met herhaling van het laatste woord, bv. op fol. 117b:

In een hs.1) met één kolom heb ik gevonden een vergeten regel, geschreven achter de voorgaande en door een punt daarvan gescheiden.
9o. Punt bij middenrijm (vgl. het gebruik van streepjes in de 17e eeuw). Hiervoor heb ik slechts zeer weinig gegevens. Een strofies gedicht achterin de Sp. Hist. van Van Velthem, dat veel middenrijm heeft, heeft slechts een maal een punt, en wel bij vier rijmwoorden:
10o. Het geval van het Aiolfragment. Dit is een van onze oudste Mnl. hss. Het is geschreven in Limburgs dialekt en dateert nog uit de 13e eeuw. Hier zijn de verzen nog niet op regels geschreven, wat latere hss. wel doen, het loopt door als bij proza, maar als aanwijzing dat de versregel uit is staat er geregeld een punt;2) de volgende versregel begint met kleine letter. Andere tekens komen er niet voor (behalve éen maal een punt middenin het vers waarvoor ik geen verklaring heb kunnen vinden), maar wel heeft het ook als onderscheiding de alinea met rode hoofdletter. Afbreking aan het eind van de regel geschiedt evenals bij ons aan het eind van de lettergreep; ter aanduiding hiervan een schuin streepje, zoals ook vele latere hss. dat hebben.
Alle andere door mij geraadpleegde hss. van epiese poëzie zijn regelsgewijs geschreven. Waar echter eens, hetzij doordat de grote versierde hoofdletter zoveel ruimte nam dat er voor de rest geen plaats meer was op één regel, of bij een scheur in het perkament, de regel te kort blijkt voor het vers en als proza doorgeschreven wordt, worden de verzen weer door een punt gescheiden, b.v.:
Bij een naad die schuin van links boven naar rechts beneden door het perkament loopt in Velthem Sp. Hist. fol. 28 c. (Fig. 1).

Fig. 1. Velthem's Spiegel Hist. fol. 28c.

Fig. 2. Walewein.

Fig. 3. Der ystorien bloeme.

Fig. 4. Limborch.

Fig. 5. Ferguut.

Fig. 6. Velthem's Spiegel Historiael.
N.B. de hoofdletters en de afbrekingstrepen.
Bij versierde hoofdletter in tal van hss., op verschillende manieren. Met punt of dubbelpunt (het laatste in de Walewein; dit hs. heeft wel meer de dubbelpunt, met dezelfde waarde als de punt) alleen middenin de regel b.v. in Walewein1) (Fig. 2) en in Der ystorien bloeme2) (Fig. 3).
Bij deze beide ook hoofdletter aan het versbegin. Met punt ook daar waar het verseinde samenvalt met het eind van de regel, b.v. in de Limborch fol. 34a (Fig. 4).
Met bovendien nog afbrekingstekens waar het vers niet voltooid is aan het eind van de regel in de aanhef van de Ferguut (Fig. 5).
Evenzo met streepje in Velthem's Spiegel Historiael, waar middenin de lettergreep afgebroken wordt (Fig. 6).
Het Leidse hs. van Der naturen bloeme3) heeft tal van miniaturen, waarnaast de tekst geschreven is, als proza, doordat er geen ruimte meer was voor de hele regel.
Juist zo als het Aiolfragment zijn doorlopend geschreven 15e-eeuwse liederboekjes. De versregels worden door een punt of door een hoofdletter gescheiden, maar vaak onregelmatig. Heel onnauwkeurig hierin is b.v. het Leidse Lietboec van Maria Remen (Lett. 218), meer sistematies de Haagse octavoperkamentjes (133 D 21) die bevatten een Feestlied en een Lied met muziek erbij. Het Feestlied heeft ter scheiding van de versregels soms een punt (of dubbelpunt), maar gewoonlik een rooddoorstreepte hoofdletter:
Het Lied heeft regelmatig een dikke rode punt achter elk vers; (boven elke regel staan de noten) b.v.:
Dit geval hebben we ook in het Berlijnse hs.1) uit de tweede helft van de 15e eeuw, waarvan fragmenten zijn gepubliceerd door A. Beets2). In de hier afgedrukte tekst komen geen punten voor (wel een keer een schuin streepje), behalve daar waar twee of drie van de zeer korte versregels op één regel geschreven zijn3). Ze hebben het rijmschema a a b c c b en staan in tussen verzen met gepaard rijm en langere regels, maar op fol. 8 waar een heel stuk van deze zesregelige strofen voorkomt, staan ze wel op afzonderlike regels.
Het Leidse hs. van de Natuurkunde des heelals heeft na heel veel regels een punt. Heeft deze, meer nauwgezette dan slimme afschrijver, maar domweg de punten overgenomen van een hs. dat niet op versregels geschreven was? Soms ontbreekt de punt, maar sisteem heb ik daar niet in kunnen vinden. Men oordele:
[Het Utrechtse hs. heeft geen interpunctie, behalve de rode hoofdletter als alinea].
Zo ook het Darmstadtse Reinaertfragment1). En ook het Karel-en-Elegastfragment in Den Haag.
Nu de eigenlike leestekens.
+In het algemeen willen de schrijvers van Mnl. hss. vooral de stofverdeling aangeven (vgl. hoofdst. I). De verdeling in boeken en hoofdstukken is gewoonlik wel zorgvuldig geschied. Sommige hss. werken ook met hoofdletters in verschillende formaten, b.v. het Nieuwe Testament met de epistelen van het N.T., geschreven in 1399 door Wernerus Dominicus Mynne2), begint elk evangelie met een in rood en blauw versierde hoofdletter, elk hoofdstuk met een rode hoofdletter over drie regels, en elk leesstuk - een hoofdstuk bestaat weer uit of 3 leesstukken - met een rode hoofdletter over twee regels of een regel; in zo'n leesstuk komt dan nog wel eens een rode hoofdletter voor over één regel, daar waar weer een belangrijker afscheiding is. En dan zijn er nog de gewone (kleinere) zwarte hoofdletters met rode streep erdoor en ook nog rooddoorstreepte kleine letters. - Eigennamen hebben rooddoorstreepte kleine letters, en rooddoorstreepte hoofdletters3) wanneer ze aan het begin van een zinsdeel staan. b.v.:
Salomon wan roboam. Roboam wan abia Abia enz
Dus alleen de rubricator, niet de schrijver heeft hier de eigennamen biezonder behandeld. Ongeveer hetzelfde sisteem in Die vier evangelien, 1408,1) dat zeer regelmatig schrift heeft en een zorgvuldige interpunctie. Bij deze ver doorgevoerde stofverdeling zal verfraaiing van het hs. ook wel een faktor geweest zijn. Behalve deze verschillende soorten van letters had men nog een middel om stofverdeling aan te geven: het paragraafteken. Het (meestal rode) paragraafteken kon er ook nog later tussen gezet worden naar het inzicht van de rubricator, vooral gemakkelik bij poëzie in margine, maar dikwels geeft de schrijver door twee fijne streepjes aan, waar hij het geplaatst wil hebben. De Mnl. hss. kennen twee vormen van het paragraafteken, ¶ en een wigvormig teken, die soms in hetzelfde hs. door elkaar gebruikt worden. Dat het tweede er dan later tussengezet zou zijn, heb ik niet kunnen konstateren.
Biezondere grote letters en paragraaftekens horen niet tot de interpunctie in engere zin. Ze zijn niet zoozeer voordrachtaanwijzing - al treedt hier wel een langere pauze in - maar dienen meer om de tekst overzichtelik te maken, voor het oog dus.2)
Wij zijn zo gewoon teksten te zien, ontleed in zinnen, dat wij vanzelf de zin als de eenheid zien en voelen. De middeleeuwer niet. De stof verdeelt hij naar wat bij elkaar hoort, zonder zich te bekommeren om een formele zinverdeling. De grotere en kleinere hoofdletters zijn in dat opzicht dus even belangrijk als de punten.
Toch zal ik in mijn bespreking, om de vergelijking met de moderne interpunctie makkeliker te maken, uitgaan van de zin, voor zover mogelik, en met de zin als uitgangspunt verdeel ik dan weer de Mnl. interpunctie in een een-, twee- en drieledige.
