Het bleek een onherstelbare fout dat ik, in tegenstelling tot Joubert, van een vurige liefde een vak maakte. Achteraf beschouwd kan ik een jonkman, ook al bezit hij het tienvoudige van de gaven mij toebedeeld, slechts raden alles liever te ondernemen dan te leven van zijn pen. Voor mij echter was er geen terug. Wat ik begon, moest ik noodlottig beëindigen en toen ik mij op mijn achttiende jaar zonder enige geldige reden als ‘schrijver’ verklaarde, stond het in de sterren geschreven dat ik op mijn tachtigste (als ik zo oud word) nog ‘schrijver’ zou zijn. A wiser and a sadder man, heb ik begrepen waarin mijn levensfout bestond. En wel dat ik tot loopbaan koos een bezigheid welke zich daar in het geheel niet toe leent, omdat zij alle bekoring verliest wanneer zij ophoudt liefhebberij te zijn. Wie van de letterkunde een beroep maakt, doet als de man die beweert de roos bovenal te vereren, maar zich niet weerhoudt rozen per mud in een molen te gooien, er rozenolie uit te persen teneinde die tegen hoge prijs van de hand te kunnen doen. Ik ben als dilettant geboren, als liefhebber in de strikte zin des woords, en ik had dilettant behoren te blijven.
Mijn levensbeschrijving zou kunnen luiden: in 1905 begon hij zo'n beetje te schrijven en in 1965 schrijft hij nog zo'n beetje. Wat hij in die jaren te boek stelde, zou vele tientallen delen beslaan, terwijl slechts enkele tientallen bladzijden daarvan, en dan nog misschíén, de moeite van het herlezen lonen. Ik heb nooit de bittere pijn van miskenning of onderschatting geleden. Integendeel. Dankbaar voor de ontvangst van mijn voortbrengselen, heb ik mij er immer over verbaasd hoe iemand er behagen in kon scheppen. Sommige mensen lezen gaarne wat ik op papier zet, en dat vind ik prettig. Ik ben er tot heden nooit in geslaagd mij werkelijk boos te maken op iemand die mij zonder omhaal, ja kwaadaardig, de waarheid zei. Ik begin met te denken: hij zal wel gelijk hebben, want wáárom zou hij geen gelijk hebben. En àls zijn betoog fouten en leemten bevat, ontdek ik die altijd veel later. Ik laat mij dan ook nimmer
besprekingen zenden. Luiden zij gunstig, zo maken zij mij verlegen, in het tegenovergestelde geval onzeker. Ik verricht mijn werk zo goed mogelijk en de mening van een ander kan het beter noch slechter maken. Dat een schrijver enige baat aan een kritiek zou kunnen ontlenen is een sprookje. Kritiek wordt nooit ten behoeve van de scheppende kunstenaar geschreven, doch alleen als broodwinning en, bij uitzondering, om het lezersvolk te leiden of te goeder trouw te misleiden.
Als er sprake is van schatting, voel ik mij eerder over- dan onderschat. Aanleiding tot wrok of naijver is dus niet aanwezig. Maatschappelijke en persoonlijke bezwaren werden mij bespaard. Wij (dat wil zeggen mijn gezin, bestaande uit vier personen, twee zoons en gedurende vele jaren nog een engel van een hond) werden niet door rampen geteisterd. Ziekten bleven zeldzaam en van voorbijgaande aard. Avonturen te land en te zee, buitens- en binnenshuis, in de kroeg of in de bedstee van de buurvrouw, heb ik niet beleefd. Een knaap nog, maakte ik kennis met haar die mij thans nog vergezelt. Ik herinner mij geen ernstig misverstand ooit, in welhaast vijftig jaar, tussen ons gerezen. Zelfs het echtelijk kibbelen dat, wil men bevoegde kenners geloven, onvermijdelijk is, hebben wij door de aanminnigheid onzer wederzijdse inborsten tot een verwaarloosbaar minimum beperkt. Mijn huwelijk geeft dus geen aanleiding tot mededelingen aan derden. Ik werd ook nooit in de nor opgesloten. En ik ben bij mijn weten nooit anders bekeurd dan wanneer ik bekeurd wilde worden. Ik heb namelijk als nuchter en