terug  begin  verderprepost
[p. 1]

Brieven

1. J. Greshoff aan Trajectum ad Mosam, 15 februari 19221

Arnhem, 15 Febr. 1922.

 

Weledelgeboren Heeren,

Met belangstelling en genoegen zag ik uw Vondel-drukje.2 Het geeft mij overigens aanleiding u te vragen of u bereid bent naar aanleiding van de keuze der texten overleg mèt ons te plegen. Door heel toevallige omstandigheden is dit nìet gebeurd, anders hadden wij waarschijnlijk juist verleden maand dezelfde text herdrukt!3 Om in ons kleine land volkomen onnoodige coïncidentie's op dit gebied te voorkomen, zou ik gaarne met u in nader contact treden, gelijk wij dat hebben met ‘De Zilverdistel’, die nu 12 jaar geleden, door mij, is opgericht4 en geleid wordt [+ door] Mrs. v.Eyck5 en v.Royen.6

Er is keuze genoeg! Wij behoeven elkander dus niet in het vaarwater te komen; maar overleg is noodig. Het liefste zou ik eens spreken; maar de afstand schrikt mij af!

Gaarne eenig bericht afwachtend.

Met onderscheiding gaarne uw dw.

J. Greshoff

‘Palladium’

 

adres: J. Greshoff

Burg. Weertsstr. 45

Arnhem

1Geschreven op briefpapier van de hoofdredactie van de Nieuwe Arnhemsche Courant.
2 Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste (1650) van Joost van den Vondel (1587-1679) was in januari 1922 als eerste uitgave van Trajectum ad Mosam verschenen. Het was gedrukt bij Boosten & Stols in een oplage van 90 exemplaren. Henri Jonas had het vignet voor de titelpagina van deze uitgave getekend.
3Noch uit de briefwisseling tussen Greshoff en Jan van Nijlen, noch uit de brieven van J.C. Bloem aan Greshoff of die van Jan van Krimpen aan Van Nijlen - voorzover bekend - blijkt ergens dat de door de vier genoemden gevormde redactie van Palladium zich had voorgenomen een tekst van Vondel in hun reeks op te nemen.
4Eind 1909 of begin 1910 stichtten J.C. Bloem en Greshoff de bibliofiele reeks De Zilverdistel. Nog voor er een deel uit de reeks het licht had gezien, voegde P.N. van Eyck zich bij hen. Zijn bundel Worstelingen zou in 1910 als eerste uitgave van De Zilverdistel verschijnen. In 1912 trokken Bloem en Greshoff zich uit de reeks terug. Van Eyck liet zich na het terugtrekken van zijn mede-redacteuren ter zijde staan door J.F. van Royen; aanvankelijk alleen met typografische adviezen, maar in 1913 trad Van Royen toe tot de redactie. In 1919 was de laatste uitgave van De Zilverdistel verschenen. (Zie voor nadere gegevens: G.H. 's-Gravesande, P.N. van Eyck en De Zilverdistel, in Folium 4 (1954), p. 171-188 (ook in Vergeten en gebleven. Literaire beschouwingen, Den Haag 1982, p. 79-94); en A.M. Hammacher, Jean François van Royen, 1878-1942, Den Haag 1947, p. 72-121. Beide bronnen bieden echter een wat de feitelijke gegevens betreft niet geheel betrouwbaar beeld van de geschiedenis van De Zilverdistel.)
5Met Pieter Nicolaas van Eyck (1887-1954) was Greshoff bevriend sedert 1909, het jaar waarin Van Eyck met de bundel De getooide doolhof debuteerde. Van Eyck was sedert 1919 correspondent voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant te Londen. (Zie H.A. Wage, De vriend van zijn jeugd. Van Eyck en Greshoff, in Tirade 191 (november 1973), p. 583-589.)
6Jean François van Royen (1878-1942), als jurist werkzaam bij de ptt, had in mei 1912 een geruchtmakend artikel over De typographie van 's Rijks drukwerk bijgedragen aan het door Greshoff geredigeerde tijdschrift De Witte Mier. Na de opheffing van De Zilverdistel in 1919 zette Van Royen zijn activiteiten onder de imprint Kunera Pers nog tot 1942 voort. Van Royen was de drijvende kracht achter de in 1916 opgerichte bibliofiele Vereeniging Joan Blaeu en was sedert 1922 voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst (vank).
prepostterug  begin  verder