+Het Mnl. proza kent in verhouding tot de Nnl. taalbouw veel meer neven- dan onderschikking. Een dergelike stijl heeft niet veel interpunctie nodig. Een eenledige interpunctie die maar door één hulpmiddel de tekst verdeelt in kleine, gelijkwaardige deeltjes, is dikwels al voldoende. Meestal gebruikt men hiervoor de hoofdletter, b.v. de tweede zin van een vertaling der Imitatio:1)
Uut desen woerden werden wij vermaent christum te volgen ende sijn zeeden Of wij verliecht willen werden Ende verloest van onser blijntheit
Vele hss. hebben regelmatig alleen hoofdletter, geen punt ervoor, b.v.:
Joh. van der Beke's Cronike van den Stichte van Utrecht ende van Hollant, perk., eind 14e eeuw; alleen het laatste katern hiervan, d.i. vanaf fol. 65.2)
Kroniek van Holland, papier, 15e eeuw.3)
Historien van Hollant.4)
Den Bibel als dat Scolastica hystoria dat verclaert } papier, 15 eeuw.5)
Die Hystorie van Alexander, }papier, 15 eeuw. } papier, 15 eeuw.5)
Die Destruccie van Jherusalem, hand A. } papier, 15 eeuw.5)
Stichtel. Traktaten, o.a. een vertaling van het eerste boek van de Imitatio, papier 12o, 15e eeuw.6)
Suuerliche capittel, papier 12o, 15e of begin 16e eeuw, gevolgd door een
Vertaling van het eerste boek van de Imitatie en nog enige traktaatjes. Hiervan heeft het vierde, dat op een nieuw vel, n.l. fol. 160, begint en met andere hand geschreven is, in het begin soms punten voor de hoofdletters en ook wel eens een punt voor ind (= ende) met kleine letter; ook is in deze hand de punt voor afkorting gebruikt.7)
Gebedenboek, papier 16o, 15e eeuw. Hiervan heeft een katern, n.l. fol. 55-61 soms punt, ook wel in de zin; het hs. is door veel verschillende handen geschreven.8)
Twee stichtelijke traktaten, papier 8o, 15e à 16e eeuw.1)
De legenden van Pilatus en Judas in het Comburgse hs.2)
Marialegenden uit het Amsterdamse hs. 580, papier ± 1470.3)
Marialegenden uit het Haagse hs. 73 G. 31.4)
Marialegenden uit het hs. C. 25 van de Landesbibl. Dusseldorf, papier, eind 15e eeuw.5)
Marialegenden uit het Brusselse hs. 2224-2230.6)
Marialegenden in het Leidse hs. Lett. 218.7)
Marialegenden in het Brusselse hs. 1654, perk. Ook hoofdletters komen hierin niet veel voor: in de 2½ bl. druks slechts twee maal Ende, twee maal Doen en eenmaal Dese.8)
Marialegenden uit het Brusselse hs. 21940, papier.9)
Marialegenden uit het Hamburgse hs. van de vertaling van de Dialogus Miraculorum van Caesarius van Heisterbach.10)
Een Marialegdnde in een klein Brussels hs. II 755.11)
Een Marialegende in het Brusselse hs. 388,12) perk. midden 15e e. fol. 109d-110a.
Enkele hss. hebben, onregelmatig, voor de hoofdletter ook wel eens een punt.
Slechts weinig hss. hebben regelmatiger een punt voor de hoofdletter, b.v. gedeelten van de volgende codex:
Joh. van der Beke: Cronike van den Stichte van Utrecht ende van Hollant, vert. uit het Latijn, perk. fol. 1-101 uit de 14e eeuw.13) Hier staat gewoonlik aan het eind van de zin een punt. Altans in het begin is dit vrij zorgvuldig gedaan. Verderop afgewisseld telkens door enige folia achter elkaar met geen of weinig punten voor de hoofdletters, hier
is dus misschien een andere schrijver aan het werk geweest; vooral vanaf fol. 79 is dit duidelik zichtbaar; de hand verandert telkens, meestal weinig punten, soms weer enige folia zorgvuldiger behandeld.
Opmerkelik is dat de punt zo vaak ontbreekt. De hoofdletter is het eigenlike interpunctieteken. Wij voelen de zin als eenheid en sluiten die af door een punt. Oudtijds gaf men aan waar een nieuwe gedachte begon, ook in dit opzicht dus meer een materiële dan een formele scheiding aanwijzend. Soms liet men de hoofdletter dan nog voorafgaan door een punt. Dat men wel eens deze voelde als te horen bij de hoofdletter, en niet bij de voorafgaande zin, blijkt hieruit dat sommige schrijvers, als de hoofdletter toevallig op een nieuwe regel komt te staan, de punt ook op de nieuwe regel zetten, inplaats van achteraan de vorige regel, ook al is daar ruimschoots plaats, b.v. in het mooi geschreven, zorgvuldig geïnterpungeerde Utrechtse hs. 1014. De punt staat dan dikwels voor de ‘rooilijn’, op fol. 20c b.v. komt dit zelfs vijf maal voor; deze punten zijn er dan dus wel later voorgezet, maar hetzij dit door de kopiïst of door een ander gebeurd is, deze schrijver wilde de punt dus bij de hoofdletter plaatsen. In de twee eerste Sermoenen van het Leidse hs. Lett. 312, papier, 15e eeuw, staat dikwels een vertikale rode streep voor een hoofdletter, en wanneer deze juist op de nieuwe regel komt, is het streepje ook op de nieuwe regel gezet1). Het Haagse hs. 75 G 1 (de vier evangeliën, uit 1408), waar zelden de punt voor de hoofdletter vergeten is, mist deze punt gewoonlik als het zinseind samenvalt met het eind van de regel.
Een Marialegende uit een Weens hs. heeft geen hoofdletters en geen punten.2)
Ook een eenledige interpunctie, maar op andere wijze, heeft het Utrechtse hs. 1328, uit de 14e eeuw, perk. Het bevat drie stukken, een berijmde Natuurkunde des heelals, in proza Natuurkunde van broeder Thomas en een Boec van medicinen ghetoghen uut Galienus ende Avicenna. Ofschoon met dezelfde hand geschreven, heeft het gedicht geen punten, de prozastukken wel. Het proza van de Natuurkunde bestaat uit eenledige, nevengeschikte zinnen. Hoofdletter komt hier alleen voor bij een nieuw gedeelte, verder is de tekst door punten verdeeld. Nu heeft de rubricator dikwels de eerste kleine letter na de punt rood doorstreept, bij ende heeft hij het echter vaak nagelaten. Dus een eenledige interpunctie, door middel van punten. Bij uitzondering komt er wel eens - in het derde stuk iets vaker - een hoofdlettertje voor, soms ook wel is het verschil tussen hoofd- en kleine letter niet groot, vooral met de w is dit in veel hss. het geval. De interpunctie is in hoofdzaak in het tweede prozastuk hetzelfde als in het eerste prozaboek, maar de aard van de tekst is anders: meest een aaneenschakeling van korte uitspraken, die dan alle met hoofdletter beginnen.
De eenledige interpunctie geeft dus de nieuwe gedachte aan of de nieuwe ritmiese eenheid. En grotere stukken die logies een eenheid vormen worden dan nog aangeduid door grotere versierde letters.
+Maar het merendeel van de Mnl. hss. heeft bovendien nòg een onderscheiding, die door een leesteken wordt aangeduid. Hiervoor gebruikt men gewoonlik de punt, ook wel eens dubbelpunt, schuin streepje, of twee schuine streepjes. De punt wordt daar geplaatst waar een opvallende pauze is, of ook wel daar waar licht verwarring ontstaan kan,1) dus om aan te geven dat enige woorden bij elkaar horen, - hetgeen gewoonlik wel samenvalt met pauze.
Pauzes in een langere zin komen voor:
| 1o. | bij opsommingen. |
| 2o. | tussen langere zinsdelen. |
| 3o. | bij opeenvolging van sterke accenten. |
Deze interpunctie is dus niet logies, maar zuiver foneties. Niet het aanvangen van een nieuwe gedachte is hier het uitgangspunt, nog minder een verdeling in hoofd- en bijzinnen volgens een formeel beginsel, n.l. de woordschikking. De pauze kan vallen tussen onderwerp en gezegde, of tussen gezegde en voorwerp enz., evengoed als tussen hoofd- en bijzin. Dezelfde tekst heeft voor hetzelfde voegwoord de ene keer een punt, de andere keer niet, al naar het ritme hier een langer of korter pauze eist. Met dit voorbehoud dat er natuurlik, evenals slordige spellers, ook slordige punctators zijn.
Zo is dan een tweeledige interpunctie ontstaan, die eensdeels gedachtescheiding, anderdeels pauze-aanduiding is. De meeste hss. die ik gezien heb zijn tweeledig geïnterpungeerd, en het merendeel hiervan weer heeft meestal vòòr de hoofdletter geen punt. Hier vond men het blijkbaar niet nodig de pauze ook nog eens aan te duiden; dit sprak vanzelf. Alleen waar in de zin pauze is en gevaar bestaat van verkeerd doorlezen, is de punt nodig. Hoofdletter waar een nieuwe gedachte begint, en pauzepunt in de zin hebben b.v.:
Den Spieghel der magheden, perk. 1424.1)
Statuten v.e. vrouwenklooster naar de regel van St. Augustinus, gewijd aan St. Agnes, papier 15e eeuw.2)
Th. van Cantimpré: Dat boec der byen, papier 15e eeuw. (Dit hs. heeft in de zin niet punt, maar een ander teken).3)
Jo. Cassianus: Die Collacien der O. Vaders, papier 1497.4)
Onser liever vrouwen miraculen, papier 1479.5)
Een Marialegende uit een Hamburgs hs. Stadsbibl. Theol. nummer 1576, papier 1500.6)
Marialegenden uit een hs. Univ. Bibl. Würzburg ch. qu. 144, papier, waarsch. einde 15e eeuw.1)
Een Marialegende uit een Brussels hs. II 1122) fol. 29r.-30v.