eenvoudig man nooit mee willen doen aan het ongerijmde bedrijf dat men verkiezingen noemt. Ik was op geen enkele wijze betrokken bij wereldoorlogen, tot welker ontbranding ik nimmer de geringste aanleiding gaf. Lensvergroeiing bespaarde mij legerdienst. Nooit bespeurde ik in mij een ernstige neiging om mee te doen aan een georganiseerde opstandigheid welke mij met de, overigens innerlijk diep verachte, prinsemarij in botsing kon brengen. Kortom, het zal moeilijk vallen een rimpellozer, meer Joubertiaans bestaan te bedenken. Trouwens, Joubert was in zijn jonge jaren op zijn manier een schuinsmarcheerder. Men komt niet ongestraft in het vaarwater van Restif de la Bretonne. Hij werd pas op ietwat rijpere leeftijd de ware Joubertiaanse Joubert. Stof tot treffende onthullingen ontbreekt hier dus te enen male. Alleen heb ik, door de omstandigheden en mijn aanleg genoopt, mij dikwijls en met genoegen verplaatst. Ik was echter nimmer een zogenaamde ‘globetrotter’. Een reis om de wereld (toen) in tachtig dagen, lokte mij evenmin aan als het vooruitzicht ‘Met een kwartje de wereld rond’, een boek waar ik echter in ieder opzicht en heftig van genoten heb. Reizen, als ik het versta, en ik kom hier zeker later op terug, eist een overdaad van tijd en een behoorlijk gevulde buidel. Van tenteboel heb ik nooit iets moeten hebben en ritjesbedelen acht ik mensonwaardig. Deze verschijnselen deden zich trouwens in mijn jeugd niet voor. God lof. Ook zou slechts de uiterste nood mij kunnen dwingen mijn intrek te nemen in een ongerieflijk en vuns logement. Waar ik van houd? Van weelde, helderheid,
eerbiedige, muisstille bediening, van in ieder opzicht het beste van het beste. Ik ben ook van mening dat mij dit toekomt omdat ik de ervaring en de geestelijke middelen bezit er tot in de geringste bijzonderheden met hart en ziel van te genieten.
De natuurlijke slotsom uit al wat ik hierboven opsomde, zou moeten luiden: schrijf dan geen autobiografie, niemand vraagt je ernaar, niemand zit erop te wachten. Hier valt weinig of niets tegen in te brengen, slechts één feit, dat eigenlijk voor niemand dan mijzelf van belang is: in weerwil van alle geldige tegenwerpingen gevoelde ik de drang dit werk te ondernemen. Ook in dit geval, als te dikwijls, delft de rede het onderspit. Ik zou niet driemaal, na er al die jaren aan geploeterd te hebben, een arbeid neergooien en weer opvatten als ik daartoe niet door een innerlijke noodzaak genoopt werd. Ik ben een luie man en spoedig ontmoedigd. Maar het schrijven van dit boek werd een nijpende persoonlijke aangelegenheid voor mij, welke veel op een obsessie ging lijken. Ik kon er jarenlang mijn gedachten niet van af trekken, en ook in tijdperken dat ik er geen letter aan schreef, was ik er voortdurend mee bezig.
In de loop der tijden heb ik vele autobiografieën gelezen en natuurlijk bevond zich daaronder een aantal van werkelijk belang: geschriften welke mij boeiden om inhoud en uitdrukking, welke ik bewonderde om de stof en de verwerking daarvan. Vele echter lieten mij onaangedaan. De schrijvers ervan hadden inderdaad veel beleefd, waren van nabij betrokken bij allerhande belangrijke en wonderbaarlijke, meestal ongerieflijke, aangelegenheden, hadden deelgenomen aan het maken van geschiedenis en van al wat men verder in het vage maar wil, niettemin bleken hun geschriften vervelend, ‘gering van bediedenis en van weinigen profijte’. Er werden steeds, en er worden nog dagelijks, belangrijke aanleidingen tot waardeloze boeken verwerkt. Daarbij verbaas ik mij er dagelijks over dat er nog méér kostelijke grondstof ongebruikt blijft liggen. De wereld is vol verhalen, welke nog niet verteld zijn.