In dit boek kon ik slechts een gering deel bijeenbrengen van de herinneringen welke ik in een lang en afwisselend leven verzamelde. En daaraan knoopte ik enkele beschouwingen vast welke naar mijn opvatting de gebeurtenissen van mijn gezichtspunt uit verklaarden. Ik heb al schiftende getracht alleen datgene op schrift te stellen dat van waarde zou kunnen zijn en van wezenlijk belang voor hen die nu of later nog iets, hoe weinig ook, over mij wensen te vernemen. Het is een onvolledig en een eenzijdig boek. Onvolledig omdat volledigheid in deze gevallen altijd onmogelijk is. Het allereenvoudigste bestaan laat zich niet in tien en niet in twintig delen samenvatten. En wat de eenzijdigheid betreft, ik moet de mens nog ontmoeten die tegenover zichzelf een volstrekt afzijdig oordeel kan vellen.
Men vindt hier beknopte samenvattingen welke mij lief waren en veelal nog zijn, en de namen van enkele tijdgenoten met wie ik door een diepe, jarenlange vriendschap verbonden ben. Ik versta onder vrienden niet kennissen, hoe gelukkig het ook kan maken met hen samen te zijn, mensen met wie ik gaarne en meestal opgewekt verkeer, maar die mijn innerlijk leven niet beïnvloed hebben. Een ieder die van de vriendschap een cultus maakt, kent die onderscheiding: hij heeft een aantal getrouwen, die zijn bestaan veraangenamen doch niet wezenlijk veranderen, en de Enkelen, zijn gemeente, met wie hij zich veel dieper gebonden weet en die daardoor op zijn bestaan hebben ingewerkt. Ik wil het nog anders zeggen: ik zou niet zijn die ik nu ben wanneer ik niet het geluk gevonden had enkele mensen te ontmoeten die de aard en de lijn van mijn bestaan anders gemaakt hebben, gelijk P.N. van Eyck dat deed in mijn prilste jaren. Ik geloof uit eigen ervaring aan de invloed welke sommige schrijvers op bepaalde lezers uitoefenen. Doch diezelfde ervaring heeft mij geleerd dat de innerlijke verbondenheid met enkele vrienden veel diepere gemoedslagen raakt en wijzigt. Van hen, die ik voor mij zelf mijn kleine gemeente noem, zijn er enkele niet meer op aarde: Arthur van Schendel, Maurits Esser, Menno ter Braak, Eddy du Perron, Henny Marsman en last not least een zeer bijzondere man in vele opzichten, een geest als een tweezijdig scherp zwaard, een schijnbaar gallig, maar in wezen diep trouw gemoed, ik noem L.A. Ries, over wie ik in mijn
boek ‘Menagerie’ uitvoerig schreef. Zij die hem, niet oppervlakkig, maar waarlijk grondig gekend hebben, zij alleen kunnen begrijpen wat hij voor ons en heel enkele anderen, uitverkorenen, betekend heeft.
En dan zijn daar de godlof nog levenden: A. Roland Holst, J.C. Bloem, Jan van Nijlen, Bob Nijkerk, Albert Besnard, Bert Goris, Dick Binnendijk, S. Vestdijk onder mijn tijdgenoten en bijna-tijdgenoten; Pierre Dubois en Adriaan van der Veen onder een jonger geslacht. In Afrika, waar ik als geestelijk wrakhout aangespoeld kwam, ondervond ik meer dan ik zeggen kan liefde en steun, echte hartelijkheid naar 's lands wijs, van N.P. van Wyk Louw, Liesbeth Eybers, Dirk Opperman, Stephen le Roux, W.E.G. Louw en Fred le Roux.
Van deze, mijn gemeente, zonder welke ik niet leven kan, heb ik in de loop der jaren en door de grilligheid van het lot er één verloren. In zulke gebeurtenissen, welke voor mij aan de vriendschap verknocht, tragedies zijn, kan nooit sprake zijn van een eenzijdige schuld. Het bittere spel van het noodlot wordt altijd zó gespeeld, dat geen der twee partijen vrijuit gaat. Over die aangelegenheid, welke een der getrouwen uit mijn kleine levensgroep deed verdwijnen, ben ik door de loop van vele, vele jaren nooit heen gekomen.
Ik heb in dit boek zelden gerept over wat mij als het hoogste en heerlijkste op aarde geschonken werd, mijn gezin. Ik zou er om te beginnen niet toe in staat zijn en bovendien zou ik het niet kuis en niet kies vinden.