Soms ook nog punt om de pauze aan het zinseind aan te duiden, voor de hoofdletter dus, maar vaker zonder die punt b.v. in:
De tien geboden en ander proza, perk. 1374.3)
Nieuwe Testament, perk. 1399.4)
S. Bonaventura: Sinte Franciscus' Leven, perk. 15e eeuw.5)
S. Hieronymus: Vanden Leuen der Vaderen, papier 15e eeuw.6)
Die vijf boeken Salomons, papier 15e eeuw.7)
Sermoenen, papier 15e eeuw.8)
Een zedekundig werk, papier eind 15e of begin 16e eeuw.9)
Marialegenden uit het Haagse hs. 73 H. 29.10)
Marialegenden uit het Haagse hs. 71 H. 6.11)
Marialegenden uit het Amsterdamse hs. 543, perk. 1448.12)
Marialegenden uit het Amsterdamse hs. IV G. 1913) (vrij dikwels punt voor hoofdletter).
Marialegenden uit het Haagse hs. 70 H. 42, papier, circa 1515 à 1520
[Dit hs. is minder zorgvuldig geïnterpungeerd als het Katwijkse]14)
Ongeveer even vaak wel punt voor de hoofdletter als niet, hebben:
Hand B. van het Utrechtse hs. 100, vgl. bl.
Joh. van der Beke: Cronike, perk. uit 1393, het Utrechtse hs. 1183.
Of het door verschillende handen geschreven is, durf ik niet te beoordelen,
er is weinig verschil in het schrift. Toch is het opmerkelik dat
sommige folia veel regelmatiger punten hebben dan andere; het hele
laatste vel, d.i. vanaf fol. 65, heeft regelmatig geen punt voor de hoofdletter,
en ook in de zin geen punt, dus een eenledige interpunctie.
Vaker wel punt voor hoofdletter als niet in:
Marialegenden uit het Haagse hs. 70 E. 13.1)
Een Marialegende uit het Brusselse hs. 20105 papier.2)
Oefeningen- en Gebedenboekje, perk. 12o, 15e eeuw.3) - Zelden punt in de zin.
Bijna steeds punt voor hoofdletter hebben:
Yperman: Cyrurgie, perk., 1351.4)
Die vier Evangelien, papier 8o, 1408.5)
Van claren ouden verluchten mannen des Oirdens van Cystersen, gevolgd door
Der byen boeck, papier 1491.6)
Marialegenden uit de Dietse vertaling van de Dialogus Miraculorum van Caesarius van Heisterbach.7) - Ook in de zin hier veel punten.
Marialegenden uit de Dietse vertaling van de Aurea Legenda.8) - Waar hier geen punt voor een hoofdletter staat, is dit bijna altijd bij Ende.
Altijd9) punt voor hoofdletter hebben:
Een Bestiaris in een Nederfrankies dialekt, perk. uit eind 13e eeuw.10)
Profectus religiosorum, papier 140311).
Van der troestinge (?), papier 147012), vertaald uit het Latijn door een
Kartuizer in 1439, en ook geschreven door een Kartuizer, in 1470.
Jac. de Voragine: Gulden Legende, papier 15e eeuw1).
Marialegenden in een Leids hs. Lett. 10312).
Marialegenden in een Gents hs. 946, geschreven in 15103).
Als pauze-aanduiding komt in enkele hss. inplaats van de punt wel eens een ander teken voor, b.v. Dat boec der byen, papier 15e eeuw,4) heeft het teken dat in de liturgiese interpunctie het metron, de toonrijzing, aanduidt. Maar hier zal dat wel niet de bedoeling zijn en is het haaltje aan de bovenste punt misschien een schrijfeigenaardigheid, zodat het dus kan beschouwd worden als een dubbelpunt, die als pauzeteken gebruikt wordt. De Vreese5) vermeldt dat het grootste deel van een sermoen op Lucas 24 : 32, geschreven is door een hand die als leesteken de dubbelpunt gebruikt. Ook de dubbelpunt als enig leesteken afgedrukt in twee Marialegenden uit het Würzburgse hs.2) Of dit een zuivere dubbelpunt is of het metronteken kan in deze druk niet blijken.6)
Een schuin streepje, hetzij op gewone hoogte hetzij bovenaan, als echt pauzeteken vindt men wel in juridiese stukken, ook al in de 14e eeuw. In niet-juridiese geschriften van de 14e eeuw ben ik het zelden tegengekomen, wel dikwels in de 16e eeuw. (b.v. Utrecht 1029 een geestelik, en Utrecht 1177 II een histories werk). De Mnfr. Bestiaris, eind 13e eeuw, heeft soms dikke punten, soms dunne streepjesachtige, tot echte streepjes toe, maar de vormen gaan in elkaar over, het zijn geen verschillende tekens.7) Marialegenden uit het eind-vijftiende-eeuwse Mechelse hs. perk., zijn met streepje afgedrukt.8) Echter hele stukken zonder streepje. De Vreese vermeldt onder de meer dan 100 Ruus-
broechss. er 10 die als leesteken een streepje hebben,1) waaronder ook uit de 14e eeuw, maar hiernaast worden gewoonlik nog andere leestekens vermeld, zodat we hier dus geen tweeledige interpunctie hebben. Tweemaal vermeldt De Vreese twee schuine streepjes. Vertikaal, maar ook wel schuin streepje in het Kopenhaagse hs. papier 1481 van Dat Kaetspel ghemoralizeert, en vertikaal streepje in een ander Kopenhaags hs. hiervan, papier, eind 15e eeuw.2)
Een vertikale rode streep komt voor in het Leidse hs. Lett. 312 papier 15e eeuw, bevattende een devoot epistel en drie sermoenen van Joh. van Scoenhoven. Het derde sermoen, dat van een andere hand lijkt, heeft ook nog rode punt, en heeft de rode streep in de zin voor een zwarte kleine letter, de andere hebben de streep voor hoofdletter of voor rood doorstreepte kleine letter. Fol. 135, d.i. het laatste blad van het tweede sermoen, is niet gerubriceerd. De kopiïst heeft dus een eenledige interpunctie gemaakt, alleen hoofdletter; de rubricering heeft het twee-, misschien in het laatste stuk drieledig gemaakt. Dit feit, twee interpunctiesistemen over elkaar heen, valt in meer hss. te konstateren. Het Utrechtse hs. 1030 II (= bl. 46-56), papier 15e eeuw, heeft voor hoofdonderscheiding rode hoofdletter, waarna dikwels nog de tweede letter een rooddoorstreepte hoofdletter is, en voor kleinere onderscheiding, die minder vaak voorkomt,
b.v. in een zin die uit twee parallelle delen bestaat, de gewone rooddoorstreepte hoofdletter; uiterst zelden punt, n.l. in een opsomming een maal op fol. 47 b regel 4.
De tweeledige interpunctie heeft dan dus als middelen om gedachtescheiding en pauze uit te drukken, de hoofdletter en een teken, gewoonlik de punt. Dit moet echter niet zo opgevat worden dat het eerste uitsluitend door het eerste en het laatste door het laatste aangeduid wordt. Ritmies-melodiese eenheid en gedachte-eenheid vallen grotendeels samen. In het algemeen zal wel de hoofdletter gekozen zijn om de voornaamste scheiding uit te drukken, de punt voor een minder belangrijke. Maar altijd gaat dit niet op, b.v.:1)
Hier lijkt mij het verschil van hoofdletter en punt vrij willekeurig. Soms kan men voor het willekeurige gebruik van hoofdof kleine letter wel oorzaken vinden, b.v.:
1o. Bij de letter w is er bij sommige schrijvers zo goed als geen verschil tussen hoofdletter en kleine letter. Iemand die nu een hs. met zo'n type w overschrijft, zal soms de kleine w overnemen, op een andere plaats een hoofdletter maken, niet altijd gerechtvaardigd.3)
2o. Het uit één letter bestaande woordje O wordt in de aanhef van iemands gesproken woorden vaker met hoofdletter geschreven dan een ander aanvangswoord van een rede.1) Ook bij Och en Ic vaker hoofdletter dan bij andere woorden, het laatste wel door de vorm van de letter.
3o. Woorden die veel met hoofdletter voorkomen zoals Ende en Int (in de aanhef: Int jaer enz.) worden, uit gewoonte, ook wel met hoofdletter geschreven als het naar onze mening minder te pas komt. Bij de rubricator, die allicht wel eens wat vlug de tekst doornam - ook zelfs wanneer de kopiïst zelf gerubriceerd heeft, maar vooral als het een ander was - zien we dit nog duideliker: hier is ‘ende’ ook wel eens rood doorstreept in een uitdrukking als ‘mit handen ende voeten’; velen brachten blijkbaar graag veel rood in de tekst.
