[Arnhem] 23 Febr. 1922.
Zeer Geachte Heer Schols[sic],
Mijn dank voor uw aangename brief. Ik ben blij dat er op deze wijze eenig contact tusschen ons ontstaan is. Want afgescheiden van onze gemeenschappelijke ‘belangen’, vind ik het prettig de (veel te zeldzame) vrienden van het boek wat nader te leeren kennen. Mocht u dus eens in deze streek komen, verzuim dan niet aan te komen.
Ik zie verder dat gij mooie plannen hebt voor buitenlandsche texten. Op dat gebied zullen wij elkander al zeker niet in de wielen rijden. Want wij denken er voorloopig niet aan andere dan Nederlandsche texten te kiezen.
Wij, mijn vrienden Bloem, van Nijlen en ik, zijn het er echter niet over eens wàt praedomineeren moet: het classieke of het moderne. Juist over deze quaestie zullen wij 4 Maart a.s. beraadslagen op een bijeenkomst te Rotterdam.2 Eerst wanneer die quaestie is opgelost kunnen wij verder ons programma opmaken. In elk geval geven wij drie bundels van tijdgenooten: van Aart v.d. Leeuw,3 J.v Nijlen4 en Marie Cremers.5
Wat gij zegt over tegelijk of kort na elkander verschijnen van twee uitgaven van dezelfde text acht ik onjuist: er wordt in Nederland zóó slecht, zoo sporadisch gekocht dat noodzakelijker wijs één van de twee édities er aan te kort moet komen. Wanneer u eenige ervaring heeft, zult u zien dat niets zoo moeilijk is als het aan den man brengen van een mooi en dus niet al te goedkoop boek!
Heeft u onze twee kleine boekjes van Karel van de Woestijne6 en Arthur van Schendel7 gezien?
Een plaquette van onzen vriend van Eyck is in proef en zal nog in Maart gereed komen.8
Zoodra ik definitief iets meer weet zal ik u berichten.
Ik kocht uw Vondel-drukje door middel van den boekhandel M. Nijhoff;9 om u echter onnoodige korting-aftrek te besparen verzoek ik u de ‘Sonnets’ direct voor mijn rekening aan mijn adres te willen leveren.
Mocht ik in Amsterdam komen dan zal ik u berichten, opdat wij de gelegenheid vinden eens samen te praten over onze gemeenschappelijke hobby!
Met vr. gr. en onderscheiding
J. Greshoff.