Uit dit boek blijkt dat ik met een ware hartstocht in de literatuur geleefd heb, zonder mij ooit - behalve in mijn jongelingsjaren - in het letterkundige leven te moeien. Er blijkt uit dat ik van kindsbeen af reislustig was en mij op dat gebied niet onbetuigd gelaten heb. Mijn vrouw en ik rekenden laatst uit dat wij bijna tweeëneenhalf jaar op zee gedreven hebben, hetgeen niet onaardig is voor lieden die nooit bij de scheepvaart noch bij de kopphandel betrokken waren.
Eigenlijk zou het boek moeten heten: enkele ogenblikken uit een lang bestaan, of levensfragmenten, of hoe komt men fatsoenlijk aan zijn eind als men zich uitsluitend met toch eigenlijk wel onbetamelijke zaken als poëzie en proza heeft beziggehouden. Als ik niet reeds een boek onder die naam had gepubliceerd, zou ik dit de titel geven van Het Boek der Vriendschap.
En eigenlijk zou ik al mijn boeken zo willen noemen. Om mijn leven waardig te maken geleefd te worden, had ik het geluk veel vriendschap en een grote liefde te ontmoeten. Hoe ouder ik word, hoe meer mijn gedachten ronddwalen om twee themata: vriendschap en de nadering van de dood. En ik troost mij ermee dat ik de ogen zal sluiten zonder iemand te haten, zonder ooit iemand werkelijk gehaat te hebben. En dan zal ik rond mijn bed zien de Mijnen en in een laatste verbeelding al mijn Vrienden die te zamen met de poëzie mijn alles vormen.
Wel echter acht ik het nodig, teneinde het alom loerende misverstand zo mogelijk
te ontlopen, naar aanleiding van de titel een zeer korte samenvatting te geven van wat mij het dichtst aan het hart ligt: mijn belijdenis van de duivelse Onzin van het bestaan, waar en wanneer zich dat ook voordoet. Men zou dit boek niet kunnen begrijpen zonder de laatste regels, welke hier volgen.
Behoeft de titel van deze verzameling van herinneringen en beschouwingen een nadere toelichting? Voor mijn gevoel niet. Hij geeft beknopt en onvolledig weer hoe ik geleefd heb van mijn jongensjaren tot mijn oude dag. Dat wil zeggen: ingaande tegen alles dat de wereld zo moeilijk bewoonbaar maakt, protesterende tegen de onmacht om de waarheid of maar een klein gedeelte ervan te leren kennen. In een ongerijmd bestaan kan, naar mijn opvatting, niemand ooit werkelijk gelukkig leven. Ik was steeds omringd door liefde en vriendschap, ik heb nooit ernstige zorgen van welke aard ook gekend, ik heb in de loop der jaren met genoegen een en ander van de aarde gezien, maar niets hoe goed, hoe mooi, hoe innig ook heeft mij ooit kunnen bevrijden van de adamswrok. Ik werd gestoten, zonder mijn toestemming, in een bestaan waar ik niet in paste, met altijd de verbittering dat een ander lieflijker leven mij ontgaan is. Ik wist al heel jong dat ik hier niet thuis was. Hoe kan men zich thuis voelen in een kermisachtig gedoe waarin de schijn alles is? Waarschijnlijk bevindt zich achter deze schijn nog een schijn, achter deze architectuur van leugens een ander bouwwerk van bedrog opgetrokken.
Heeft er ooit een paradijs bestaan? Natuurlijk niet. Onze menselijke ellende bestaat juist uit het feit dat wij krankzinnig verlangen naar een heerlijke fictie, waaruit wij geloven verjaagd te zijn.
Ik ben niet geneigd te redetwisten met hen die de wereld en het leven liefhebben en zelfs mooi vinden. Ieder willekeurig dagblad, in welk land ter wereld ook, levert overvoldoende stof om die verheerlijkers volledig af te schrijven, als zijnde blind en gevoelloos.
Van de eerste regel op de voorpagina tot de laatste advertentie van het laatste blad wordt ons een gelogen wereld opgedrongen. Van ieder spreekgestoelte af worden wij bedrogen. Voor hen, die gekweld worden door het besef uit een onwerkelijke Tuin te zijn verdreven, is alles, letterlijk alles schijn en schijn van schijn. Liefde en poëzie, onafscheidelijk verbonden, zijn in weerwil van hun heerlijkheid welke alles te boven gaat een verheven boerenbedrog, althans voor hen die uit het permanente heden van het Niets zijn verjaagd in wat men leven noemt en dat één hunkering is naar de Terugkeer.
Van kindsaf joeg de wereld mij angst aan. Ik dacht dat ik die kon overwinnen door het bestaan in de wereld zo rijk en zo blij mogelijk te leven. Altijd bleef de Ondergrond zich doen gelden, altijd de wetenschap dat wat ik deed en zei niet waar kon zijn, omdat wat alle mensen doen en zeggen niet waar is, aangezien er geen enkel bewijs is aangevoerd van de waarheid, van welke waarheid ook.