4o. Een tekst die van één hand lijkt, heeft wel eens in het ene gedeelte een andere interpunctie, d.w.z. meer of minder, ook wel andere, tekens dan in een ander deel. Soms wisselt dit bij kleine, ook wel bij grote stukken. Oorzaak daarvan kàn geweest zijn dat het hs. dat tot voorbeeld gediend heeft, door verschillende schrijvers die verschillend interpungeerden geschreven is. Maar het lijkt mij ook niet onmogelik dat hier, hoezeer het schrift ook hetzelfde lijkt, toch verschillende kopiïsten, uit één schrijfschool, aan het werk geweest zijn. Op het feit dat de hand van schrijvers uit één scriptuarium heel gelijksoortig kon zijn, is door Meinsma1) reeds gewezen en door De Vreese.2)
Ik noemde reeds het Utrechtse hs. 1006 waarvan hand A eenledige, hand B tweeledige interpunctie heeft. Als zulk een hs. overgeschreven wordt, kan hier een inkonsekwente interpunctie ontstaan, als tenminste de kopiïst niet zelfstandig zijn eigen sisteem volgt. In het Utrechtse hs. 1009 I [Evangelien ende Epistelen, papier 12o, 15e eeuw] dat telkens andere hand heeft, hebben fol. 5, 6 en 7 van de tekst andere interpunctie (nl. rode punt en hoofdletter voorafgegaan door rode punt) als de voorgaande en de volgende folia, die slechts zelden een zwarte punt hebben,
ook voor de hoofdletter niet geregeld, en uiterst zelden rode punt; fol. 167 tot het eind, hoewel telkens andere hand, hebben weer de rode punten. Het Utrechtse hs. 1183, waarvan het laatste vel andere, nl. eenledige interpunctie heeft, noemde ik reeds bij de eenledige interpunctie. In het Utrechtse hs. 1008 [Nieuwe Test. met de glossen en prologen, perkament en papier 15e eeuw] begint op fol. 5 een andere interpunctie, ofschoon het schrift zeer gelijksoortig is; de eerste vier folia hebben nl. rode punt, dikwels over zwarte heen, en hoofdletter, de volgende zwarte dubbelpunt of punt, tussen welke ik geen verschil van waarde heb kunnen ontdekken, en hoofdletter, soms voorafgegaan door dubbelpunt of punt; de onderste punt is wel eens gerubriceerd, terwijl soms ook door kleine letter een rode streep gehaald is. Nu sluit bij fol. 4 tot 5 de tekst ook niet aan,1) 3½ regel komen twee maal voor, met andere interpunctie. Dus òf men is tegelijkertijd op de beide vellen gaan schrijven, of het eerste katern is uit een ander werk ervoor gebonden. Het hs. heeft telkens afwisselend papier en perkament, maar deze wisseling valt niet samen met de verandering in interpunctie: de eerste zes folia nl. papier, dan een stukje perkament, maar bij fol. 7 blijft de interpunctie hetzelfde. De dubbelpunt komt steeds minder voor, tot op fol. 39 r, dan niet meer; de hand varieert telkens, ook wel enige folia achter elkaar met eenledige interpunctie.
De Middelnederlandse schrijver kende niet onze begrippen samengestelde zin, hoofd- en bijzin. Een geschiedenis van de ontwikkeling van de zinsleer, in het biezonder de leer van de samengestelde zin, bezitten wij nog niet. Onze hedendaagse onderscheiding berust hoofdzakelik op formele grondslag. Een zin is niet bijzin omdat de inhoud ervan van minder groot belang is dan die van de hoofdzin, maar omdat hij een bepaalde woordschikking heeft, n.l. onderwerp en persoonsvorm gescheiden door andere rededelen. Maar bij tal van zinnen gaat dat niet op, b.v.: Net waren wij aan het station of de trein ging weg. Wat is hier hoofd-, wat bijzin? - Psychologies kan de bijzin zeer goed de belangrijkste van de twee zijn. Dat er geen psychologiese grond is voor het begrip bijzin blijkt in het biezonder bij het causale zinsverband: de redengevende zin heeft de bijzinvorm wanneer het voegwoord ‘omdat’ is, de hoofdzinvorm wanneer
het ‘want’ is, b.v.: Ik ben maar naar huis gegaan omdat het toch maar aldoor bleef regenen. Ik ben maar naar huis gegaan, want het bleef toch maar aldoor regenen. - In het Middelnederlands heeft de causale zin met ‘want’ ook wel de zgn. bijzinvorm. De overgang van zgn. hoofdzin met het demonstratieve die tot zgn. bijzin met het relatieve die zien we duidelik in Mnl. teksten: herhaaldelik komt nog de demonstratieve vorm voor waar wij relatieve zouden gebruiken. In waarde zijn deze twee gelijk.
De Middelnederlandse interpunctie doet zien dat men de struktuur van de taal voelde als bestaande uit ritmegroepen. Bij een ritmiese interpunctie kan men of de kleine ritmiese groepen, de z.gn. spreekmaten, onderscheiden, of alleen de grotere ritmiese eenheden. Dit hangt ook af van het ritme van de stijl zelf, of deze meer uiteenvalt in stukjes met een of twee sterke accenten, of met zwakke accenten gelijkmatiger in langer golven voortglijdt. En het tempo van elke passage afzonderlik doet er veel toe. Van de lange ritmegolven vindt men veel voorbeelden in de stichtelike lektuur. De Sermoenen van Joh. van Scoenhoven1) hebben van de hand van de kopiïst deze schaarse interpunctie die alleen de grote ritmegolf aangeeft. De rubricator heeft daarna de kleine groepjes erin afgescheiden. - Hiertegenover staan de brokkelige zinnetjes in Yperman's Cyrurgie, waar veel leestekens voorkomen. Ik zal beginnen met de interpunctie van de eerste soort te bespreken, waarvan men een goed voorbeeld ziet in de Marialegenden.2)
Punten worden hier weinig gebruikt. De onderscheiding wordt voornamelik aangegeven door hoofdletter. Het leidende beginsel schijnt wel te zijn een verdeling in ongeveer even zware ritmegroepen.
a. De relatieve zin vormt gewoonlik samen met de hoofdzin één ritmegroep:
75In scale celi staet ghescreven van enen priester die grote devocie plach te hebben tot onser liever vrouwen
En met hoofdzinvorm, dus nog de oude demonstratiefconstructie, vooral bij daer, b.v.:
Ende maria sijn voorspreecster brochte enen cleynen brief daer stont in dat die clerc haer ghedient hadde des vridachs ende des saterdaechs
Ende si hadde een alve die gaf si den biscop
Verschil tussen uitbreidende en beperkende relatieve zin heb ik niet kunnen konstateren, of het moest zijn in het volgende voorbeeld, waar echter de hoofdletter ook wel kan gekomen zijn door de lengte van de zin, waarschijnlik door beide oorzaken tegelijk. Maar vergelijk nog bl. 154.
122Ende si seide tot hem nu bekent die driewarf vijftich Ave mariën daer ghi mi daghelics mede ghegruet hebt die hier in desen mantel mit gulden letteren staen gescreven Daer ghi mi sonderlinghe eer mede bewijst hebt1)
Een langere relatieve zin wordt ingeleid door Welc, met herhaling van het antecedent, een constructie die waarschijnlik aan het Latijn ontleend is; dan schrijft men een hoofdletter.
Meestal staat de relatieve zin achteraan. Wanneer hij echter gevolgd wordt door het gezegde van de hoofdzin, wordt het ritme anders. Marialegenden I bl. 117:
Ende op die rose die wt den rechteren ore ghinc · stont dat eerste vaers van enz.2)
b. Een voorwerpzin die niet al te lang is, vormt samen met onderwerp en gezegde één ritmegroep, ook wanneer het een voorwerpzin bij seide is, die in de direkte rede staat. Is in dat geval de gesproken rede enigsins langer, dan valt de ritmescheiding
door middel van hoofdletter daarin; dus dit berust niet op logiese verdeling.
55Ende hi badt an maria die moeder der ontfermherticheit mit ynnighen tranen dat si hem in dien noet bescermen woude
Doe riep hi mit luder stemmen ende seide waerliken het is waer dat die kersten segghen van maria Ic ghelove mit alle mijnre herten dat si maghet ende moeder is
Dat de direkte rede aanvangend met O, Och of Ic meestal hoofdletter heeft, vermeldde ik reeds. Maar ook is dit gewoonlik het geval wanneer de aanhaling begint met een eenlettergrepige imperatief zoals Stant, Siet, Sich, Ganc, Gaet. Ook in andere hss. is mij dit opgevallen. Misschien komt het doordat deze woorden veel accent hebben. Ten derde staat vaak So in het begin van een citaat met hoofdletter, misschien doordat dit woord in het algemeen veel met hoofdletter voorkomt. Daarentegen heeft een aanvangswoord als ‘nu’ meestal kleine letter.
c. Het Mnl. verbindt de zinnen gewoonlijk door koppelwoordjes als Ende, So, Doe, en ook wanneer de relatieve zin vooropgaat komt hierna als verbindingswoord nog eens Die. Deze woorden hebben dikwels hoofdletter. Maar bij korte zinnetjes wordt het in één ritmegolf genomen, dus:
Ende doe si dat nét besághen doe warent twié kínder
Ende doe si náect in dat wa̋ter waren doe namse die strőem wéch ende si verdrőncken
Ende doe hi hem alle dat gheséit hadde doe begáf hi hem daer in dat sélve clóester
Alle drie voorbeelden op bl. 57 van dl. I. Bij alle drie een lichte voorzin. Vergelijk het ritme met een (enkelvoudige) zin waarin ook het koppelwoordje doe:
129Ende een weijnich daer ná doe gaf hi den ghéest met enen blíden láchenden mónde
Evenzo het koppelwoord so in:
135Ende voer haer yeghenwóerdicheit soe worden alle die dúvelen veriághet ende vielen néder ónmachtich
Mer eer dat ewangelium gheeýndet wort so sel ic wesen in dat rýc der hémelen
Maar bij enigsins zwaardere voorzin:
60Nadien dat die ménschen so ménigherhande ghesíchten gheópenbaert worden So en twívelt mi niet dat hémelrijc en sel méest mit máechden vervolt wesen
121Ende i̋st dat ic iu daer volsta̋ndich in vinde So sel ic iu dan een he̋erlike brúloft maken
Doe dese héilighe bíscop dese éer der heiligher maghet maría bewíjst hadde Doe openbáerde si haer weder síttende op enen scónen stoel die daer bereýt was biden hóghen outáer
Vooral nazin met So komt veel voor met hoofdletter. - Wanneer enigsins langere relatieve zin vooropgaat, heeft het verbindingswoord Die van de nazin hoofdletter:
Ende so wie dat mi álle daghe áldus devótelic grúet Die sellen van mi hebben móederlike gúnst in haer ghebéde [I 112, vgl. ook I 103 r. 17 en 111 r. 11.]
Evenzo bij Mer. Bij Ende is de zaak enigsins anders, daar hier vaak meer dan twee leden verbonden worden. Maar ook dan wordt de reeks verdeeld in twee (of drie) ongeveer even zware ritmegroepen. Of bij een onderwerp twee gezegden horen en het dus volgens de nieuwere grammatica eigenlik niet onder de samengestelde zin valt, doet er niet toe, alleen het ritme beslist; ook evengoed Ende bij verbinding van bijzinnen:
87Die ionghelinc ginc wtten kerker ende quam tot synre moeder Ende vertelde haer hoe hi van maria der moeder gods verlost was Ende dat haer maria beval dat si haer hoor kint weder gheven soude Ende die moeder was zeer blide ende si nam dat beelde vanden kinde Ende ghinc daer mede in die kerc ende gaf maria der moeder gods haer kint weder Ende seide maria lieve vrouwe ic dancke u zeer dat ghi mi mijn kint weder hebt ghegeven
Bij een opsomming van zinsdelen, niet van zinnen, heeft wel eens het laatste Ende of Of de hoofdletter:
26Doe seide maria die sommighe nomen mi die moeder gods of die vrouwe der enghelen of die coninghinne hemelrijcs ende aertrijcs of een sterre des meers Of die lieve moeder gods maria
De gewone omvang van een ritmegroep is zowat zestien tot
twintig woorden, met vier tot zes accenten; wanneer het zware accenten zijn soms minder; de lengte komt dus overeen met twee tot vier versregels in het Mnl. Maar in de versvoordracht worden ook de kleinere accenten nadrukkeliker gezegd, zodat deze in kleinere ritmegroepen, in langzamer tempo, uiteenvallen: de versregels, die elk vier heffingen hebben.
d. Met hoofdletter bijna altijd de nazin met Opdat (en het finale Om dat), die ook trouwens nagenoeg steeds na een enigsins langere zin voorkomt; ook wel de nazin met So dat of Also dat, minder dikwels met Want en het causale Omdat, waar ook vaak kortere voorzin voorkomt, in welk geval dan het verbindingswoord kleine letter krijgt.
e. Opvolging van zinnen zonder verbindingswoord is in het Mnl. lang niet zo veelvuldig als in moderne stijl; ook het moderne spreken maakt nog veel gebruik van verbindingswoordjes als ‘en’. Het koppelwoord ontbreekt, ook in ons spreken, dikwels bij opvolging van korte zinnetjes, vooral in wat vlugger tempo. Dit wordt in de Marialegenden in één ritmegroep genomen:
Ende segt hem u ghebrec hi sel u wel helpen
Doe vraghede hem die abt ende seide Waer om so lachste nu hi seide weder en soude ic niet lachen Siet enz.1) 135Doe seide die abt waer gaestu herman seide tot dat rijc der hemelen
Aldus worden meermalen vraag en antwoord bij elkaar genomen.
74O heilighe maghet maria bescermt ons ende vertroest ons coemt ons te hulp ende bidt uwen lieven sone voor ons 82Ende doe si hem aentaste doe vant si dat hi doot was doe wort si seer wenende 85Op enen dach doe hi voer om sijn bruloft te houden Doe stont daer biden weghe een kerke doe docht hi dat hi onser vrouwen ghetide niet ghelesen en hadde 97Nu laet se weder keren tot haren lichaem wil hi dan u dienen so is hi iu
161Doe seide die heer spreket iu herte vriliken wt u en sel niet misschien. Doe seide hi broeder ic hebbe seer teghens u misdaen ic en dar dat niet beliën 100 100 Ic en wil niet dat ghi aldus stervet in deser onwaerdicheit des lichaems Mer ghi sijt al gesont ende al ghenesen staet op ende gaet daer ghi wilt (twee ongeveer even grote ritmegroepen.)
Doe seide maria ic segghe dat hi mijn is ende dat hi mi gedient hevet ende dat sel hem gheloent worden laet ons gaen vraghen vonnes van Sinte pieter ende Sinte pouwels 120Neve hoe ist hebt ghi uwen lofte ghehouden Die ionghelinc seide ia ic hebse wel ghehouden Ende mi waer leet hadde ict niet ghedaen
De laatste zin heb ik erbij afgedrukt om te laten zien hoe in deze zin-met-bijzin ritme en melodie zeer gelijk is aan die van de twee eerste samengevoegde hoofdzinnen.
127Mer nu bin ic ghecomen om iu te helpen wt dezen kerker Ende hier na wtter hellen der ewigher pinen nu staet op ende volcht mi
Zoals men uit de voorbeelden ziet heeft dit veel plaats in gesproken zinnen. Deze zijn dikwels korter en ook is het tempo hier veelal vlugger; vooral in het voorbeeld van bl. 161 komt dit laatste goed uit.
Ook wanneer hoofd- en bijzin zonder conjunctie verbonden worden, wordt er geen interpunctieonderscheiding aangebracht, tenzij het al te lang zou worden. De meeste gevallen ook weer bij gesproken woorden:
128Ende dese selt ghi besitten ist dat ghi kersten werden wilt ende duechdelike werken doen ende leven na die kersten wet 133Ende is daer yement die hem pijnt of vermeet dit cleet an te doen Of op desen stoel te sitten mijns soens wrake sel op hem comen 25Doe seide die duvel wilstu minen raet doen ic sel di guets ghenoech gheven 30ende ist die duvel hi is so hoverdich hi en sel dat niet moghen liden Ende ist maria die moeder gods die is so oetmoedich ende lijdsaem si en sel iu daer of gheen scult gheven Die broeder seide hi soude dat doen
Vergelijk de laatste zin, half direkte half indirekte rede, die wij misschien bij vlug tempo ook wel zonder leesteken zouden verbinden aan het voorgaande, met de samenvoeging in het Mnl. van een verbum declarandi met een direkte rede, zonder enige
interpunctie. Ritmies verschillen beide gevallen weinig.
Ook één ritmegroep wanneer het voegwoord (en) niet op de eerste plaats staat:
Mer hi en liets niet hi en diende maria die moeder gods Ende sonderlinghe des vridaechs ende des saterdaghes
Dit in één ritmegroep samenvoegen van hoofd- en bijzin is ons niet zo ongewoon, en ook het laatste voorbeeld, gemoderniseerd, zou men tegenwoordig wel zonder leesteken kunnen tegenkomen. Maar de middeleeuwer, die geen grammatiese kategorieën kende maar zich alleen door het ritme leiden liet, voelde dus als gelijkwaardig aan deze gevallen, die waar hoofdzinnen naast elkaar gezet worden. - Een tussenrubriek vormen de relatiefzinnen in demonstratiefvorm op bl. 145 - Principieel ritmeverschil is er ook niet; er zijn beide soorten van gevallen talloze nuances, afhangend van lengte, accentsterkte, woordschikking, tempo.