Ik deed vrijwel nooit uitgelaten en de hoogst enkele keer dat ik mij werelds vermaakte, was dat een mislukte poging om mijzelf te bewijzen dat ik jolig kon zijn. Het gevolg was een smaak van as in mijn mond. Van de kinderpartijtjes tot de grote diners heb ik altijd alles verafschuwd wat ook maar, hoe deftig ook en in de verte, op vermaak geleek.
Ik ben een tegenstander van dit leven, waar ik het nut niet van inzie. Zelfs het grote geluk dat ik gekend heb en nog steeds ken heeft mij van de mij ingeschapen afkeer van het bestaan niet kunnen bevrijden. Ik vraag mij af of ik ooit wèrkelijk gelukkig geweest ben, omdat er geen geluk kan bloeien in een wereld van geestelijk, zedelijk materieel vuil.
Alles, het onnoemelijk veel goede dat mij te beurt viel, was schijn. Waar niets in waarheid werkelijk is, kan al wat wij ondervinden en waarnemen alleen schijn zijn.
De ondertitel ‘Leven tegen het Leven’ geeft heel juist aan de ondertoon van dit boek, het noodlot van mijn bestaan en drukt ook het Generaal Protest uit, het enige dat voor ons de wereld bewoonbaar kan maken.
De aandachtige lezer, zoals iedere schrijver zich die van harte toewenst, kan het niet ontgaan dat er een verschil in strekking en toon bestaat tussen sommige gedeelten van dit boek en deze korte verklaring van de titel.
Het boek is ontstaan over een lang verloop van tijd, terwijl déze enkele regels geschreven werden in 1965. Dit verklaart veel, zo niet alles. Optimistisch was ik nooit, zelfs in mijn kinder jaren niet, uitbundig al evenmin. Ik heb altijd alle optimisten als karakterzwakken of bange verblinden beschouwd. Welk behoorlijk mens sluit de ogen voor de lelijkheid, de gemeenheid, de platheid en de laagheid die, met nog enkele andere ondeugden, het gehele leven beheersen?
Ik heb in de lange jaren van enkele mensen veel gehouden en doe dat nog, ik heb opreckt genoten van uitingen van alle kunsten, ik was een liefhebber van bij voorkeur omstandige verplaatsingen. Hiervan wordt in dit relaas getuigenis afgelegd.
Maar door elke vreugde, elk geluk en elk genot heen proefde ik de bittere smaak van het waarom. Er was een tijd dat men nog kon teren op de kinderlijke dwaling van: het zal later alles wel beter worden. Ik heb daar ook in geloofd.
Doch nooit was ik, ook niet in mijn heerlijkste ogenblikken, geheel vrij van de bitterheid op de lippen, van het gif waarom.
Toen ik dus dit boek een naam moest geven, meende ik daarin te moeten samenvatten wat de laatste les is van een lang leven met al zijn stijgingen en dalingen, meer stijgingen dan dalingen. Wanneer het mogelijk zou zijn de synthese van een uitvoerig mensenbestaan in één zin te openbaren, zou ik moeten schrijven: het leven, dat ik eens het goede leven noemde, heeft mij geleerd het leven steeds minder op prijs te stellen omdat ik steeds dieper doordrongen wordt van de ongerijmdheid van elke vorm van zijn, ook de aangenaamste.
Er waren niet eens twee wereldoorlogen voor nodig om mij alle hoop, alle illusies ontnemen. En als men zich beklaagt over de onbeschrijfelijke ellende en wanorde overal in deze afgeschreven wereld, dan is er, naar mijn mening, maar één antwoord op: het barre leven, hoe onredelijk ook, zou tenslotte met enig zelfbedrog wel leefbaar zijn. Maar de mens, de mensen, alle mensen, miljarden, maken door hun ingeschapen slechtheid een rustig, eerlijk, opgewekt leven volstrekt onmogelijk. Daarom heet dit boek ‘Leven tegen het Leven’ en dit betekent de slotsom van een lange ervaring. Deze ervaring bracht mij van een jeugd waarin ik mondjesmaat gelukkig was en nog in het geluk geloofde tot een ouderdom na een gelukkig leven, waarin mij niet bevrijden kon van de nijpende overtuiging welke mij niet meet verlaat, dat alles, letterlijk alles, ook het geluk begoocheling was en is. Misschien zou dit boek niet moeten heten ‘Leven tegen het Leven’, maar ‘Leven tegen de Schijn’.
Gravenhage, april 1965