Bij nevenschikking zonder voegwoord kan het ook zijn dat een bijwoordelike bepaling voorop gaat: Op een tijt, Int jaer, Daerom. In dit geval staat gewoonlik hoofdletter, altans bij de twee eerst genoemde. Hier begint ook weer een heel nieuwe gedachte, en daardoor dus nieuwe ritmegroep, en wel al dadelik een accent. Evenzo bij nevengeschikte zinnen, aanvangende met Die ander.... Die derde enz.
Uit de voorbeelden is al gebleken dat in één passage de hoofdzin, al of niet met ende, kleine letter hebben kan en een woord als So of Opdat hoofdletter. De lengte van de ritmegroep geeft de doorslag. Vooral wanneer de voorzin niet met een voegwoord begint, geeft men er de voorkeur aan, in de nazin So met hoofdletter te schrijven, b.v.:
74Ghi hebt een guede troesterinne ende een guede helpster aen gheropen · had ghi dat niet ghedaen So souden wi u ghevoert hebben inder hellen overmits uwen sondighen woerden die ghi spraect
Moeiliker is het enige regels op te sporen voor het gebruik van punten. Sommige gedeelten hebben ze meer dan andere, misschien doordat hier een andere schrijver aan het werk was. De gevallen waarin de punt gebruikt is, heb ik onder groepen samengebracht. Maar hiernaast kan men vele plaatsen vinden met on-
geveer gelijk ritme, waar de punt niet gebruikt is. Het is duidelik dat, nog meer dan bij het aanduiden van klanken, er willekeur kan heersen bij het aanduiden van ritme.
In het algemeen staat de punt meer bij toondaling dan bij toonrijzing.
1o. In ruim honderd bladzijden ben ik meer dan veertig maal de punt tegengekomen voor ende. In sommige van die gevallen was Ende met hoofdletter nog meer gewettigd geweest, maar in de meeste toch niet. De punt komt n.l. dàn veel voor wanneer de ritmegroep uiteenvalt in twee zeer ongelijke helften, b.v. met kort nastuk:
Ende seide dat hi overmits dat ghebet van onser liever vrouwen maria verlost was van alle sijn dwaesheit · ende van alle ydelheit der werelt1)
Bij dezelfde ritmelengte ook wel eens punt voor mer: bl. 119, regel 19.
Met kort voorstuk, vooral na een beklemtoond eenlettergrepig woord:
Doe wort hi seer siec · ende die maghet maria die moeder gods quam tot hem ende visitierde hem
Ende dit verwonderde haer seer · ende si dancte ende lovede gode ende maria die moeder gods dat si op die hoechtijt inden dienst gods gheweest hadde2)
Maar ook wel bij twee ongeveer gelijke stukjes, terwijl beide samen toch niet groter zijn dan anders één ritmegroep. Na klemtoon, en daardoor tegelijk stijgende toon:
Die monic worde siéc · ende doe hi in die ure sijns doots lach Doe waren bi hem die bose gheesten om hem te becoren
Wel op wel op · ende volcht die coster den dief na
Ende een groote scaer der enghelen die bereyden dat outaér · ende het was daer al verciert overmits dat hemelsche geselscap
Doe nam die onder prior die absconsi · ende ghinc wt opten dormter1)
Vergelijk het ritme van de laatste zin met de zin ervoor:
Doe nam die onder prior een absconsi in sijn hant ende ghinc in dat choer van stede tot stede
Is het verschil in interpunctie hier opzet of slordigheid? Of heeft de opeenvolging van de twee klinkers in het eerste voorbeeld invloed gehad?
2o. Ook vindt men soms de punt voor doe of so, wanneer de zin in twee ongelijke stukken uiteenvalt. Met kort voorstuk op bl. 94 (voor doe) en op bl. 95 (voor so) en nog twee keer op bl. 75 voor doe, eenmaal met kort voorstuk en eenmaal met kort nastuk; de twee laatste gevallen zijn weinig karakteristiek, op andere plaatsen hebben dergelike zinnen geen punt. Bl. 94 en 95:
Ende doe hi ontwake wert · doe vant hi daer die alve legghen al bereyt sonder naet als hem maria gheseit hadde
Ende onder ander woerden die si seide · so seide si datmen vermeerren ende eren soude die heilighe drievoudicheit mit groter reverenciën
3o. Voor causaal zinsdeel:
bl. 126 r. 15 voor het voorzetsel overmits, dat een lange bepaling inleidt;
bl. 113 r. 12 voor het voegwoord overmits dat; een zin van gewone lengte is hier in twee gelijke stukken verdeeld.
bl. 73 r. 16, (84 r. 14) en 129 r. 4 voor want; hiervan zijn de beide eerste gevallen na een woordvraag. Op bl.84 staat Want met hoofdletter. In alle drie gevallen is er een kort nastuk.
4o. Van zinnen die zonder voegwoord naast elkaar staan, heeft de tweede gewoonlik geen hoofdletter, vgl. bl. 148 onder e. Soms wordt een punt gebruikt:
in zeer lange periode wel eens voor hi: bl. 64 en 1221); in kortere periode hoogst zelden.
in gewone periode die in twee gelijke stukken verdeeld wordt:
Doe seide die abt du lachste altoes du biste sterc ghenóech · stant op ende ganc te choer ende tot dinen werke2)
Met kort nastuk:
Ghi hebt een guede troesterinne ende een guede hulpster aen gheropen · had ghi dat niet ghedaen So souden wi u ghevoert hebben inder hellen overmits uwen sondighen woerden die ghi spraect
Op een tijt so lach hi seer siec in een grote crancheit · so dat sijn siel sceyde van sinen lichaem Ende die duvel woude daer mede ter hellen varen
Ende als dat monickijn den beelde warmoes brochte so vant hi die scotel so scoen ghemaect of si ghewasschen hadde gheweest · dat verwonderde hem ende seide · Lieve vrouwe3) enz.
Met kort voorstuk - eenmaal voor hi -:
Die duvel seide · hi enz.
Mer si en quam niet · ten lesten so sende maria enz.
Dese pijn wacht na u ende na uwen gheslachte · ten si dat ghi die ioetsche wet achter laet ende kersten wort so moet ghi tot dier pinen comen
Broeder herman mach ic gaen totter missen Want het was in die vasten · herman seide neen laet die ander broeders ter missen gaen
Die abt seide waer bi weet ghi dat · herman seide maria die moeder gods hevet mi ghevisitiert ende ghetroest ende hevet mi dit gheopenbaert4)
Maar op dezelfde bladzij, eveneens na woordvraag:
Die abt seide Wanneer selt ghi sterven herman seide op den derden dach
Ook verschil van w hier.
5o. Voor een uitbreidende relatieve zin zag ik op bl. 127 een punt, terwijl twee zinnen ervoor een beperkende relatieve zin geen leesteken heeft; men vergelijke het ritme van beide: in de zin zonder punt zal ook scone weinig accent hebben, meer als epitheton ornans gebruikt zijn, terwijl de aandacht gericht is op het volgende ondede, waardoor het ritme snel voortgaat; in het tweede geval is scóne vróuwe de voorstelling die even wordt vastgehouden, waarna dan de nieuwe gedachte volgt. Ook de zin na yement is hier uitbreidend.
Doe hi in dese vanghenisse was doe viel hi op een tijt in een slape daer sach hi in een visioen Dat voor hem quam een scone vrouwe die alle slotelen ondede Ende hi wert ontwake ende hi sach al omme of hi yement ghesien hadde · die hem wtten bande der vanghenisse verlost hadde Doe sach hi staen bi hem een scóne vroúwe · die mit hare claerheit die vanghenisse binnen verlichte
Vergelijk hiermee het ritme in de volgende passage1), waar in de eerste zin de aandacht valt op béelde van María (gevolgd door het zwakker betoonde dede maken), waarna pauze valt voòr de bepaling eraan toegevoegd wordt; in de laatste zin echter volgen na duvel vier zwakker betoonde woorden, waarover men vlug doorleest om te komen tot de belangrijkste voorstelling: lelicste.
So dat hi tot haer eren ende waerdicheit een beélde van maría dede maken · so hi alre suverlicste mochte Ende dat dede hi scoen versieren Ende hi dede die dúvel onder haer voeten maken soe hi alre lélicste mochte
6o. In het laatste citaat heeft de zin met yement, een afhankelike vraagzin, ook enigsins toonrijzing. Evenzo de woordvraag van bl. 135 die ik op bl. 153 aanhaalde. Punt bij toonrijzing ook na de volgende woordvragen, met kort nastuk:
Ende ic een coninghinne bin waerom versumet ghijt dan ende veronwaert iu te bughen · want iu versumenisse is een oersake uwes hoeftsweers
Ende onse heer seide totten ghenen die daer bi stonden wat oerdel
sel dese ontfanghen van sinen werken die hi ghedaen hevet · Want ic hebbe hem langhe verbeit
Doe seide dat kint trouwen vader sterven · mi en is also niet gheseit Mer wi sijn ter werscap genoet
En in de volgende zinnen na toonrijzing en accent:
Ende ghi mocht wel een groet heer hebben gheweest · had ghi u wijsselic regiert
Al hevet hi hem selven in uwen dienst versumelic ghehadt · hi plach mijn ghetiden doch mit ynnicheit te lesen
Ende in een visioen wort hem gheopenbaert · hem dochte dat hi stont op enen hoghen berch
Doe seide ihesus lieve moeder hi hevet mijns versaect · hi en is mi van gheenre ghenaden waert
Doe vinghen si hem ende wat si hem vragheden · hi en wiste niet te segghen
Doe seide maria en hebdi niet ghelesen hoe dat die scrijft seit · hoe ghi groter sijt hoe ghi u meer veroetmoedighen selt1)
7o. Voor direkte rede staat in dit hs. zelden een punt; ik vond het eens voor heer, voor broeder, voor Neve, voor Lieve, voor hoe2) en soms voor hi. -
Zoals ik begon te zeggen is de interpunctie in dit hs. niet gelijkblijvend. Op de bl. 168-187 in de druk komen veel punten voor, daarna tot bl. 216 weer wat minder, en vanaf bl. 216 weer even weinig als in bl. 20-140, die ik hoofdzakelik behandeld heb.
Maar ook is het natuurlik dat, net als dat tegenwoordig gebeurt, de een een zin anders interpungeert dan de ander. Ook nu nog is daarin, binnen zekere grenzen, veel vrijheid. Wanneer men b.v. enige eksempelen uit het Haagse hs. 70 H 42 en uit het Katwijkse, die in beide in ongeveer dezelfde redaktie voorkomen, vergelijkt, ziet men bij veel overeenkomst enkele verschillen. Het Haagse hs. heeft over 't algemeen meer punten, b.v. dikwels · ende waar het Katwijkse Ende heeft, en ook wel punten waar het Katwijkse zonder interpunctie is, - en minder hoofdletters. Dat men in het algemeen liever de nieuwe ritmegroep
begint bij Ende dan bij een demonstratief woord, blijkt b.v. uit een zin in eks. XVI bl. 58 (Haagse hs. 84 fol. 103 v.):
Katwijkse hs.: Ende tusschen desen tween berghen was een valeye een dal daer sach hi twie naecte kinderen Ende die vielen op haer knyen ende songhen die anthiffen Salve regina
Haagse hs.: Ende tusschen desen tween bergen was een valeye een dal Ende daer sach hi twie naecte kinderen die vielen op haer knyen ende songhen die antiffen Salve Regina
Als voorbeeld van een interpunctie met veel punten heb ik gekozen het eveneens met de handschrift-interpunctie uitgegeven Brusselse hs. 15624 - 41, perk., waarschijnlik uit 1351, van Jan Yperman's Cyrurgie.1) Dit hs. heeft hoofdletter, gewoonlik voorafgegaan door punt (hoogstzelden door dubbelpunt), punt, en ook veel paragraaftekens, welke in een tekst van deze aard goed van pas zijn. De stijl bestaat hier dikwels uit korte ritmegroepen; de delen van een opsomming zijn gewoonlik door een punt gescheiden; maar ook hier zijn gelijksoortige zinnen wel verschillend behandeld. Als voorbeeld van de stijl geef ik van bl. 105 tweede kolom (= hs. fol. 131c):
¶ Nemt mastic · canele · gebernt zout · hier af so maect ·1· pulver stampende wel cleine · ende van desen pulvere so duwet opten huuf wel vaste met uwen dume · dit sal stremmen tbloet ende heilen die wonde · ¶ Ende als gi den huuf snijt · so wacht wel dat gine niet en snijt te cort no te lanc · mer tsiere naturliker sceppenissen · Want int sniden vanden huve so vallen vele avonturen also avicenna seit · dat vele pinen comen vander snede · Dierste es faute vanden lude of vander stemmen · Dander es enz.
Verschil van ritme bij so is er in de volgende passage:2)
Dies derds dages so vermaket · en ware dat zere bloedde · so latet daerop toten ·4· dage · Ende of die wonde bloédt zére · so strémse metter leringen die leert int capittel van bloede te stremmene · Ende alse gi sníjt so snidet álso verre alse die screve gaet · Ende ten iersten vermakene na dien snidene so nemt olye van rosen ende zeem geminct tegadere die ·2· deel olye van rosen ende ·1· deel zeems also vorseit es · ende daer in net u wieke ende legse in de wonde opt herssenbecken ·
Ende en eist níet ontwee · so doet alsoet u vorleert es in dat capittel ·
Ende eist ontwée so doet tgequetste vleesch van den bene · ende maket therssenbecken wel suver van den vleesche ·1)
Bij de herhaling leest men vlugger door. Ditzelfde verschil van ritme heeft men o.a. ook in het Nieuwe Testament, dat in het Haagse hs. veel punten heeft:2)
¶ Ist dat dijn re̋chter őghe di scandalizéért · steket w̋t ende warpet ván v Het is di beter · dat van dinen leden een bederue · dan alle dijn lichame ghe // worpen werde in die helle Ende ist dat dijn rechterha̋nt di scandaliziért snijt // se a̋f · ende werpse va̋n dij · want het is di beter dat een van dinen leden beder // ve · dan dat alle dijn lichame ghewor pen worde in die helle
Bij de herhaling is het ritme door minder accenten lichter, daarom wordt de ritmegroep groter genomen, tot af.
Hetzelfde vlugge ritme om te komen tot dat waarop de aandacht tevoren al gericht is, heeft men na ende siet in het volgende voorbeeld uit hetzelfde hs.:
ghingen si heen · ende siet die sterne die si ghesien hadden in oestlant ghinc voer hem · al tot si quamen · ende ghinc staen recht bouen daer dat kint was · Doe enz.
Ook in dit evangeliehandschrift, dat toch veel meer punten heeft dan het Katwijkse hs. van de Marialegenden, ofschoon hier toch ook langere ritmegroepen zijn, staat geen punt voor de direkte rede als de ritmegroep niet lang is.
Si3) antworde hem in bet / lehem iude · want alsoe is bescreuen vanden pphete Ende du betlehem · lant van iuda · en selste die minste niet wesen
in die heerscapie van iuda · want wijt di sal comen een hertoghe · die mijn volc van israhel regieren sal
Hoofdletter komt in dit hs. vooral voor na een tamelik lange ritmegroep (zonder punt) en vooral wanneer de nieuwe ritmegroep begint met hoge toon of accent, b.v. met Sích, Stant úp, Sine spíse was.
Een handschrift dat weinig punten heeft, kan toch een interpunctie hebben die de tekst in kleine brokjes verdeelt, door middel van hoofdletters, b.v.:1)
Dat2) tiende ghebod es Du en salt niet begheren den knecht dijns evenkerstens Noch sine deerne Noch sine osse Noch sine esele Noch gheen dinc dat sijn es
+Over de drieledige interpunctie kan ik kort zijn. Drieledig is het gewoonlik meer in schijn dan inderdaad. Als voor de 16e eeuw in een hs., behalve de hoofdletter, twee tekens voorkomen, is het hij gewoonlik niet gelukt, verschil van waarde tussen die tekens te ontdekken. Dus dan is het ten slotte toch niet anders dan een tweeledige interpunctie.
Boëthius' De Consolatione Philosophiae,3) vertaald uit het Frans, afwisselend in proza en poëzie, heeft hoofdletter, meestal voorafgegaan door twee fijne schuine streepjes, soms door een streepje, en in de zin twee streepjes of soms een streepje.
Het Utrechtse hs. 1035, dat eigenlik al buiten het tijdvak van dit hoofdstuk valt (n.l. in de 16e eeuw) bevattende Stichtelike Traktaten en Sermoenen, heeft behalve de hoofdletter (nooit met punt) de dubbelpunt,4) maar een enkele maal ook wel eens enkele punt, die dan misschien wel een iets kortere pauze aangeeft, maar veel verschil lijkt me er niet in. Punt staat ook wel eens voor en na tussenzin:
In dien dagen sellen die bergen · dat sijn die verheuen gemoeden · soeticheit wt drupen
Onser liever vrouwen salter1) heeft rode hoofdletters, altijd zonder punt. In de twee eerste vellen (= fol. 1-23, want het eerste blad van het tweede vel is afgesneden) worden dubbelpunt en punt gebruikt, gewoonlik in verschillende delen, maar een enkele keer tegelijkertijd; verschil van waarde heb ik echter niet kunnen ontdekken; fol. 9-14 b hebben geen leestekens. Met het derde vel (= fol. 24-33) houden de leestekens op; de tweede helft van het vierde vel (= fol. 40-45) heeft weer enkele punten: fol. 40 a en 45 b. In de hele tekst dezelfde soort rode hoofdletters.
In het Utrechtse hs. 10322) zijn de eerste twaalf folia van een andere hand dan de rest. Elf hiervan bevatten een kalender, waarop men uiteraard over interpunctie en ritme niet veel gegevens krijgen kan. Het twaalfde blad is tekst en heeft een drieledige interpunctie, n.l. punt, dubbelpunt (slechts een maal op dit blad) en hoofletter voorafgegaan door punt.
Een interpunctie, bestaande uit punt, dubbelpunt en hoofdletter, soms voorafgegaan door punt of dubbelpunt, hebben volgens de beschrijving van De Vreese:
| 1. | Hs. r = hs. I.E. 31 Univ. bibl. Amsterdam (= Moll 29), papier eerste helft 15e eeuw.3) |
| 2. | Hs. Nn = Oxford Bodl. Libr. Add. B. 43, papier 1475.4) |
| 3, 4 en 5. | Hs. t = hs. I.G. 12 Univ. bibl. Amsterdam (= Moll 38), papier, bestaande uit 3 delen, waarvan de eerste hand van het IIIe deel, geschreven in 1481, dezelfde is als die van het Ie, geschreven in 14985), en waarvan het IIe deel uit dezelfde tijd moet zijn, en een schriftsoort vertoont dat tegen het midden der 16 eeuw het gewone wordt. Alle drie hebben dubbelpunt en punt. Maar het tweede deel heeft bijna uitsluitend de dubbelpunt, slechts een enkele maal de punt, en ook hier en daar het schuine streepje. Hier is dus misschien een vierledige interpunctie, maar we zijn hier dan ook al bijna in de 16e eeuw, dus eigenlik buiten het tijdvak dat ik in dit hoofdstuk bespreek. |
De Utrechtse hss. 1017 en 1020 hebben het metronteken. Hs. 1020,1) bevattende Dat Spieghel der moniken en Profectus religiosorum (in het Ned.), fol. 17-171, heeft meestal een tweeledige interpunctie, maar de opzet was waarschijnlik drieledig, n.l. punt, metron en hoofdletter, soms voorafgegaan door punt of ook wel eens door metron. Het metron komt zelden voor, maar heeft dan een waarde tussen punt en hoofdletter in.
Hs. 10172) echter, bevattende Cantimpré's Boec der byen, heeft zelden punt. Gewoonlik is de interpunctie tweeledig, n.l. metron en hoofdletter; hoogst zelden daarbij ook nog punten, dus dan drieledig, maar misschien niet aldus als een stelsel bedoeld.
Sente Bernaerts ghedachtens3) heeft gewoonlik tweeledige interpunctie, n.l. hoofdletter, soms voorafgegaan door punt, en in de zin punt. Soms komt ook voor het metron, n.l. twee maal in de echte metronvorm en twee maal in de vorm van een dubbelpunt; in het eerste geval is over het algemeen de toonrijzing duideliker:
Si en is sijn beelde niet · om dat si hoers selues ghedenct ende hoer seluen verstaet ende lief heeftmer dat4) si dien ghedencken ende verstaen ende lief hebben mach · daer4) si of ghemaect is5)
Aldus ghecleet ende gheciert quaemstu tot ons ende di en ghedenckes niet hoe vuyl dijn begin was6)
Hi en veronwerdet niement · mer wie sijns ghedenct ende verstaet ende mint: mit dien is hi7)
Zonder toonrijzing als colonteken komt de dubbelpunt voor:
Hi hevet enen stric gheset in goude · ende in zilver: ende in allen dinghen die wi misbruken werden wi ghestrict als wi daer qualic ghenoechte in zueken8)
In de andere teksten in dezelfde codex komen ook beide vor-
men, maar nog zeldzamer, voor: als colon1) zonder toonrijzing de punt met boogje op fol. 38a en hetzelfde teken met enige toonrijzing, n.l. na een tussenzin (vóór de parenthesis staat geen teken) op fol. 75b. De dubbelpunt wordt gebruikt voor een direkte rede, ofschoon in deze korte zin de pauze niet zo heel lang zal zijn, op fol. 33a:
Doe sprac die vrient: wat is dat
voor alse op fol. 101 b, en aan het zinseind voor het demonstratieve die op fol. 77 b; in het laatste geval is er dus stellig geen toonrijzing, en voor een aanhaling in de direkte rede komt men in de M.E. ook wel tegen het teken dat toondaling aanduidt.
Ook het vraagteken komt in Sente Bernaerts ghedachten voor, in verschillende vormen, n.l. links begonnen als metron en dan met een grote boog naar boven (links-rechts-links-rechts), en rechts begonnen naar links en weer naar rechts, enigsins zoals de Kartuizers het schreven; maar niet in de vorm van dubbele virga. Het staat na een vraagzin op fol. 4 a, 8 a, en 30, en na een lange voorzin die toonrijzing heeft op fol. 9 a:
Mer ist zake dattu seggheste · dit sijn harde reden Ic en mach die werlt niet versmaden ende mijn vleysche hatenSegghet mi · Waer sijn die minres deser werlt die voer luttel tijts mit ons waren
De andere vraagzinnen hebben geen teken, zoals in het laatste voorbeeld, of soms een punt.
In de andere vond ik alleen op fol. 91 a een vraagteken, en twee maal op fol. 48 a een rood vraagteken, gedeeltelijk over de zwarte punt heen gezet, waarvan eenmaal na een afhankelike vraagzin.
Enigsins is dus in dit hs., vooral in het eerste werk, de liturgiese interpunctie toegepast.
Uit de beschrijving2) die De Vreese geeft van de interpunctie van enkele hss., maak ik op dat deze drieledige interpunctie hebben, nl. punt, metron en hoofdletter, al of niet voorafgegaan door een teken.
| 1. | Hs. w. = hs. 920 van de Bibl. Mazarin Parijs, perk.; hieruit het |
tweede gedeelte nl. fol. 51-69, waarschijnlik voor 1383 geschreven, Dit bevat:
fol. 51-65 vertaling van Cantica Canticorum,Alleen in de laatste tekst en alleen op fol. 67a en b is een paar maal het metron gebruikt.1) Daarnaast punt. |
|
| 2. | Een ander sermoen heeft ook metron, nl. het sermoen op St. Stephanusdach in het Brusselse hs. 3067-3073, perk., midden 14e eeuw, fol. 134-142, door de Vreese genoemd als hs. V v VII.2) |
| 3. | Misschien is ook het metron bedoeld3) in de beschrijving van hs. V v I, geschreven ± 1340, bevattende een mystiek traktaat, misschien een sermoen, en nog twee zeer kleine traktaatjes (fol. 1-14). De Vreese noemt: ‘de punt, ook vóór hoofdletters, de punt met een fijn krulletje er boven op, met dezelfde waarde als de punt; ten slotte: een klein, fijn schuin streepje, wat in het midden der 14e eeuw zeker nog een zeldzaamheid is.’ Dit zou dus een vierledige interpunctie zijn, als altans deze tekens niet voor dezelfde functies dienen. Het lijkt mij vreemd dat dezelfde schrijver metron en streepje geschreven zou hebben. Is het laatste misschien er later tussen gezet? |
| 4. | V v. VIII (midden 14e eeuw) de eerste hand = fol. 143-151, bevattende een expositie op het Onze Vader. Bovendien noemt de Vreese hier4) nog: ‘een teeken met de waarde van een uitroepteeken, bestaande uit een gedeelte dat ongeveer den vorm eener c heeft en daar bovenop een krul die nagenoeg met ons uitroepteeken overeenkomt.’ (?) Hiermee kan toch niet de flexa bedoeld zijn, die ik in Nederlandse hss. nooit tegengekomen ben? Eer denk ik dat het het vraagteeken is in de bekende vorm van de dubbele acutus of het dubbele metron; dit werd ook wel eens na een uitroep die sterke toonrijzing had, gebruikt. |
| 5. | Hs. U u = hs. 3037 Brussel, papier met enkele bladen perk., bevattende een leven van Jezus en een kort werkje van Ruusbroec, geschreven door dezelfde kopiïst als hs. P p (dat geen metron heeft), dus waarschijnlik door Jan van Meerhout en in dat geval voor 1476. Volgens De Vreese wordt het metronteken hier gebruikt met de waarde van komma of van vraagteken;4) dit gebeurt meer, het geeft in het algemeen de toonrijzing aan. Verder hier ook het schuine streepje, dus misschien vierledig bedoeld? Vgl. nummer 3. |
Een van de weinige Mnl. hss. die wel een sisteem van drieledige interpunctie hebben, is het Amsterdamse hs. I.G. 41 (= Moll. 1), een van onze oudste prozahss., uit 1348, perk. 4o in 2 kol.1). Het bevat:
| a. | Die epistelen entie ewangelien van alden iare | fol. 1. |
| b. | Broeder heinrijc van cleuen sermoen | fol. 267d. |